Een Utrechts conflict
Historische 'kiekjes' over 'het beheer'
De bekende G. Voetius (1589-1676), die we sinds 1634 in Utrecht aantreffen en die daar ook is overleden, kwam op voor de zelfstandigheid van de kerk tegenover de Staat en het standpunt van de regenten in aangelegenheden als de tafel der lening, het patronaatsrecht en dergelijke, maar ook met betrekking tot de kerkelijke goederen kwam hij op voor de kerkelijke rechten.
Reeds in 1640 verdedigde hij met Carolus de Maets (Dematius) (1597-1651) en Meinardus Schotanus (1593-1644) de kerkelijke rechten en eigendommen tegen de magistraat van Utrecht.
Het conflict in Utrecht ging over de goederen van de vijf kapittels van de stad. Hierin kwam de in meerderheid Voetiaansgezinde kerkeraad (= 12 predikanten + 16 ouderlingen) hoe langer hoe meer scherp tegenover de stedelijke magistraat te staan. De opbrengst van de kapittels kwam slechts voor een deel ten goede aan de predikanten, de rest verdween in de zakken van de beheerders.
Onder de predikanten was de verhouding in deze zaak 8 tegen 4: onder de meerderheid behoorden, naast de reeds genoemden, Andreasd Essenius (1618-1674), Abr. van de Velde (1614-1677) en Joh. Tellinck (1614-1674); tot de minderheid behoorde o.a. Martinus Schoo(c)k (1614-1669).
Het verschil van gevoelen tussen de acht en de vier betrof geen verschil in de praemisse (= vooronderstelling), dat namelijk de kapittelgoederen 'ad pios usus' bestemd dienden te blijven (worden). Het tussen Voetius c.s. en Schoo(c)k c.s. bestaand verschil van mening liep over de vraag of de Utrechtse kapittels — als zijnde een wereldlijke instelling — behoorden te worden opgeheven of in stand gehouden, en op welke wijze de daaraan verbonden inkomsten besteed moesten worden.
Voetius was tegen opheffen. Schoo(c)k behoorde tot de voorstanders van opheffing.
De grote kerkelijke beroering mondde uit in de verbanning van de predikanten Abr. van de Velde en Joh. Teellinck door de Staten van Utrecht 'om redenen haer daertoe moverende'. Zo moesten zij op 16 juli 1660 de stad binnen 6 uur en de provincie binnen 24 uur verlaten!
Van de hand van Voetius verscheen in 1646 'Res judicata' (= gewijsde zaak; gewijsde: een vonnis waartegen geen verzet meer mogelijk is) en in 1653 zijn 'Theologisch advys over 't gebruyck van kerckelijke goederen'.
Naar aanleiding van het geschil schreef Schoo(c)k zijn 'Liber de bonis vulgo ecclesiasticis dictis etc.' (1650).
Abr. van de Velde gaf reeds in 1660 in het licht: 'Pertinent en waeraghtigh verhael van 't geen sich binnen U op den 19 july 1660 ouden styl in 't uyt-setten der twee predikanten heeft toegedragen' (1660).
N.B.: 'ad pios usus' (c.q. 'ad pias causas) = tot vroom gebruik/vrome oogmerken, een geijkte term met betrekking tot zaken en gelden die bestemd zijn voor kerken of doeleinden die met de godsdienst verband houden; ook de aanduiding 'pieuse saeken' ontmoeten we wel. Men zie hierover:
— Biografisch Lexicon, deel 1 - blz. 209-211 + 371-372 + 39 393.
— Biografisch Lexicon, deel 2 - blz. 314-315 + 394-395 + 443-449.
— Biografisch Lexicon, deel 3 - blz. 253-255.
— Documenta Reformatoria, deel 1 - nr. 237.
— P.A. Tiele, 'Bibliotheek van Ned. (en andere) pamphletten'. Verzameling van F. Muller (...), 3 dln., Amsterdam 1858-1861 - nr. 4440-4445 + 4451.
— D.G. Rengers Hora Siccema, 'De samenhang in het recht bij den strijd over de Utrechtse kapittelen', Utrecht, 1906.
— Dr. J.C. Trimp, 'Jodocus van Lodensteyn' (predikant en dichter). De Groot, Goudriaan/Kampen, 1987 - hoofdstuk III, vanaf blz. 67, + hoofdstuk IV, blz. 87-93.
N.B.: Trimp schrijft dat de predikanten 'reeds vroeg in de morgen' het bevel krijgen 'de stad voor zes uur namiddags en de provincie binnen 24 uur te verlaten met verbod er zonder speciale toestemming in terug te keren' (blz. 89).
De Rooms-Katholieke kerkhistoricus prof. dr. L.J. Rogier noteerde eens: 'De Utrechtse kapittels handhaafden zich, maar buiten alle verband met de katholieke kerk en in geen der andere suffragaan-bisdommen van Utrecht heeft het nieuwe kapittel iets betekend, ...'.
— 'Geschiedenis van de Kerk in Nederland', dr. A.G. Weiler/dr. Otto J. de Jong/prof. dr. L.J. Rogier/prof. dr. C.W. Monnich - Aula-boeken, Utrecht/Antwerpen, 1963. ('De Katholieke Kerk van 1559 tot 1795' - hoofdstuk II: 'Reformatiepogingen' (blz. 189).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's