Ga niet terug!
'Van toen afgingen velen Zijner discipelen terug en wandelden niet meer met Hem'. Joh. 6 : 66 Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden is de serie meditaties van ds. A.D. Goijert onderbroken. De laatste meditatie uit die serie wordt nu geplaatst echter met dien verstande dat het geen lijdensmeditatie is. W.J.F. Maassluis
Stel u voor: een predikant komt in een gemeente werken. Hij begint met een volle kerk. Na een jaar zijn er nog maar een handjevol kerkgangers over. Wat een afgang! Dat vinden wij wel een heel slecht teken. Die predikant is mislukt. Hij heeft het er niet gemaakt. Maar gauw dispensatie aanvragen!
Zie nu eens hoe het de Heere Jezus vergaat. Hij begint in Joh. 1 met vijf discipelen, later blijken het er twaalf te zijn. In Joh. 4 lezen we van veel gelovige Samaritanen, vervolgens nog van gelovige enkelingen. Dan in het begin van dit hoofdstuk zijn er opeens al 5000 aanhangers. Dat gaat geweldig! Op het laatst van Joh. 6 zijn er echter opeens nog twaalf over en één van hen blijkt nog een verrader te zijn.
Jezus, de hoogste Profeet en Leraar, van God gezonden in deze wereld, beter en hoger kan het niet en Hij hield bijna niemand over. Op Golgotha zelfs van God verlaten.
Een lege kerk is dus niet altijd een slecht teken en een volle kerk is niet altijd een goed teken. Dat iemand de discipelnaam draagt, behoeft ook nog niet een teken van echtheid, van waarheid in het binnenste te zijn. Het zijn hier discipelen, leerlingen van de Heere Jezus die weggaan, teruggaan. Het gaat hier over de wijdere kring van de vele discipelen van Jezus, niet over de twaalven. Zij kozen Jezus' zijde. Uit eigener beweging gingen zij met Jezus mee, volgden Hem waar Hij ging. Deed Jezus een wonder, zij stonden er met hun neus bovenop. Zij hoorden Zijn woorden. Zij wandelden met Hem, gingen overal mee naar toe.
Wat heerlijk, wie zou dat niet willen? 'Als dat vandaag eens kon, dan zou ik wel geloven', zegt iemand.
Toch niet! Toen kon het. Velen deden het, zij wandelden met de Heere. Als het ware hand-in-hand liepen ze met Hem. Op een gegeven moment keerden zij zich toch van Hem af. Zij lieten hun rug zien. Niet zomaar eens een paar, zoals je die altijd wel hebt, nee: velen! De meelopers gingen heen.
Bij Jezus vandaan. Bij Hem weg. Die altijd zegt: 'Komt tot Mij'. Waarheen? Waar komt een mens terecht, die Jezus verlaat? Denk maar aan Orpa. Terug naar huis, naar je familie, naar je goden. De slechtste ruil die je maar kunt doen! Hem de dienst opzeggen, dat is een slechte zaak. De verkeerde keus. Wat een afschrikwekkend voorbeeld voor ons en onze kinderen. Wij worden als lezers van dit blad toch ook wel discipelen genoemd. Zeker door de buitenwacht.
Maar zijn wij wel echte discipelen? Zijn wij werkelijk aanhangers geworden van de Heere ? Werden wij door de Heilige Geest aan onszelf ontdekt? Zijn wij door Hem tot die volkomen Zaligmaker van zondaren gebracht? Zijn wij persoonlijk aan Hem verbonden geraakt? Wandelen wij waardig het Evangelie, zijn wij leesbare brieven geworden van Hem, leven wij tot Gods eer?
Het is niet genoeg de naam te hebben. Het is niet voldoende een meeloper te zijn. Door onze kerkgang alléén horen wij nog niet echt bij de Zaligmaker.
Het komt op een bewuste keus aan vóór Hem. Op persoonlijk geloof. Op een tweede geboorte.
Toen gingen velen terug. Vandaag gaan velen terug. Aanvankelijk ingenomen met de Heere. Graag naar de kerk. Actief in de gemeente. Geven voor kerk en zending. Het komt echter niet verder. Zij willen zichzelf blijven. Niet tegen de vlakte met heel het hebben en houden. Niet met de Heere Jezus verenigd willen worden. Gedurende een tijd bezorgd om het zieleheil, vooral wanneer er roepstemmen gehoord zijn. Als Jezus zegt: 'Gij moet wederom geboren worden' en 'Die Mijn vlees eet, zal leven', antwoorden zij: 'Deze rede is hard, wie kan ze horen?'
Velen zijn het, die geërgerd worden, wanneer zij horen dat zij getrokken moeten worden, dat zij niet anders verdiend hebben dan de hel, dat alles vrije genade is. Dan stappen ze op. Hoe is dat bij ons?
Hoe kwam dat toch zo opeens, dat die velen bij Jezus weggingen en niet meer met Hem wandelden? Er staat: 'Van toen af'. Wanneer en wat was dat toen? Dan moeten wij kijken in de geschiedenis die vooraf gaat. Jezus predikte Zichzelf. Hij zei tegen de mensen: 'Ik ben het Brood des levens'. Hij maakte duidelijk dat het er op aan komt. Zijn lichaam te eten. Wij moeten gemeenschap met Hem hebben. Dat alleen is het ware leven.
In deze prediking horen wij al iets over het kruis. Dit is kruisevangelie. Zijn lichaam zal op het kruis gebroken worden. Hij kwam om te lijden en te sterven.
Wie wil dat? Wie verstaat dat? Wie zal er nu zo'n rabbi volgen? Wie heeft er nu zulke verwachting van de Messias? De geestdrift van de massa is direct al bekoeld, al laaide het soms later weer op. Vers 14 wordt omgekeerd tot 41. Eerst wondergeloof en dan gemopper vanwege Zijn prediking. De zogenaamde discipelen mopperen mee in vers 60. De aanleiding van hun heengaan was dus ergernis over de prediking. Is het vandaag anders?
Zijn prediking hield in, dat God de Vader Hem vanuit de hemel gegeven heeft tot redding van zondaren. Dat dat de enige weg is om behouden te worden. Dat demens het zelf niet kan.
Is dat hard? Het komt hard over voor de mens in zijn ongebroken hoogmoed, in zijn werkheiligheid, in zijn eigengemaakte vroomheid, in zijn eigengerechtigheid. De prediking van de Heere Jezus zet al het onze overboord. Al het onze moet de container in. Niets blijft er heel. Wat nodig is, is geloof in Hem. En dat is nog een gave van Hem ook. Aan het geloof van de zondaar gaat Gods werk vooraf. Er is echt niets van de mens bij. Geen rechtzinnige mensen worden zalig, geen gereformeerde bonders worden gerechtvaardigd, maar goddelozen.
Wat kwam dat hard aan bij die schijngelovige discipelen! Dat Jezus hen in Zijn prediking alles afnam, ook hun zelfgemaakt geloof. Hij sprak over het eenzijdige werk van God. Lees maar na in vers 37, 44 en 65.
Wanneer ons geloof vrucht is van Gods werk, dan vallen wij het bij. Door genade zijn wij het er mee eens. 'Als de Heere niet begonnen was, als Hij mij niet getrokken had, als Hij mij niet tot een volgeling had gemaakt, als Hij mij niet had vastgehouden, ik zou nooit gekomen zijn, nooit gebleven zijn!'
Dan blijft er ook geen spatje eer voor ons over. Dan zijn wij niet die goede en brave mensen die gekomen en gebleven zijn. Alle eigen roem stinkt. Hij is alle lof en eer waard.
Bent u nog niet echt bij Hem? Hoort u er nog niet echt bij? Hoort, Jezus roept u. Hij nodigt u. Kom zoals u bent.
Mag u al bij de Heere horen? Ga niet terug! Tot wie zullen wij anders heengaan? Volg Hem, wandel met Hem, over bergen en door dalen, om straks eeuwig bij de Heere te zijn. Dan zal blijken dat er nog meer gebleven zijn. Zelfs een schare die niemand tellen kan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's