De weg van de middelen
Voor de ontwikkeling en groei van het lichamelijke leven van de mens is het naar ieders overtuiging beslist nodig, om in de weg van de middelen te blijven. Wat zal er van een pasgeboren kind terechtkomen als niet terstond de hulpmiddelen worden gebruikt om het in het leven te houden? De moedermelk is de natuurlijke voeding, de gewenste temperatuur moet in het oog worden gehouden. Een luchtige, maar ook warme kleding behoeft zulk een klein kind. Helpende handen schieten toe om de kleine te wassen, te voeden, te baden. Wanneer er maar een klein onheilspellend verschijnsel is te bespeuren van een afwijking, zie, dan komt er al een gang naar de dokter. Wat doen wij niet alles om onze kinderen voorspoedig te doen opgroeien?
Dezelfde regel geldt voor de ontwikkeling van het verstandelijke leven. Ook deze geschiedt niet zonder middelen. Ze geschiedt zelfs met groter zorg dan die wij aan de lichamelijke groei besteden. Zonder hulp kan een kind niet leren spreken en nog veel minder behoorlijk leren denken. Kennis waait de kinderen vanzelf niet aan. De school is daar, in allerlei vormen, om het verstand van de kinderen te ontwikkelen en voor een deel het karakter te helpen vormen. Natuurlijk zijn er altijd ouders geweest, die aan vorming weinig gelegen lieten liggen, maar als algemene regel kunnen wij opmerken, dat het misbruik het goede gebruik niet opheft.
Ook voor het geestelijke leven zijn wij aan het gebruik van middelen gebonden. Willen wij vorderen, dan hebben wij daarvoor om zo te zeggen instrumenten nodig. Helaas ziet ieder dit niet zo dadelijk in. Wij menen op te merken, dat de houding der lijdelijkheid onder ons eerder toeneemt dan minder wordt. Het komt zelfs voor, dat sommige ouders hun kinderen geestelijk laten verwaarlozen, terwijl men hen lichamelijk en intellectueel met grote toewijding opvoedt. Het bedenkelijke is hierbij, dat men deze zorgeloosheid veelal achter een vrome schijn bedekt. Er zit diep in gereformeerde kringen een passieve trek. Wij aarzelen niet, het zelfs een volkszonde te noemen. De Heere moet het tenslotte toch alles zelf doen, zo heet het dan.
Wij mogen Hem Zijn werk niet uit de hand nemen. Het is volmaakt nutteloos de kinderen te leren bidden en danken. Dat is het echte bidden toch niet. Het wezenlijke bidden kan niet door mensen aangeleerd worden, Gods Geest moet het in de harten werken. Zo luidt het betoog!...
Nu moet worden toegegeven, dat in deze redenering een waarheidselement steekt. Het bewaart ons ervoor te hard over deze dwalende mensen te oordelen. Zij gevoelen zich volstrekt afhankelijk van Gods genade en deze ootmoed is niet te berispen, maar veeleer te prijzen. Bovendien is het waar, dat de Heere, die de eerste beginselen van leven in het hart legt, deze ook tot rijker ontplooiing moet brengen. Genade is de aanvang, genade is de voortgang, genade ook de voltooiing van alle geestelijk leven. En ook wanneer wij in de middellijke weg wandelen, mogen wij het gebed niet vergeten: Zend Heer', Uw licht en waarheid neder!...
Alleen, volgt uit deze gedachtengang nu, dat wij maar in doffe berusting eenvoudig hebben af te wachten, of het de Heere behaagt wasdom te geven, nadat het nieuwe leven in ons is geboren? Welnéén — dat is over-gereformeerd. Wij achten daar de uitwendige middelen, door God verordineerd, om tot het geloof te komen en te brengen, veel te weinig. Dat is over het algemeen een gebrek bij degenen, die God vrezen en alle christenen geraken o zo licht die verkeerdheid verward. Het is echter een dodelijke weg voor het geestelijke leven. Want waar geen middelen ernstig gebruikt worden, daar komt een geestelijke toestand, bijkans gelijk aan de dood. Men zinkt weg in gevoel en verbeelding. De nevelen waaien over de gemeente aan, het oordeel wordt verduisterd, de energie van het handelen wordt verlamd. Men meent zich te moeten beperken tot een passieve houding voor God. De volle levenskracht der gemeente wordt daar de doodssteek gegeven. Het blijde leven zakt in. Er komt een scheiding van natuur en genade. Hier beoogt men geen reformatie van het gewone leven, maar separatie van het gewone bestaan.
Dit nu is allerminst schriftuurlijk. Niemand minder dan Christus zelf heeft het ons door Zijn voorbeeld anders geleerd. In en door Hem is het geestelijke leven als het ware georganiseerd te voorschijn gekomen in het Koninkrijk der hemelen. En 't is waar, in dit Koninkrijk der hemelen schuilt zulk een innerlijke kracht, dat Hij het vergelijken kon met de zuurdesem, die zijn werking zonder menselijk toedoen in drie maten meel doet uitgaan. Er schuilt ook zulk een groeikracht in, dat het beeld van het kleine mosterdzaad gepast was, waaruit straks een boom opwast, waarin de vogels van de hemel zich nestelen. Maar Christus verwachtte de uitbreiding van dat Koninkrijk nu niet uitsluitend van de zedelijke doorwerking van deze inwonende krachten. Hij zond apostelen uit om het Woord van God overal heen te dragen. Niet enkel door de zedelijke kracht van de waarheid, maar tevens door het gebruik van de aangewezen middelen moet het Koninkrijk over de wereld heengroeien. En nu moeten wij niet denken, dat het gebruik der middelen op zichzelf alleen genoeg is om het doel te bereiken. De Heere voegt de belofte bij de opdracht van de apostelen: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Het middel van de uiterlijke prediking is slechts vruchtbaar, omdat de Heere er zelf achter staat, omdat Hij zèlf in en door dit middel werkt!
Welnu, dit beginsel geldt ook voor de individuele gelovigen. Elk oprecht discipel heeft in zich een gistende kracht van het zuurdesem, dat alles verzuurt. Hij heeft in zich de bederfwerende kracht van het zaad. Maar zal nu de wasdom en de groei niet gestuit worden, maar voorspoedig geleid, dan zijn ook hier menselijke middelen nodig, waarin en waardoor de Heere, die de wasdom geeft. Zijn genade doet werken. Niemand kan zichzelf iets geven. Dat is waar. Maar even waar is, wat Paulus schrijft aan de Filippenzen: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God die in u werkt, beide het willen en werken, naar Zijn welbehagen.
De apostel vermaant die gemeente niet om rustig af te wachten wat de Heere over hen beschikt heeft. Welneen, fors en stevig wekt hij hen tot zelfwerkzaamheid op, wetende dat geestelijke traagheid op geestelijke verarming uitloopt. Zij mogen niet lijdelijk zijn en een passieve houding aannemen. Zij mogen zich niet slap aanstellen in de allergewichtigste zaak van hun eeuwig behoud. Maar zij moeten zich zelf inspannen om uit te werken, wat de Heere aanvankelijk in hen gewerkt heeft, indien zij ooit het einddoel zullen bereiken. Dus per slot van rekening toch eigen gebrekkig werk? Neen, wij kunnen niet het minste toedoen aan onze zaligheid. Maar Paulus wekt ons wel tot zelfwerkzaamheid op, maar hij voegt er een 'want' bij, dat de reden aangeeft, waarom wij zelf kunnen werken. De Heere is het, die ons willen ten goede bezielt. Hij bekwaamt tot werken. Ons eigen willen is niets meer dan een slap hangend zeil aan de mast. Maar wanneer God ons beweegt met een hevige stormwind, dan staat het zeil bol. Dan komt de wil en de bekwaamheid uit God in ons op om onze zaligheid te werken met vreze en beven.
Wij zullen dan alle middelen zorgvuldig gebruiken, die de Heere ons aanwijst om tot geestelijke wasdom te geraken. Deze middelen gebruiken – dat kan vooreerst ingeschat worden naar de negatieve kant. Wij zullen vele dingen eenvoudig dienen te vermijden, die aanleiding en oorzaak tot zonde kunnen geven. Maar positief gezien bestaan de genademiddelen in het gebed, de prediking, de sacramenten doop en avondmaal. Er is daarbij evenwel ook een uitbreiding geoorloofd. Wij moeten bij de genademiddelen ook denken aan het christelijk gemeenteleven. Wij beseffen doorgaans te weinig, dat de genademiddelen een band behoeven die ze verenigt. Een kracht, waardoor ze vruchtbaar worden gemaakt. Het gemeenteleven neemt in met name de brieven van Paulus een aanzienlijke plaats in. Het meeleven met elkaar in voorspoed en tegenspoed. De wederzijdse groeten. Kleine menselijke voorvallen. Dat alles vindt in de Schriften een plaats. Enkel om zichzelf heen draaien leidt tot verschrompeling. Altijd en immer op weg zijn met de ander leidt tot verschraling in het vage. Er is een wisselwerking tussen eenzaamheid en gemeenschap nodig. Het komt ons voor, dat veel gebrek aan gezond gemeenteleven terug te leiden is tot te grote eenzelvigheid of anderszins tot te grote versnippering. Voor beide uitersten moeten wij ons hoeden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's