De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Toeneming in genade

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toeneming in genade

8 minuten leestijd

Het nieuwe leven, dat de Heere in de weg der genade in ons werkt, openbaart zich naar buiten in de bekering. Wij zouden het zaligmakend geloof als het ware kunnen noemen het binnenwerk van de Heilige Geest. De Heere verlicht ons verstand. Wij geloven als arme zondaren in Christus, op grond van de beloften des Heeren. En dan bekeren wij ons, zodat wij wandelen in de wegen des Heeren. Daarmee begint het buitenwerk van de Heilige Geest. Wij krijgen een ander wilsleven. Wij herinneren ons eens gelezen te hebben, dat een oud godgeleerde het vergeleek met de sappen, die de boom voeden door de stam van de boom heen. De gezonde boom komt dan openbaar in de schors. Jaarring na jaarring komt naar voren. Welnu, het geloof is de verlichting van ons verstandelijk leven. Er komt een ander denken. De bekering daarentegen is de verandering van het actieve leven. Wij willen anders voortaan. Het binnenste kan niet zonder het buitenste. Het sap niet zonder schors. Er heerst tussen die twee een onverbreekbare samenhang.


Nu kunnen wij zeggen, dat in zekere zin de bekering in een ogenblik geschiedt. Er is duidelijk een punt des tijds, waarop wij de rug toekeren aan de wereld en ons gezicht keren naar het hemelse Jeruzalem. Wij gaan door de enge poort heen. Maar met éénzelfde recht kunnen wij de overgang naar het Koninkrijk Gods schetsen als een smalle weg. En nu verstaat u wel, wat wij bedoelen. Een weg wandelt u niet af in een moment. Een weg bewandelt u in een bepaalde periode. Van het begin tot aan het einde. De bekering is volgens deze uitspraak dus zowel een krisis, die in één moment verloopt, als een langdurig proces, dat al onze jaren tot de dood toe bestrijkt.


De eerste fundamentele bekering moet zich in de tweede, dagelijkse bekering voortzetten. De bekering geschiedt derhalve eenmaal voor het eerst. Maar omdat wij door de zonde beklemd zijn, hebben wij ons telkens opnieuw te bekeren. Wij moeten de zonde afsterven, ons vlees in Christus' gemeenschap kruisigen, onze leden die op de aarde zijn doden en de heiligmaking met alle inspanning als een begeerde prooi najagen. Dat is de tweede of dagelijkse bekering.


Dit voortgezette proces is de groei van het nieuwe leven, dat uit God geboren is. Talloze malen wijst ons de Heilige Schrift op de geestelijke wasdom. Nu eens is het een eis aan de gelovigen gesteld, dan weer als een kenmerk der genade beschreven, ook wel als een rijke belofte des Heere voorgesteld. De Bijbel spreekt van kinderen, jongelingen, mannen en ouders in Christus en dringt er bij ons op aan op te wassen in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. Er zijn eerste beginselen, die op een bepaald punt nagelaten moeten wor­den om dan voort te varen tot de volmaaktheid. Wij horen van licht verteerbare melk, ook van vaste spijzen. Er is sprake van kracht tot kracht voortgaan, en vele dergelijke uitdrukkingen meer, die ons op uitgroei en wasdom wijzen. Ja, ons mededelen dat het in het leven des Heeren nimmer een stolsel is, een verglazingsproces, maar een weelderig en vorstelijk ontwikkelen.


Natuurlijk zijn wij voor de wasdom niet op eigen groeikracht aangewezen. De oorsprong van het genadeleven is een gave, maar de ontwikkeling daarvan is het niet minder. Alleen een groeiend leven is het ware. Wanneer God leven schept, begint Hij met haast onzichtbare kiemen. In die kiemen legt Hij evenwel een kracht, waardoor zij ontspruiten en zich na korter of langer tijd heerlijk ontwikkelen. De Heere gaat daarin geheel anders te werk bij zijn levenloze schepsels. Bijvoorbeeld de zon, de maan en de sterren. Die zijn door één machtsdaad geschapen en waren van oorsprong af kant en klaar. Er is in de loop der eeuwen niets bijgekomen noch afgegaan. Zij zijn althans voor de waarneming van het blote oog hetzelfde wat zij reeds voor duizenden jaren waren en hebben geen ontwikkelingsproces doorlopen, dat hen van lieverlede in kracht van uitstralend licht deed toenemen. Eenzelfde kenmerk geldt voor de rotsen en de bergen, voor de zandwoestijnen en de oceanen. Natuurlijk is het wel waar, de rotsen verweren door de tand van detijd, de bergen verschuiven soms van gedaante door erosie of eruptie; zandwoestijnen kunnen door tornado's van karakter veranderen; er zijn ook wel eens aardbevingen geweest, die een bepaald landschap totaal van vorm deden veranderen. Soms grijpt een menselijke hand in in een bepaald natuurlijk gegeven. Wij hebben er in ons land een schoolvoorbeeld van in de Zuiderzeewerken – maar al deze wijzigingen en transformaties zijn aan de machten en krachten van buiten toe te schrijven. Het zijn geen verschijnselen van een innerlijk levensproces, dat zich langzaam voltrekt.


De Heere werkt in de levende natuur evenwel organisch. Stelt u zich voor, daar ligt in uw hand een zonnebloem pit. U bemerkt ternauwernood zijn gewicht. En toch laat de Schepper uit die haast onzichtbare pit een plant groeien, die zich verheft boven alle andere planten van uw tuin. Neem ook een eikel. Daar komt uit één zo'n nietige vrucht een forse eik tevoorschijn. En wat dunkt u in het mensenleven? Eerst staat u verwonderd bij het tere kindje, dat ligt te soezen in de wieg. Maar later, veel later leest u het boek van de geleerde, die uit diezelfde zuigeling is geworden. Dat geldt ten goede, maar ook ten kwade. Augustinus was eens een baby, maar ook: Hitler.


Wat nu van ons natuurlijke leven geldt, is ook waar ten aanzien van ons geestelijk leven. Het begin er van is voor ons oog verborgen, wanneer God het in onze ziel schept. Het komt ons niet volgroeid en in volle rijpheid uit de hand van de Schepper toe. Het heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen, te ontplooien en breder te worden. Let evenwel op één faktor. Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Wij kunnen met onze fijne hand, als zij door een helder hoofd wordt bestuurd, ook prachtige werken te voorschijn brengen. Denkt u maar eens aan een edel monumentaal beeldhouwwerk. Maar – het is geheel ander werk dan dat van de Heere onze God. Een architekt bijvoorbeeld, die een kerk moet bouwen, draagt het bestek eerst in zijn geest, werpt het beeld daarvan op papier en zal pas daarna zijn ideaal verwezenlijken met behulp van de nodige bouwstoffen en arbeidskrachten. De bouwstoffen moeten daartoe van alle zijden aangedragen worden. Het is een samenstellen, meten, passen en ineenvoegen, timmeren en metselen, dat horen en zien er bij vergaat, totdat eindelijk de hekwerken worden verwijderd en het bouwwerk voor u ligt in al zijn pracht.


Werkt nu zo de mens, met veel gerij en lawaai, gehamer en geklop, de Heere doet het geheel anders. Hij bouwt het genadeleven niet mechanisch met veel drukte op. Hij laat het in alle stilte groeien. Wij hebben hier de geleidelijke ontplooiing. Het gaat van bol tot bloem, van zaad tot vrucht, van kind tot man. Al wat groeit, maakt geen gerucht en gedruis. Het jonge boompje aan de rand van het bos staat daar te wiegen op de stoot van de wind. Het mag eens even kraken, maar de groei zet zich voort. Er is in de natuur de wet van wasdom. Wanneer iets echt leeft, moet het overeenkomstig die wet ook groeien, als het verloop tenminste maar normaal is en zich geen storende omstandigheden voordoen. Zo gaat het ook toe in het geestelijk leven. Het bescheiden beginsel groeit uit, evenals de ruige eikeboom voortkomt uit de kleine eikel. Deze ontplooiing is puur harmonieus. Alle delen van het nieuwe leven komen daarin tot hun recht. Verstand, hart, wil, geweten, gevoel – alles ondergaat in dezelfde mate de innerlijke drang tot wasdom. Wij krijgen geen woekeringen, geen vreemde uitschieters, verbasteringen of verzweringen. Het evenwicht blijft daardoor bewaard en het ene onderdeel zal het andere niet in de groei kunnen belemmeren.


Natuurlijk wordt deze hamonische ontwikkeling vaak door storende faktoren belemmerd. De normale groei kan stokken door de zonde. Er kan ook op geestelijk gebied veel scheefgroeien. Er kan veel kwijnen. De zorg kan ontbreken. Wij zien rondom ons heen op het terrein van het geestelijk leven veel scheefgroei en evenzo veel verdorring. Er is een activisme, een loopdrift van onvoorstelbare kracht. Er is ook een traditionalisme, een behoudzucht, die wijst op verstening. Maar dit alles nu daargelaten, de mens bouwt steen voor steen. God daarentegen laat groeien., Bij ons gaat het bouwen van buiten af, maar de Heere laat groeien van binnen uit gebeuren. Je hoort het niet, je ziet het niet direkt, maar daarom gebeurt het wel. Het is als met de knoppen in de takken van de bomen. Ze zijn al aanwezig. En nu komen er sneeuwbuien, regenbuien, stormen en winden. En straks ontplooien zich uit die knoppen de bladeren. De Heere laat ze van binnen uit groeien. Dat is de wijze waarop ons zieleleven rijper wordt. De Geest versterkt het beginsel, dat Hij schiep.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Toeneming in genade

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's