De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het nieuwe leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het nieuwe leven

7 minuten leestijd

Het onderzoek naar de geestelijke groei van de particuliere gelovigen gaat uit van een stilzwijgende veronderstelling. En dat is deze, dat er in hun hart een beginsel van genadeleven aanwezig is. Geen groei is zonder voorafgaand leven mogelijk. Nu is de Heilige Geest de werkmeester van het ware geloof. Het geloof is van de Heilige Geest. Dat is een verborgen werk. Wij kunnen het zelf niet werken. De ouders kunnen hun kinderen het geloof niet geven. Wij kunnen het elkaar niet geven. Als het geloof van ons was, dan zouden wij het ook weer kunnen verliezen en zeker weer kwijtworden. Wij zouden het niet kunnen vasthouden. Het is daarom nuttig een onderzoek in te stellen naar de oorsprong, het karakter en de openbaring van dit nieuwe leven.


Gods Woord wijst de oorsprong van dit nieuwe leven duidelijk aan en verklaart dit voor zover dit althans mogelijk is. Wie het Woord onbevangen leest en erover nadenkt, ontdekt al vrij spoedig, dat wij niet moeten denken, dat wij het genadeleven van de geboorte af aan in ons dragen. Dat is soms een wijdverbreide mening, die kerkelijk zijn onmiddellijk met gelovig zijn vereenzelvigt. Hier verraadt zich een gebrek aan onderscheidende kennis. Kerkelijk zijn betekent meestal een redelijke belangstelling hebben voor alles wat in de kerk omgaat. Verschillende predikanten kennen. Het kerkelijk leven meemaken. Maar ook de kerkelijk sfeer beleven, zoals die in tal van vergaderingen zich openbaart. Maar kerkelijk zijn is niet vanzelfsprekend gelovig zijn. Het kerkelijk leven is soms eenvoudig een tegenhanger, op soberder manier, van het wereldgezelschapsleven. Ook in de kerk kan het zeer wereld toegaan. Met wereldse maatstaven leven en wereldse tactieken toepassen.


Wie dit scherpe onderscheid vergeet, wandelt in de kerk rond met hoge verwachtingen over de kerkleden en ziet zich menigmaal bedrogen. Het is daarom goed van het begin af aan gewapend te zijn. Kerkelijk zijn is niet zonder meer eenvoudig gelovig zijn. Wie zo denkt, miskent de bittere ernst van de zondeval. De gemeenschap met God werd er niet licht door gedeukt, maar er volstrekt door verstoord en verbroken. Daarom is het genadeleven, dat uit die gemeenschap opbloeide, niet alleen maar verzwakt en aan het kwijnen geraakt, maar volkomen ondergegaan. Het oorspronkelijk geestelijke leven is sinds de geweldige en voor de toekomst beslissende crisis in het paradijs door de geestelijke dood vervangen. Paulus althans herinnert de gemeente van Efeze duidelijk aan haar doodsstaat van voorheen: En u heeft Hij mede levendgemaakt, daar gij doodwaart door de misdaden en de zonden...


Wie meent, dat kerkelijk zijn ook vanzelf beduidt gelovig zijn, leeft op de duur in een illusie. Hij denkt: de vonk kan lange tijd onder de as bedolven liggen, maar ruim de as steeds weg en blaas de dovende vonk aan en zie, de geestelijke levensvonk in ieder mens glimt op. Wie deze beschouwing aanhangt heeft een voorbarige mensbeschouwing en een fundamentloze wereldbeschouwing. Daarop loopt iedere beweging tot vernieuwing, telkens weer stuk. Het heeft de laatste halve eeuw in de kerk gewemeld van vernieuwingsbewegingen, van liturgische aanpassingen, van evangelisatiedrift voor en na. Je zou er bijna moe van worden, wanneer je de optocht van allerlei vaandels, spandoeken, leuzen aan je voorbij zag trekken. Er marcheert een heirleger aan ons voorbij, dat ik weet niet wat beoogt, om de dorre gemeente tot nieuw leven te wekken.


Kortere diensten, beter orgelspel, ritmisch zingen, de schoolliederen de duffe gemeente leren, nieuwe dooprituelen, belijdenisceremoniën, nieuwe formulieren zonder tal. Gewaagde preektaal op de kansel, de kinderen toe gaan spreken, themadiensten. Het houdt niet op. Maar het helpt allemaal niets om het verloren geestelijke leven te herstellen. Het doet ons alles denken aan het toespreken en opwekken van de poppen... in het wassenbeeldenkabinet.


Er is niet minder dan scheppende almachtige kracht Gods nodig. Leven scheppen in Gods voorrecht alleen. Hij laat het zich niet ontnemen. Hij alléén kan ook het ware, geestelijke leven in het zondaarshart wekken, zodat de mens nieuwgeboren wordt, niet voor de wereld, maar voor het koninkrijk der hemelen. Hij doet dit door de levendmakende Geest. En omdat wij nu redelijke wezens zijn, begaafd met verstand, hart en wil, gaat de Geest er in de regel op redelijke manier bij te werk. De Heere gebruikt ons denkvermogen. Hij bedient zich althans bij volwassenen, doorgaans als middel van het Woord Gods. Vooral is daarbij ook te denken aan de prediking van het Woord, al is het stille lezen en overdenken natuurlijk niet te verwaarlozen. Door de dienst van het Woord verlicht de Heilige Geest het verduisterde verstand, waardoor wij een blik krijgen op onze schuld en de gerechtigheid van Christus. Hij vernieuwt het binnenste en vervangt het voor hogere dingen ongevoelige stenen hart door een vlezen hart. Hij buigt de verdorven wil, die uit zichzelf niets dan het kwade wil, ten goede om, zodat hij voortaan naar de heiligmaking jaagt, zonder welke niemand de Heere zal zien.


Van het ontstaan van het geloofsleven valt weinig te zeggen. Het is een verborgenheid, die niemand kan naspeuren. Wij weten alleen door wie en langs welke weg het leven dat uit God geboren is, in onze ziel gewerkt wordt. Maar het ontstaan zèlf is een on­doorgrondelijk mysterie. Wanneer het er eenmaal is, blijft het ons niet verborgen in zijn levensgrondstellingen, maar doorgronden kunnen wij het niet. Het is er mee als met de geheimzinnige wind, waarvan men het geluid hoort, zonder dat iemand kan zeggen, vanwaar hij komt en waar hij heengaat.


Welk karakter draagt nu dit geloofsleven? Wanneer wij hier spreken over het nieuwe leven, dan zou daarbij de gedachte kunnen postvatten, dat ons oude leven in de wedergeboorte wordt vernietigd en dat wij een nieuwe persoonlijkheid ontvangen. Dat nu is niet schriftuurlijk. Reeds onze Heidelbergse Catechismus treft er juiste toon door te spreken van de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Nieuw is op te vatten in de betekenis van 'vernieuwd'. Wij worden door de werking van de Heilige Geest niet een ander dan wij tot nu toe waren. Wij blijven, dezelfde met onze persoonlijke aanleg, gaven, talenten, waardoor wij ons van onze naasten onderscheiden. God heeft ons niet alleen gemaakt, maar ook zo geformeerd als wij zijn. Hoe zou Hij zijn eigen schepping vernietigen en ons in een ander wezen omscheppen? Néén, néén – het is goed, wat Hij eenmaal gemaakt heeft, maar het is later door de zonde verdorven. De arbeid van de Geest bestaat nu in een herschepping van onze natuur. Alle aangeboren gaven blijven, maar worden van hun zondige neigingen gezuiverd. Ze worden geadeld. Op hoger plan gebracht, Gelouterd, Het egocentrische wezen wordt losgemaakt en is een lineaire richting gebracht. Het geschiedt alles tot Gods eer. Het zelfzuchtige denken wordt God verheerlijkend hervormd.


De wedergeboorte brengt geen verlies, maar winst. Dit is te zien in de openbaring van het nieuwe leven. Er komt een geheel veranderde gezindheid van het hart. Er ontkiemt daarbinnen een beginsel van liefde tot God en de naaste, terwijl wij voorheen in koud egoïsme voornamelijk onszelf zochten, ons gedachtenleven wordt op een andere spil gezet. Voorheen was alles gericht op het horizontale, het wereldse, het puur wereldlijke ook, de dingen van de dag bij voorkeur. Maar nu wentelt zich alles voortaan om Christus, die ons zo uitnemend liefgehad heeft. Ziet, daar komt in dat herboren leven een afkeer van het lagere leven. Wij zoeken allen naar alles wat ons uit het lagere en gemene kan opheffen en dichter bij God kan brengen. De gebedsbehoefte ontstaat, het gebed immers is het voornaamste stuk der dankbaarheid. Wij dragen onszelf met al onze zonden en zorgen en noden gedurig tot de Heere uit. Door die verborgen omgang met God wordt ons oordeel geheiligd, onze smaak gezuiverd, ons gevoel gelouterd, ons innerlijk leven verfijnd.


Dit innerlijke leven van onze ziel openbaart zich vervolgens ook naar buiten. Natuurlijk niet enkel in een uitwendige waarneming van onze godsdienstige plichten. Neen, er komt een innerlijke drang om de Heilige Schrift te lezen. Een innerlijke gebedsaandrang soms op de vreemdste tijden en momenten. Wij kunnen in de auto zitten, in de trein, op de fiets, aan het werk zijn. En daar ineens heft zich door de drang van de Geest onze ziel naar omhoog. Wij zoeken het aangezicht des Vaders in Christus. En zie, dan gaat de hemel open. Licht straalt in onze ziel en kracht! Christus leeft in ons! ...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het nieuwe leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's