De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vervreemding, verlating en verdriet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vervreemding, verlating en verdriet

12 minuten leestijd

Kerkverlating
In december 1990 liet het magazine Kerk een 'special' verschijnen waarin de redactie vijftien vertegenwoordigers van evenzoveel Nederlandse kerken om één tafel zette en met elkaar liet spreken. Een verrassend idee met een niet al te spectaculaire uitslag. Wat wel opmerkelijk te noemen is, dat is de grote overeenstemming die bleek te bestaan toen dhr. L.M.P. Scholten (Gereformeerde Gemeente in Nederland) als het meest wezenlijke kerkelijke probleem signaleerde dat we met een aanvechtbare term 'Godsverduistering' plegen te noemen. Alle vertegenwoordigers van de vijftien kerken gaven aan dat daar het hart van de zaak ligt: in de vraag 'wie, waar en hoe is God?', om de formulering van dhr. D. Koole (Christelijk Gereformeerd) vervolgens over te nemen. Ook de vertegenwoordiger van de (vrijgemaakt) Gereformeerde Kerken, ds. P. Schelling gaf toe dat de hele kwestie van 'het lege testament' in zijn kerken heel veel belangstelling heeft gekregen de laatste tijd. Ook in vrijgemaakte kring is er, aldus ds. Schelling, sprake van een overdrachtsprobleem. En ook in deze naar buiten zo hecht aaneengesloten kerken verlaten elk jaar een flink aantal doopleden de kerkelijke gemeenschap.

Verdriet
Deze inleidende woorden schrijven we neer na lezing van een recent verschenen boek van de vrijgemaakt Gereformeerde predikant ds. E.A. de Boer. Hij diende van 1985 tot 1990 een gemeente van zijn kerk in Amsterdam - Z.W. De titel van zijn publicatie luidt: 'Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' We kennen deze woorden als de hartverscheurende klacht van een vader die zijn zoon in een afgronddonkere nacht ziet verdwijnen. De achtergrond van dit geschrift is een soortgelijke ervaring in een gezin (waarvan de schrijver óók een lid is?) en waarvan een zoon zich heeft losgemaakt van de kerk niet alleen, maar tevens van God en daarna helaas aan een ernstige ziekte overlijdt zonder dat duidelijk wordt of er waarachtige bekering is geweest tot God. Ds. De Boer vertelt heel eerlijk dat hij heeft gehuild bij het samenstellen van dit geschrift. Dat geeft iets weer van de bewogen toon die zijn boek typeert. Het wil geen wetenschappelijk verantwoorde studie zijn over het thema 'kerkverlating', doch veelmeer een aantal gedachten geven over dit thema. Wat valt er te zien aan de grenzen van de kerk, wie komen we tegen aan de rand van de gemeente? Daar wonen ook leden immers, veelal jongeren maar net zo goed ouderen.
Het verlaten van kerk en gemeente vindt niet van de ene op andere dag plaats. Daar gaat meestentijds een heel proces van vervreemding aan vooraf. Terecht wordt een poging gedaan om te doorlichten op welke punten jongeren zich niet thuis en zich daarom vreemd gaan voelen. Kerkvervreemding komt sluipend over kinderen en jongeren heen. Sommige mensen lezen graag bekeringsgeschiedenissen. Maar het zou soms nog weleens veel ontdekkender kunnen zijn om, wat ds. De Boer noemt, onttrekkingsgeschiedenissen te lezen. Welnu, hij vertelt dan diep geroerd zo'n verhaal van een onttrekking. De geroerdheid en de emotie hebben te maken met het feit dat het in het leven van de schrijver heel dichtbij is gebeurd. Dat geeft tevens aan dit boek iets van een bewogen en gedreven pleidooi om aandacht voor spanningsvelden die er kennelijk ook in de gemeente te vinden zijn van de kerken die ds. De Boer met zoveel merkbare vreugde en enthousiasme dienen mag.

Tussen vervreemding en verlating
Ouders worden soms jarenlang geplaagd met de vraag: waarom ging het met dit ene kind mis? Waarom haakte deze zoon af of keerde die dochter zich tegen God en geloof? Waar ligt dat aan? Hoe is dat gekomen? Schuldgevoelens achtervolgen ons, besef van onmacht overheerst. Factoren die tot kerkverlating leiden, liggen op verschillend vlak, zo stelt ds. De Boer waarbij bedacht dient te worden dat hij daarbij vooral aan zijn eigen kerkelijke gemeenschap denkt. Kerkverlating kan een gevolg van zijn diepingrijpende verschilpunten op ethisch vlak, waarbij de kerkelijke tucht een rol speelt. Weggaan is dan op de vlucht gaan voor de tucht. Er wordt naar een kerk gezocht waar meer ruimte is en meer kan en daarom mag. Op het spirituele vlak kan eveneens het nodige mis gaan. De jongere generatie in de vrijgemaakte kerken vraagt naar beleving van het geloof. Ze missen de nadruk op persoonlijk geloof en getuigenis van dat geloof. Ze verlaten de kerk met een leeg gevoel in het hart en zoeken en vinden wat ze missen in charismatische groepen en evangelische gemeenten.
Tenslotte kunnen ook psychische oorzaken een rol spelen bij kerkverlating. Een jongen blijft heel zijn jeugd eenzaam, wordt door niemand opgenomen. Een meisje kan seksueel misbruikt zijn. Ze kan geen ouderlingen en dominees (mannen immers!), meer zien. Laat staan horen van een God Die Vader heet.
Soms is het een mengeling van factoren en blijven ouders na een keus van hun kind geheel verrast en ontredderd achter. Kinderen die, toen ze klein waren, zo teer konden bidden voor ze gingen slapen of soms zo ontroerend konden reageren op een gebeurtenis in het gezin of de familie: ineens onttrekken ze zich aan kerk en prediking, laten God uit hun leven verdwijnen. Ze zeggen tot onze verbijstering: ik heb nog nooit iets van het geloof geproefd. Het is te prijzen in dit boek dat de schrijver zichzelf en zijn kerken een eerlijke spiegel wil voorhouden. Hij wil pleiten voor eerlijkheid en openheid. Knelpunten mogen en moeten worden aangewezen en waar mogelijk ook worden losgemaakt. Jongeren vragen niet alleen maar om een ware kerk, doch vooral om een levende kerk.

Gemeenschappelijke les
Het gaat niet helemaal aan alles wat ds. De Boer in eigen kerken aanwijst, te wijten aan de typische vrijgemaakte kerksfeer. Hij noemt ook talloze aspecten die voor ons herkenbaar zijn. Wie zal niet willen toegeven dat er ook zwakke plekken zijn in het gezamenlijke christelijk leven, gelijk dat hier gesteld wordt. Jongeren lopen soms al vroeg in hun leven schade op die regelrecht met zonde van hun ouders te maken heeft: door een echtscheiding of een liefdeloos huwelijk dat krampachtig in stand gehouden wordt of in het allerergste geval door incest en mishandeling. De conflictsfeer ontstaat veelal eveneens rond de invulling van de vrije tijd (zaterdagavond) en de kerkgang (tweemaal per zondag). Herkenbaar acht ik wat hier ge­noemd wordt de eigen subcultuur van de gereformeerde, wij zouden zeggen reformatorische scholen. Uiterlijk is alles qua vorm etc. in orde. Maar de tyrannic van de genoemde subcultuur kan zo groot worden dat het raar en vreemd is om over je geloof te spreken. Het zaad van vervreemding wordt voor velen juist op genoemde scholen zo al gezaaid.
Ook de beroepskeuze kan geweldige geestelijke spanningen oproepen. Het grote geld verdienen in een keiharde zakelijke omgeving. Een werkkring waar onregelmatige werktijden gelden kan een breekijzer zetten tussen de dienst van God en het leven. Wat te denken van jongeren die artistiek begaafd zijn. Ze kunnen hun talenten nauwelijks ontplooien in de kerken want voor mensen met creatieve gaven hebben we veelal nauwelijks aandacht om niet van erger te spreken. Kunst wordt raar gevonden en de kerk is allerminst gevoelig voor symboliek.
Tenslotte vraag de schrijver ook aandacht voor die jongeren die ontdekken dat ze homofiel zijn. Je hoort dat God man en vrouw geschapen heeft als voor elkaar bestemd, het huwelijk wordt aangewezen en aangeprezen als Gods bedoeling voor de bestemming van man en vrouw. Zelf ben je anders. Vragen komen op: waarom heeft God mij zo gemaakt? Of heeft God mij wel zó gemaakt en waarom ben ik dan zó geworden? Wat moet ik aan met de teksten uit de Bijbel die ik in mijn kerkelijke gemeente hoor gebruiken tegen alle homofielen. Kortom: de ontdekking van homofilie brengt in het leven van jongeren een uiterst ernstige crisis teweeg in de relatie met God en kerk. Laten ook wij dat niet onderschatten. Wie er mee te maken kreeg, weet er alles van.

Pleidooi voor openheid
Ds. De Boer gaat heel open in op bepaalde verschijnselen in zijn kerken. Hij wijst de vaak harde taal af waarmee over anderen wordt gesproken. Er is soms een gebrek aan barmhartigheid te beluisteren. Jongeren vragen eerder naar wat wezenlijk christelijk dan naar wat typisch gereformeerd is. Ook het intellektualisme stelt hij onder kritiek en vraagt om meer aandacht voor de ervaringskanten van het geloof. Hij legt ook de vinger bij het verknocht raken aan de aarde doordat er veel geld wordt verdient en er daarom zoveel mogelijkheden zijn voor recreatie en privacy. Het besef van vreemdelingschap mag niet vergeten worden daar het bijbels is.
In een bespreking van dit boek is ds. De Boer al min of meer verweten dat hij het geheel van zijn kerken veel te open benadert en te onbeschermd spreekt over veel zaken. Dat heeft ook te maken met het feit dat hij nogal wat kritische vragen stelt. Die vragen hebben te maken met de liturgie, met de levensstijl, met verschuivende visie op de taak en verhouding van man en vrouw. Terecht wordt gesteld dat het denken over de man-vrouw verhouding velen, juist jongeren, sterk bezig houdt onder invloed van het eigentijdse denken over deze zaak. Zitten wij niet vast aan een verouderd maatschappelijk model, zo wordt vooral door jongeren gevraagd? Waar is de plaats van de werkende vrouw en hoe hebben we om te gaan met haar gegeven talenten? Is onze levensstijl ouderwets of Schriftuurlijk? Ds. De Boer geeft aan dat juist ook in het denken over de verhouding man-vrouw ver­vreemding in de hand kan worden gewerkt. Hij vindt verder ook dat het spreken over het werk en de gaven van de Geest binnen de gemeente zo verhuld vaak ter sprake wordt gebracht. Jongeren aldus ds. De Boer, vragen soms: waar vinden we de ambten exact in de heilige Schrift terug? En hoe zit het met de plaats en de taak van de vrouw in de gemeente? Mag en dient zij ingeschakeld te worden in diakonale taken en pastorale opdrachten? Kortom, er worden allerlei terreinen in het kerkelijk en gemeentelijk leven gesignaleerd die aanleiding kunnen worden tot vervreemding tussen ouderen en jongeren binnen de gemeente. Veel ervan is te herkennen ook in onze eigen gemeenten. De vragen liggen veelal op hetzelfde vlak, zeker bij studerende en zich breder ontwikkelende jongeren. Er is de schrijver in een recensie in het officiële kerkelijke orgaan van zijn kerken min of meer verweten dat zo'n open manier van spreken jongeren gemakkelijk aan de haal doet gaan met vernieuwende ideeën die zo royaal in dit boekje zouden staan (De Reformatie, 08-12-1990). Een bezwaar dat ons bekend in de oren klinkt en niet geheel van de realiteit afstaat, maar wat toch niet in alle opzichten echt hout snijdt. Als wij ervan overtuigd zijn dat we ons gemeentelijk leven voluit en tot in de kleinste zaken toe Schriftuurlijk hebben ingevuld, dan hoeven we toch niet zo onrustig te worden en verkrampt te geraken als jongeren en/of ouderen bij onze gemeentelijke praktijk hun vragen stellen? Wie werkelijk alle jongeren in de gemeente wil behouden bij het Woord, ook zij die soms hele lastige vragen stellen, die dient er open en die mag er ontspannen op in gaan met de hand op de Schrift.

Tenslotte
Er worden in dit boek vele hobbels en heuvels op het vrijgemaakte kerkelijke veld aangewezen en we hebben respect voor de oprechtheid en eerlijkheid waarmee dat gedaan wordt. Wat dat betreft kan er naar mijn besef in deze kerken méér dan er onder ons soms mogelijk is. Tegelijk geeft dit de beperkte waarde aan van dit boek voor gebruikers en lezers buiten de vrijgemaakte kring. We worden ingevoerd in de typisch vrijgemaakte kerksfeer. Vrijgemaakten kiezen nog altijd voor het stricte isolement: men kent en wenst geen enkele vorm van interkerkelijke samenwerking. Ik respecteer dat standpunt uiteraard, maar betreur het buitengewoon. In alle bescheidenheid gezegd: ik meen dat het de vrijgemaakten èn ook ons tot schade is. De enige discussiemogelijkheid is schier via de pers. Hier en daar irriteert de kerkelijke zelfvoldaanheid en roept een niet kwaad bedoelde glimlacht op. Wat te denken van de redenen waarom nog zoveel jongeren bij deze kerken blijven: mooie prediking, boeiende catechisatie, gezellige vereniging en een gezond gezin? Ik ril van een zin als b.v. '...als wij terecht zelfbewust zijn over ons kerkelijk samenleven...', ook al wordt dat verderop dan weer enigszins teruggebogen met de opmerking naar jongeren toe dat men het niet zelfverzekerd bedoelt als men kritisch over anderen oordeelt. Onthullend over de visie op het geestelijk leven acht ik een regel die ik met eigen woorden weergeef: wie wedergeboren is, die hoeft van zichzelf niet meer te zeggen dat hij uit is op elk kwaad. Want wie Gods gebod liefheeft, die zoekt juist wel graag het goede. Verderop wordt gesteld dat wij gereformeerden het niet zo gewend zijn om met ons geloof gecomplimenteerd te worden. Dan zeg ik: moet dat dan? Dat geloof van ons is toch niet zo bijzonder? Het heet slechts de hand waarmee Christus wordt aangegrepen. Christus is bijzonder. Uit alles komt een ander type mens en christen naar voren dan wij gewend zijn. Dreigt de zekerheid aan het geloof eigen niet verward te worden met zelfverzekerdheid? Kan een zo perfecte organisatie van kerken en gemeente, een zo sterk accent op het verstandelijke niet net zo gevaarlijk zijn als een overaccentuering van het geestelijke wat in vrijgemaakte kring al spoedig mystiek wordt genoemd? Hebben vrijgemaakten niet dringend de correctie nodig van andere accenten in het geestelijk leven die zeker zo reformatorisch zijn als ze zichzelf willen zien? Wat dat betreft is te hopen dat de eenheid met de Christelijke Gereformeerden spoedig vastere vormen krijgt, hoewel de aarzeling aan genoemde kant ook weer te verstaan is vanuit het enigszins aangeduide geestelijke klimaat.
Ik bedoel deze wat kritsche kanttekeningen bij dit interessante boek louter positief. Mag ik dat nog laten blijken uit een hartelijke aanbeveling aan onze geïnteresseerde lezers rond het thema van de secularisatie om naast het hier besproken boek toch vooral ook kennis te nemen van de recente publicatie van prof. J. Kamphuis: Godsvrucht — een kracht (antwoord aan de secularisatie) uitg. Oosterbaan & Le Cointre. Naast de publikaties van prof. Graafland en prof. Velema over deze materie een 'must' voor iedere geïnteresseerde. Een niet zo'n omvangrijke publicatie maar wel van grote zeggingskracht en daarom echt aanbevolen. Prijs slechts ƒ 10.90!

(N.a.v. ds. E.A. de Boer, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Aan jongeren en ouders tussen vervreemding en bekering, vreugde en verdriet? Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1990, 184 blz., prijs ƒ 19,50.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vervreemding, verlating en verdriet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's