De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Spanning tussen ideaal en werkelijkheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Spanning tussen ideaal en werkelijkheid

Theocratie-bibliocratie

15 minuten leestijd

De laatste tijd wordt een stuk verleden van (een deel van) de Gereformeerde Gezindte blootgelegd. Sinds drs. T.W. van Bennekom zijn boek 'De wachters op de muren' het licht deed zien, verschenen twee proefschriften, waarin (o.a.) ook het recente verleden, met name rondom de Tweede Wereldoorlog, in politiek opzicht aan de orde kwam. Enkele weken geleden promoveerde dr. B.J. Wiegeraad op een proefschrift over prof. dr. Hugo Visscher ('een Calvinist op eigen houtje'). Al eerder, op 26 oktober 1990, promoveerde dr. W. Fieret op een proefschrift, getiteld De Staatkundig Gereformeerde Partij, 1918-1948, met als ondertitel 'een bibliocratisch ideaal'. Aan dit proefschrift wil ik in het hier volgende nadere aandacht geven.

Op een rij
Wie geen vreemdeling is in het kerkelijke en politieke Jeruzalem, zoals dat in dit proefschrift de aandacht krijgt, biedt de studie van Fieret geen bijzònder nieuws. Wel worden de dingen, die algemeen bekend zijn — althans voor hen, die van huis uit ook wel eens een kijkje in de keuken mochten nemen, zoals ondergetekende — gesystematiseerd, wetenschappelijk onderbouwd en op een rij gezet.
Vanaf het ontstaan van de S.G.P. in 1917 was de partij 'een getuigenispartij', met een sterk anti-roomse (zeg antipapistische) gezindheid. Felle polemieken werden gevoerd met de andere christelijke politieke partijen, de A.R.P. en de C.H.U., die men binnen de S.G.P. verwaterd achtte, te toegeeflijk ook (met name de A.R.P.) in de richting van Rome.
Met ir. C.N. van Dis als fractieleider, aldus Fieret (van 1961 tot 1971) en ds. H.G. Abma (van 1971 tot 1981) werd de toon van de bijdrage echter zakelijker. In 1981 werd gebroken met de traditie, dat een predikant lid van de fractie behoorde te zijn. 'Ingenieurs, een belasting- en financieel deskundige en juristen leverden naast hun principiële noties gewaardeerde zakelijke bijdragen aan de debatten'.


In de vooroorlogse jaren richtte de S.G.P. haar pijlen vooral tegen toenemende invloed van Rome in ons politiek en maatschappelijk bestel, verwildering van zeden, vaccinatiedwang, zondagsontheiliging, publieke Godslastering, overheidsbemoeienis inzake sociale verzekeringen. Wat dit laatste betreft, in 1919 (toen al!) bood ds. G.H. Kersten 4800 handtekeningen aan aan de Minister van Arbeid, gericht tegen verzekeringsplicht voor de arbeiders.
Het belangrijkste wapenfeit is ongetwijfeld in die jaren geweest de val van het tweede kabinet Colijn in 1925, toen in de nacht van Kersten een door Kersten en Zandt ingediend amendement, dat ten doel had de Nederlandse gezantspost bij het Vaticaan op te heffen, werd aanvaard.

De oprichters
'Wij moesten bouwen; kerk en school', aldus ds. G.H. Kersten, bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam. Hij had daar ook de politiek bij kunnen noemen. Want hij was de drijvende kracht achter de oprichting van de S.G.P. Samen met ds. P. Zandt, die van 1923 tot 1961 lid van het hoofdbestuur was en ir. C.N. van Dis, bepaalde hij lange jaren het beeld van de S.G.P. in en buiten de Tweede Kamer.
Over het geestelijk leven van ds. Kersten is de auteur van het proefschrift uitvoeriger dan over het geestelijk leven van ds. P. Zandt en ir. C.N. van Dis. Dat zal ook te maken hebben met de wijze waarop betrokkenen het zèlf hebben verwoord. Van ds. P. Zandt zegt Fieret, dat deze over zijn bekering zei, dat hij onder het lezen van de werken van de Duitse wijsgeer G.W.F. Hegel 'door één van Gods pijlen als een vogel uit een boom werd geschoten', waardoor er voor hem 'een algehele omkeer van waarden plaatsvond'.
Wat het optreden in de Tweede Kamer betreft zegt de auteur Van Kersten overigens, dat diens redevoeringen een agressieve ondertoon hadden, 'die versterkt werd door het soms pompeus, bombastisch woordgebruik'.
Van ds. Zandt zegt hij: 'Anders dan ds. Kersten veroorzaakten Zandts redevoeringen in de Tweede Kamer meestal geen irritatie. Volgens H.W. Tilanus, lid van de C.H.U.-fractie, had Zandt een zekere spreekangst. Mede daardoor trad hij niet met zo'n stelligheid op als Kersten. Hij werd gewaardeerd om zijn mildheid.'
Wat dit laatste betreft, het is een feit dat ds. Zandt om zijn persoon een gerespecteerd Kamerlid was. Toen hij in 1961 was overleden, heeft mr. W. Aantjes (A.R.P.) hem zo in een sympatiek, uitvoerig artikel in deze kolommen herdacht. Verder is het ook tekenend, dat één van de kamers in het gebouw van de Tweede Kamer naar hem is genoemd.
Ook b.v. ten aanzien van het stemrecht van de vrouw — een heet hangijzer de jaren door — nam Zandt een milder standpunt in dan Kersten.

Artikel 36 N.G.B.
Uiteraard krijgt in dit proefschrift 'het onverkorte art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis' alle aandacht. Nieuw was voor ondergetekende, dat pas 5 jaar ná de oprichting van de S.G.P., nl. in een partijrede van 1923, voor het eerst over dit artikel werd gesproken en wel in die zin, dat de partij er zich over diende te beraden 'hoe zij de handhaving van het daar beleden standpunt denkt'. Dr. Fieret betwijfelt of er toen eenheid van gevoelen was over art. 36, 'ofschoon later art. 36 voor de S.G.P. een "dogma" werd'.
Feit is, dat het bedrijven van praktische politiek op basis van art. 36 de jaren door een torso, een onoplosbaar probleem is geweest, met name waar het gaat om 'het uitroeien van de valse godsdienst'. Toen ds. G.H. Kersten voor het eerst in de Tweede Kamer beëdigd moest worden, was er dan ook al enig rumoer in de gelederen van de partij. Kon men immers op basis van art. 36 de eed wel afleggen op een neutrale grondwet?


De ondertitel van het proefschrift van ds. Fieret is: 'een bibliocratisch ideaal'. Hoezeer ik ook deze aanduiding begrijpen kan — het Wóórd zal regeren! —, feit is wel, dat Fieret daarmee een meer gangbare notie naar de achtergrond dringt, t.w. de theocratie. Weliswaar is theocratie, gezien de zich breed makende islam, een belaste uitdrukking geworden, maar anderzijds is het zo dat God regeert. De bibliocratie, als ik het zo eens zeggen mag, hàngt aan de theocratie. 'Alles moet Hem eren, wànt het Woord des Heeren, 't richtsnoer Zijner daan, is volmaakt rechtvaardig, al onze achting waardig, eeuwig zal 't bestaan.' Het eren van 'Hem' staat voorop. Hoezeer ook 'theocratie' tot misverstand leiden kan, theocratisch bepaalde politiek heeft alles te maken met het feit, dat God in de vergadering der 'goden' (de overheden) staat. Me dunkt dat dit toch altijd het uitgangspunt geweest is van de S.G.P. Het woord theocratie was gangbaar, bibliocratie niet.

Curiosa
Het proefschrift van Fieret biedt ook enkele curieuze zaken, althans zaken, die een glimlach oproepen. Ds. G.H. Kersten riep b.v. in de twintiger jaren de mensen (op het eiland Tholen), die een goede regenbak hadden en niet wilden aansluiten op de drinkwaterleiding, op om de minister vrijstelling te vragen.


Tegen de achtergrond van het feit, dat de S.G.P. nog steeds moeite heeft met het gebruik van de media, dient hier gememoreerd te worden, dat het nieuwe medium radio in de twintiger jaren 'aanvankelijk niet werd afgewezen'. De Gelderse afgevaardigde (Van Os) van de kieskringorganisaties, die de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer moesten opstellen, was hoofdbestuurslid van de 'Chr. Radio-Vereen'. Tijdens de bijeenkomst van die afgevaardigden deed Van Os het aanbod om voor de prijs van ƒ 60,— gebruik te maken van de zender van genoemde vereniging. Maar later zag de partijvoorzitter de radio 'alleen maar als een middel, waardoor Rome de macht zou krijgen'.


En wat moeten we aan met de volgende motie op de algemene vergadering in 1922? 'De St. Geref. Partij, van oordeel dat het vrouwenkiesrecht in strijd is met de roeping der vrouw, door God haar in Zijn Woord aangewezen, en dat het gebruik van de bevoegdheid in de politiek gevaar oplevert, straks ook voor de kerk, besluit niet mede te werken aan het opwekken en vergaderen (curs. van mij, v.d. G.) der vrouw in kiesverenigingen, doch in tegendeel, de vrouw aan te sporen zich te onthouden van het gebruik te maken van haar kiesrecht, ook al wordt ons stemmental in verhouding kleiner dan dat van andere partijen, wijl doch niet de overwinning ons hoogste doel is als wel de zuivere openbaring van ons beginsel'.
De natuur bleek hier intussen toch sterker dan de leer, de jaren door.

De oorlogsjaren
Veel moet in het kort bestek van één artikel onbesproken blijven. Bijv. de telkens oplaaiende twisten met de A.R.P., niet in het minst ook met de hervormd-gereformeerden, die in de politiek actief waren, met name in de Tweede Kamer (prof. dr. H. Visscher en It. gen. Duymaer van Twist). Het zou boeiend genoeg zijn, om met betrekking tot die twisten ook vereenzijdigingen te signaleren. Met prof. dr. Hugo Visscher bleven tot het laatst toe onenigheden bestaan, juist ook inzake (de toepasbaarheid van) art. 36 van de N.G.B, in de politiek.
Aandacht dient echter nog wel te krijgen de houding van de S.G.P. in de jaren vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze thematiek heeft allerwegen als expressis verbis de aandacht gekregen. Het gaat niet aan om alles hierop toe te spitsen. Maar het gaat wel om een toegespitste, hoogst belangrijke problematiek.
Eerlijk gezegd laat hier het proefschrift van Fieret zich het moeizaamst lezen. Is het recent verschenen proefschrift van dr. B.J. Wiegeraad inzake de houding van prof. dr. Hugo Visscher aangaande het nationaal socialisme en de bezetting duidelijk, het beeld, dat Fieret schetst ten aanzien van ds. G.H. Kersten, die na de Tweede Wereldoorlog werd 'gezuiverd' vanwege zijn houding in de Tweede Wereldoorlog, is enigszins diffuus. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met een zekere ambivalentie bij Kersten zèlf, maar wellicht ook met een zekere terughoudendheid, die de auteur wil betrachten m.b.t. een voorman die in hoog aanzien stond bij zijn 'achterban'. Kersten was een leider en had groot gezag. Ik volsta met het doorgeven van enkele feiten.
In de dertiger jaren waardeerde Kersten het fascisme 'omdat het krachtig stelling wilde nemen tegen de revolutionaire partijen'. Anderzijds veroordeelden de Geref. Gemeenten (waarvan Kersten toch ook de onbetwiste leider was) het lidmaatschap van de N.S.B. voor haar leden: 'Het lid­maatschap der kerk zal zich niet met dat der N.S.B, verdragen'. Toch maande men later ook tot voorzichtigheid inzake kerkelijke tucht.
Kersten kon zich vinden in de zeer scherpe artikelen, die Kuyper tegen de joden geschreven had. In een rede liet hij 'naast pro-joodse uitlatingen ook geluiden horen, die uitgelegd kunnen worden als neigend tot antisemitisme'.
In 1938 werden in De Banier 'de zonder enige verontwaardiging gedane mededelingen over genomen antisemitische maatregelen... verklaard met een beroep op de 'bloedtekst' Zijn bloed kome over ons en onze kinderen'. Maar in 1939 noemde de chr. gereformeerde prof. G. Wisse, ook SGP-er, — blijkens een verslag in De Banier — beroep op de bloedtekst 'hard, ruw, ja on-evangelisch en onchristelijk'.
In 1940 sprak Kersten op de algemene vergadering van de partij 'noch in afkeurende zin over Duitsland, noch in sympathiserende zin over Engeland'.
'De eerbiedige toon en het gebruik van het woord "overheid" in diverse artikelen, tonen dat de bezetter (zij het niet rechtens maar toch: in feite), werd gezien als de nieuwe overheid, die men gehoorzaamheid verschuldigd was'.
Verder is bepaald schrijnend te noemen, dat Kersten 'nog geen vijf maanden na de capitulatie er blijk van gaf op geen enkele wijze het herstel van het koningschap onder een Oranjevorst te willen bevorderen, maar de beslissing dienaangaande geheel bij de Duitsers legde'. In de latere oorlogsjaren bad hij evenwel voor de koningin.


Fieret omschrijft de houding van ds. G.H. Kersten, in casu van een deel van de S.G.P. in oorlogstijd als die van 'vergaande loyaliteit ten opzichte van de bezetter.' Ik ze een déél van de S.G.P, want ook de andere houding komt aan de orde, b.v. van ds. R. Kok te Veenendaal en ds. P. Zandt, die stelde: 'de artikelen van ds. Kersten behoef ik niet voor mijn rekening te nemen'. Dat er binnen de S.G.P. op dit punt grote tegenstellingen bestonden, bleek wel uit het feit, dat Kersten in een dankdagpreek in november 1940 zich in negatieve bewoordingen uitliet over dàt deel van 'Gods volk' en van 'Gods knechten', die van een andere houding blijk gaven als hijzelf; 'met de blinde wereldlingen waren zij opstandig onder Gods slaande hand'. Intussen weigerde Kersten zelf een brief van het Convent van Kerken te tekenen 'tegen anti-semitische maatregelen, die zich aftekenden'. Aan anti-semitische maatregelen op de scholen moest volgens hem zelfs 'loyaal medewerking worden verleend'.


Genoeg hierover. Uitvoerig gaat Fieret ook in op alle geharrewar in deze in en rondom het blad De Banier, dat in 1941 een verschijningsverbod kreeg, maar al spoedig opnieuw verscheen met als onderkop Algemeen Protestantsch Dagblad voor Nederland, een naam die vanaf 16 oktober 1941 als officiële naam gold.
Fieret komt uiteindelijk tot de conclusie dat van de zeven beschuldigingen, die tegen Kersten werden ingebracht, alleen de laatste op waarheid berustte, nl. dat hij zijn zoon 'dwong' de loyaliteitsverklaring, die studenten in de theologie moesten tekenen om te kunnen blijven studeren, te ondertekenen, waarbij de auteur overigens afdingt op het woord 'dwong'. Uit gegevens van de Utrechtse theologische faculteit is overigens bekend, dat ds. Kersten in deze ook actief 'ronselde' onder andere studenten in de theologie.
Hoe het ook zij, de conclusies van Fieret in deze zijn m.i. enigszins diffuus. En juist ook in de naoorlogse jaren heeft een geding met 'bezwaarden', die zich binnen de S.G.P. lieten horen, nog lange tijd de gemoederen bezig gehouden. Tekenend is nog wel, dat in plaats van De Saambinder — het blad van de Gereformeerde Gemeenten, dat in de oorlogsjaren niet meer verschijnen mocht — wel een 'mededelingenblad' mocht verschijnen, 'na bemiddeling van prof. dr. H. Visscher', die in de oorlogsjaren adviseur van Mussert was.


We schrijven deze dingen hier niet neer als buitenstaanders. Bij de promotie van dr. Wiegeraad zei prof. dr. C. Graafland, dat ook donkere perioden beschreven moeten worden. We voelen ons hierbij betrokkenen', geen buitenstaanders. Wie van de geschiedenis echter niet leert, is gedoemd haar opnieuw te beleven.

Evaluatie
Komend aan het eind van deze bespreking, sluit ik af met enkele evaluerende opmerkingen. Dit proefschrift lezende, komt men onder de indruk van het hoge ideaal, dat aan de oprichting van de S.G.P. ten grondslag lag. Het gebod Gods is richtsnoer ook voor het maatschappelijke en politieke leven! Maar de vraag dringt zich ook onweerstaanbaar op of het ideaal altijd op de juiste wijze is doorvertaald.
Heeft b.v. de sociale kwestie wel altijd die aandacht gehad, die vanuit de Schriften geboden is? Is het ten onrechte dat mr. V.H. Rutgers van de A.R.P. (een partij, waarmee de S.G.P. als met geen andere polemiseerde) ooit zei twijfels te hebben over de sociale gezindheid van de S.G.P.?
En is er niet sprake geweest van blikvereniging als het gaat om b.v. de vaccinatie? Uit een redevoering van ds. G.H. Kersten wordt het volgende geciteerd: 'Al had aan één kind de vaccinatie den dood gekost, dan ware het meer dan afdoende reden om den dwang op te heffen'. Maar mag men daar niet tegenover stellen de slachtoffers van polio-epidemieën, dáár, waar vaccinatie achterwege bleef?
Bibliocratie – om dat woord dan toch maar te gebruiken - betekent wel zeggenschap van het hèle Woord over het hèle leven, ook als het gaat om sociale gerechtigheid en om verantwoordelijkheid van de mens voor het leven van zichzelf en van de ander. Wij verstaan altijd 'ten dele'. Daarom is bibliocratie een kwetsbare term.


En verder, de lijdelijke houding van leidinggevenden in de Nazitijd ging soms over in collaboratie. Me dunkt dat juist ook de legitimiteit van verzet tegen een demonisch geïnfecteerde overheid (juist op grond van de bibliocratie) in reformatorische kring onderbelicht is gebleven. En die kwestie is altijd weer, ook vandaag, uiterst actueel. Dat Kersten b.v. in de Tweede Wereldoorlog prof. dr. K. Schilder — die als één der eersten profetisch de demonie van het Nationaal Socialisme doorzag! — gispte met betrekking tot zijn 'geloofsstandpunt' inzake de houding tegenover de bezetter, is beschamend. 'Zijn optreden had (volgens Kersten) (...) niets met geloof te maken'. Hier vallen lessen te trekken uit het verleden. Niet alleen voor de S.G.P., want ook 'wij' (hervormd-gereformeerden) hadden Hugo Visscher, een man met grote verdiensten en desalniettemin met een betreurenswaardige gang in de dertiger jaren en daarna.


Intussen gaf Fieret een boeiend beeld van een tijdperk, met name van een volksdeel, dat politiek bewust werd gemaakt. Zoals in de vorige eeuw de anti-revolutionaire beweging uitgroeide tot een partij (3 april 1879), zo groeide de S.G.P. van een sterk antithetische getuigenispartij tot een partij, waarin het zakelijk politieke element sterker is geworden. De opstelling werd 'gematigder', zegt Fieret. Hij voegt daaraan toe: 'een dergelijke ontwikkeling in de politiek is niet uitzonderlijk. Bij partijen als de A.R.P., R.K.S.P. en de S.D.A.P. is eveneens te zien, dat ze zich ontwikkelden van vrij radicale tot gouvernementele partijen'.
De S.G.P. volgde dit beeld, met, dunkt mij, ook meer zicht op de sociale noden, dichtbij en ver weg. Dat is winst. Maar ook het getuigeniselement is onmisbaar. Want ook vandaag gaat het om de Theocratie!
De auteur 'Proficiat!' met dit gedegen proefschrift.

N.a.v. W. Fieret, De Staatkundig Gereformeerde Partij, 1918-1948, uitgave Den Hertog B.V., Houten, 303 pag., ƒ 49,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Spanning tussen ideaal en werkelijkheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's