De tucht in kerk en gemeente (1)
Een verwaarloosde zaak?
Reeds enige weken ligt er een brief op mijn bureau. In dat schrijven wordt een nog niet zo eenvoudige zaak aangestipt. Het gaat over de tucht. Het zou daarmee in onze kerk en in de gemeenten niet zo best gesteld zijn. Er wordt nog wel gesproken over tucht, maar in de praktijk van het kerkelijk leven blijft het daarbij. Tuchtmaatregelen worden zelfden òf nooit getroffen. Soms wordt erbij gezegd, dat dit in andere kerken toch wel anders ligt. Door handhaving van de tucht wordt daar meer geijverd voor de heiligheid van het huis des Heeren, d.i. de gemeente Gods.
Wellicht mag ik zo'n opmerking niet relativeren, toch ben ik al heel snel geneigd om bij iets dergelijks te denken: waarin bestaat in die kerken dan de tucht? Bestaat die alleen hierin dat een jong stel schuldbelijdenis in het openbaar moet afleggen, wanneer het noodgedwongen moet trouwen? Is dit tucht, wanneer een meisje òf vrouw het kerkgebouw niet mag binnengaan, wanneer er geen hoofddeksel wordt gedragen? Hebben wij in dat geval met een voluit Bijbels gegeven te maken of tendeert het toch min of meer naar wetten die door mensen zijn gemaakt en door mensen worden opgelegd? Door alleen deze vragen al te stellen, begeef ik mij op glad ijs. Want wat de één als tucht ziet en daarmee als een voluit Bijbelse zaak, zal de ander als een menselijke wet of maatregel zien.
Wanneer ik derhalve het een en ander over tucht en tuchtmaatregelen ga schrijven, doe ik het verzoek om mij onbevooroordeeld naar de Schrift en naar de belijdenis van onze kerk te luisteren.
Inhoudelijk hebben in 't bijzonder onze belijdenisgeschriften dienaangaande wel iets te zeggen. Te denken valt onder andere aan Zondag 31 van de Heidelberger, alsmede artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Vooral moet de Schrift daarin ons tot bron en norm zijn. Wie buiten de Schrift om over tucht en tuchtmaatregelen gaat schrijven, vervalt in menselijke wetten. In het ergste geval gaat hij die wetten anderen opleggen. Daannee verliest hij uit het oog dat tucht en het hanteren daarvan een geestelijke zaak is. Ook zal er aan gedacht moeten worden, dat handhaving van tucht niet dient om een mens dood te drukken, doch altijd helend van karakter is. Reeds nu maak ik daarom de opmerking, dat tucht in de kerk altijd gericht is op het terugbrengen van één die dwaalt. Zij is niet zozeer juridisch als wel medisch van aard. Wie dus tucht uitoefenent, heeft meer van een arts in zich dan van een rechter.
Een laatste inleidende opmerking in dit verband is: tucht heeft niets te maken met moralisme. Hoewel bij het handhaven en hanteren van de tucht zieke plekken met de vinger zullen worden aangewezen, zo is dat toch niet de vinger van de moralist. Laatstgenoemde wijst wel aan, maar blijft in het aanwijzen steken. De zedenmeester met opgeheven of uitgestoken vinger komt niet verder. Nooit of te nimmer zal hij de therapie ter genezing aanwijzen. Als moralist kan hij niet anders.
Ordelijk
Met name in onze tijd pleit ik ervoor dat het er in de kerk en in de gemeente ordelijk aan toe zal gaan. Dat ik dit neerschrijf, heeft zijn reden. Ooit schreef H. Jonker — en dat is nog niet zo lang geleden — dat wij leven in het 'ik-tijdperk'. Alles draait om het individu. Heel goed is dit op te merken in het taalgebruik. Hoe vaak wordt er gezegd: ik vind, ik voel, ik denk, ik ben die mening toegedaan etc. Hiermee verliest men wel de gemeenschap uit het oog. Niet meer het naar elkaar luisteren is van belang, maar wat ik denk, ik voel, ik wil etc. heeft alle prioriteit.
Het hierboven geschetste treffen wij niet alleen in de maatschappij aan, doch ook in de kerk en in de gemeenten. Van een echte en hechte geestelijke gemeenschap (koinonia) kan geen sprake meer zijn. Men maakt nog wel deel uit van de kerk en van de gemeente, maar deze twee grootheden (kerk en gemeente) ziet men niet meer als het lichaam van Christus waaraan geen deel gemist kan worden. Omdat er niet meer naar elkaar geluisterd wordt, leert men ook niets meer van elkaar. Het gevolg is, dat het in kerk en gemeente er zeer onordelijk aan toe kan gaan. Want juist vanwege dat 'ik' weet de een het nog beter dan de ander. In het gunstigste geval trekken gelijkgezinden met elkaar op, ten gevolge waarvan groepen en partijschappen in de kerk en in de gemeente worden gevonden. In plaats van een ordelijk geheel, gaat er een chaos ontstaan. Een ieder doet wat goed is in zijn ogen. Om heel concreet te zijn: men gaat zelfs kerkdiensten beleggen in plaatsen waar men bij meer dan één predikant een voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking kan horen. En laat men mij goed verstaan: er zijn plaatsen waar men helaas in evangelisatie-verband bij elkaar móet komen, omdat op zondag de rechte prediking er ontbreekt. Maar is dat altijd het geval? Wil men ook niet somtijds kerkje spelen? Intussen moet men wel goed weten wat men doet. Men scheurt het lichaam van Christus. Men raakt het zicht op het geheel van de kerk en van de gemeente kwijt. Men onttrekt leden van de gemeente aan het ambtelijk opzicht. Men houdt zich bezig met scheurmakerij. Dat alles is zo ernstig, dat de Heere dit niet onbezocht zal laten. En let wel: wanneer ik dit schrijf heb ik niet een bepaalde groep of partijschap op het oog, want het wordt overal in de kerk gevonden. Zowel onder een reformatorische- als een evangelische vlag.
'k Heb met dit alles willen aangeven, dat men binnen de kerk c.q. de gemeente als lichaam van Christus niet onordelijk te werk moet gaan. God is een God van orde. Hij staat erop, dat het er ordelijk toegaat in Zijn gemeente. In 1 Korinthe 14 lezen wij: 'Want God is geen God van verwarring, maar van vrede'.
Noodzakelijk
In de kerk móet er orde zijn. De regering van de kerk door de ambten heeft de goede orde in haar op het oog. Een goede kerkorde kan daarbij niet gemist worden. En mits deze kerkorde in overeenstemming is met de Schrift, moet deze gehandhaafd en gehanteerd worden. Dat houdt in, dat niemand de kerkorde van de tafel moet wegdoen met de woorden "t Is de Bijbel niet'. Ook al heeft men met dit te zeggen het gelijk aan zijn kant, toch zal men op die manier niet met de kerkorde omgaan. Ik schrijf nogmaals: God is een God van orde. In God Zelf is orde: Vader, Zoon en Heilige Geest. In al Gods werken zit orde. Let maar op de schepping en de herschepping. Daarbij hanteert God een heilsorde zoals die in Romeinen 8 : 30 ons wordt voorgehouden: 'En Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt'. Kortom: alles wat aan God is, alles wat in God is, maar ook alles wat van God is, spreekt van orde. Dat geldt dus ook voor de kerk en voor de gemeente. Een kerkorde is derhalve geen overbodige luxe, maar een noodzakelijk gegeven. Een gegeven dat met name uit de pastorale brieven van de apostel Paulus aan Timotheüs en Titus is te ontlenen. Wat een schone regels worden in deze brieven de gemeenten voorgehouden.
Zij zullen er wel bij varen, wanneer zij zich eraan zullen houden.
ledere kerk zal eeh kerkorde hebben! Vanzelfsprekend zal zo'n kerkorde niet de voortgang van het Woord Gods in de weg mogen staan. De bedoeling van de kerkorde is, dat zij juist de voortgang van het Woord Gods zal bevorderen. Niet meer, maar ook niet minder.
Nu zal het waar zijn, dat de Schrift geen concreet model voor een kerkorde aangeeft. Geen blauwdruk is daarvan in de Bijbel te vinden. Maar dat hoeft ook niet, als wat in een kerkorde staat maar is te herleiden tot op de Schrift.
Intussen behoeft in een kerkorde niet alles te staan. Het belangrijkste zijn de ordinantiën die door Christus gegeven zijn zoals de prediking, de gebeden, de sacramenten, de zorg voor de armen (het diakonaat). In al deze ordinantiën en zovele als er nog zijn moet duidelijk uitkomen dat het Woord het enige richtsnoer ten leven voor de kerk is. Dat houdt in dat menselijke wetten niet en nooit in de kerkorde behoren te worden aangetroffen. Wanneer zij in een kerkorde zijn opgenomen kunnen zij alleen het Bijbels kerk-zijn schaden.
Afsluitend stel ik: de kerkorde is geen dwangbuis, maar zij geeft de dingen in het huis Gods een ordelijke plaats, zodat er in het huis goed is te leven. En wanneer uit de kerkorde blijkt, dat men daarin tot uitdrukking heeft willen brengen de eendracht en de orde in de kerk in gehoorzaamheid aan het Woord van God, zo zal men daarover zich verheugen.
Tucht
In artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen wij over kerkelijke tucht. Laatstgenoemde is nodig, opdat de kerk zuiver gehouden wordt in haar leer en leven naar het Woord. Wat men van tucht mag zeggen, maar zij is een voluit Bijbelse zaak. Meer dan eens kunnen wij over het toepassen daarvan in de Schrift lezen. Het voert te ver om alle voorbeelden uit de Schrift aan te halen. Toch wil ik op een enkel voorbeeld wijzen. Ik denk in dit verband aan Jozua 7 : 10 e.v. (Achan); Numeri 12 (Mirjam); Mattheüs 18 : 15-19 (het zondigen van een broeder); 1 Kor. 5 : 1 e.v. (ontucht). Al deze voorbeelden laten ons zien, dat er wel degelijk tucht geoefend is òf geoefend móest worden. De Heere wilde in geen geval, dat men het kwaad op z'n beloop liet. Dat kwam de heiligheid van Zijn kerk te na, maar vooral werd Hij in Zijn eer daardoor geschaad. Er moest discipline (tucht) zijn. Echter niet alleen tóen, maar óók nú. W.L. Tukker schrijft in 'Geloof en Verwachting': Daar moet discipline zijn, daar moet tucht zijn in de kerk. En de kerk bezondigt zich aan haar leden, als zij elk vergrijp in leer of leven (d.i. dus tegen haar ordeningen) ongestraft laat gaan. Dan zondigt de kerk ook tegen zichzelf. Door niet af te snijden, zo nodig haar leden, snijdt zij in haar eigen bestaan. Zij krijgt dit verzuim veelvuldig gepresenteerd. Zij liet dwalenden dwalen. Zij deed daardoor anderen leiden op dwaalwegen. Maar meest zondigde zij tegen haar God en Meester die regels gegeven had. En allermeest zondigt de kerk, als zij bestraft het verwerpen van geboden der kerk, die geboden van mensen zijn'.
Calvijn en de drie kenmerken
Van de catechese zal ons nog wel bekend zijn, dat het lichaam van Christus (de kerk) drie kenmerken kent. Het gaat a) om de zuivere bediening van het Woord; b) om de zuivere bediening van de sacramenten; c) om de handhaving van de tucht.
Hoewel Calvijn zeer zeker voor handhaving van de tucht is geweest, kan men niet zeggen dat de reformator de kerkelijke tucht als derde kenmerk van de kerk heeft beschouwd. Bucer heeft dit wel gedaan. Volgens hem ontstaat de ware kerk daar en wordt op die plaats zichtbaar, waar Christus door Zijn Woord en Sacramenten en door Zijn tucht het heil bedient. Niettemin blijft voor Calvijn de tucht noodzakelijk. Dat valt met name in de Institutie te lezen. Zoals de zaligmakende leer van Christus de ziel van de kerk is, vormt de tucht in de kerk de zenuwen. Zonder tucht zal een kerk niet lange tijd staande kunnen blijven (IV, 12, 1 en 4). Wel moet hierbij vermeld worden, dat de tuchtoefening voor Calvijn niet zo essentieel is als de bediening van het Woord en sacramenten. Ten onzent is in deze eeuw vooral I. Kievit hem daarin gevolgd. Dat wil niet zeggen, dat èn Calvijn èn I. Kievit aan de tucht geen aandacht hebben gegeven. Hun nagelaten geschriften zijn daarvan het bewijs.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's