In het spoor van het voorgeslacht
Belijdenis des geloofs
In talloos vele diensten, waarin jongeren (of ouderen) belijdenis des geloofs aflegden 'voor God en Zijn heilige gemeente', is gezongen de bekende psalm 'Ik zet mijn treden in Uw spoor'. Dat ìs ook een treffende psalm voor een dergelijke dienst.
Dat spoor is meervoudig te typeren. Waarbij het ongetwijfeld zo is dat het ene aspect ervan gemakkelijker zal worden beaamd, vooral wanneer schuchterheid de overhand heeft, dan het andere.
Voorgeslacht
Wie in een keten van geslachten is opgenomen, juist ook waar het het behoren tot de christelijke gemeente betreft, treedt in een uitgezet spoor. We treden bij het ja-zeggen ten aanhore van de gemeente bewust in het spoor van de vaderen. Het is immers het bijzondere van de kerk des Heeren, dat daarin met de geslàchten wordt gerekend. Een christelijke gemeente bestaat niet zomaar uit losse individuen. Een christelijke gemeente is getypeerd door een samenhang van generaties, van geslachten. Die samenhang woog al zwaar in het Oude Verbond. Kinderen vroegen aan hun ouders: 'wat hebt ge daar voor een dienst?'. En dan werd al gewezen op het feit dat de Heere God geslachten eerder het volk Israël had uitgevoerd uit Egypte. Toen werd het Pascha geslacht. Pascha: 'Dit is den Heere een paasoffer'. Telkens weer werd herinnerd aan het feit, dat de verderfengel, die de Egyptenaren sloeg, aan de huizen van de kinderen Israëls voorbijging bij het zien van het bloed aan de deurposten. En het onderwijs strekte zich verder uit naar de toekomst toe, omdat er de belofte was dat uiteindelijk het moment zou aanbreken dat, in de lijn der geslachten de Messias geboren zou worden.
Om het maar heel eenvoudig te zeggen: de jongeren werden niet onderricht in louter leerstelligheden, in vaststaande waarheden. Dat ook. Maar er was meer. De jongeren werden onderricht inzake de trouw des Heeren, de bewárende trouw van de God van het Verbond, die Zijn volk in het verleden had uitgeleid uit Egypte en Zijn belofte al eerder aan Abraham had gegeven naar de toekomst toe, namelijk tot de komst van Christus.
Wie vandaag belijdenis des geloofs aflegt doet méér dan waarheden beamen. Hij of zij treedt in het spoor van het voorgeslacht, in een keten van geslachten, die al veel eerder de Naam des Heeren hebben beleden.
We zijn in onze tijd — gekenmerkt als die is door sterk individualisme — dat zicht op de samenhang van de geslachten goeddeels aan het kwijt raken. In onze tijd maakt zich dit individualisme ook van de christelijke gemeente meester. Het lijkt soms wel of wij vandaag met ònze beslissing het voortbestaan van de gemeente garanderen. Maar al ver voor 'wij' er waren, was er reeds een voorgeslacht. In dat spoor mogen we treden. Wie vandaag belijdenis des geloofs aflegt treedt niet voor het eerst aan maar sluit aan in de rij, treedt in het uitgezette spoor.
Zo goed als het intussen een roeping van Godswege is om zich in het spoor van de voorgeslachten te vóégen, zo goed is het een hóógst-èrnstige zaak wanneer we de keten der geslachten verbreken. We zien dat helaas in onze tijd maar al te vaak gebeuren. Jongeren zetten hun treden níét in het uitgezette spoor. Ze breken het Verbond, dat God rondom de gemeente, in de samenhang der geslachten, spant. Dan roepen zij over zich af de wraak van het Verbond, die het tegenbeeld is van de zegen des Verbonds. Anderzijds is de keten der geslachten geen absolute voorwaarde om er toch bij te mogen behoren. De Kananese vrouw behoorde niet tot het volk van het Verbond. Maar ze mocht er toch bij. Ze werd ingelijfd bij Israël.
Als het er — tussen twee haakjes — helemaal op aankomt zijn wij in feite als christenen uit de heidenen àllen ingelijfd bij Israël, ingeënt als wilde takken in de tamme olijf (Rom. 11). Zo treden echter ook vandaag Goddank mensen toe tot de gemeente, omdat ze getrokken werden uit de duisternis van deze wereld tot Gods wonderbare licht. Ze ontvangen alsnog het teken van de Heilige Doop, waarmee de Heere God betuigt ook hun God, ook hun God des Verbonds te willen zijn. Ze worden alsnog bij het verbondsvolk van alle tijden ingelijfd.
In het spoor van de Geest
Wie belijdenis van het geloof aflegt, treedt daarmee ook in het spoor van de Heilige Geest. Liever: de Heilige Geest zèt hem of haar op het spoor. Het is immers de Heilige Geest, die — naar onze belijdenis zegt — zich een gemeente vergadert uit het ganse menselijke geslacht, van het begin tot het einde van de wereld. Dat is bemoedigend. De gemeente van Christus — en in haar de kerk — is niet maar een menselijke organisatie, een club van gelijkgezinden, die elkaar vinden in een gemeenschappelijk doel. Nee, de Heilige Geest vergadert in alle tijden en over de hele wereld een gemeente, een kerk. De kerk is, wat haar oorsprong betreft van Boven. De kerk is een geestelijke aangelegenheid, omdat ze de vrucht is van het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest. Wie daarom uit het spoor van de rij der geslachten treedt, die in vorige tijden de gemeente van Christus vormden, verbreekt het werk des Geestes en bedroeft daarmee de Heilige Geest.
Het is ten diepste het meest bemoedigend te mogen weten, dat telkens weer de Heilige Geest het mensen in het hart geeft om daadwerkelijk ook toe te treden tot de gemeente, door het geven van hun ja-woord. Mensen, die ook in een tijd van kerkverlating, op de vraag 'wilt gijlieden ook niet heengaan?' in schuchterheid en nochtans met beslistheid het antwoord geven, dat Petrus eenmaal aan Jezus gaf: 'tot Wie zullen we heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven'.
Het diepste
Dit brengt ons op het diepste wat er van het belijdenis doen te zeggen is. Alleen mensen, die de aanraking van de Heilige Geest in hun leven kennen, langs de weg van wedergeboorte en bekering, zullen ook in het spoor blíjven. Is dat niet te boud gezegd? Zien we niet velen afhaken, die ooit, soms tot tranen bewogen, hun jawoord gaven voor God en de gemeente? Toch moeten we het zó zeggen. Wie door de Heere gegrepen wordt, wordt voorgóéd gegrepen. Daarom worden mensen ook rondom het afleggen van belijdenis des geloofs geroepen tot zelfonderzoek. Het gaat uiteindelijk om de geloofsverbondenheid met Christus, de Middelaar. Het gaat erom, dat we door het wederbarende werk van de Heilige Geest levende lidmaten van de gemeente zijn. Dan zullen we het eeuwig blijven, zegt de Heidelberger. Dan kunnen er stormen komen, dieptepunten in het leven. Dan kunnen zelfs stormen van twijfel tegen ons levensschip beuken. Dan kùnnen zelfs — zo leert de geschiedenis — vervolgingen verduurd moeten worden. Maar telkens weer komt het antwoord, soms heel concreet uit de diepte: 'Tot Wie zullen we heengaan?'
Alleen de Heilige Geest zet op het spoor en houdt in het spoor. Wie dan overigens door de Heilige Geest is opgezocht, erbij wordt getrokken, maakt ook keuzen. De keuze van het smalle spad, van de smalle weg, van het nauwe spoor. Het is een spoor, waar men de zondedienst mijden gaat. Het is een spoor, waar de liefde opbloeit: de liefde tot God, tot Zijn dienst, tot Zijn volk, tot Zijn gemeente, tot de kerk. 'Ik zet mijn treden in Uw spoor'
Dat houdt ook in een leven naar de geboden Gods, omdat daarin de wil van God is verankerd. Dan gaat het niet zozeer om wat een mens 'mag' en niet 'mag' maar om een nieuwe genegenheid. Ik ga willen wat God wil, wat Hij van mij vraagt. Zijn liefdedienst heeft ons nog nooit verdroten. Het lopen van het spoor van de geboden is dan geen last maar een lust. Juist op de smalle weg zijn de geboden Gods de grenspaaltjes, die voor afdolen behoeden. En uiteindelijk geeft het lopen in dat spoor, bìnnen die paaltjes, de diepste levensvreugde.
In een samenleving, die aan de ontkerstening meer en meer wordt prijsgegeven en waarin de geboden Gods meer en meer worden uitgebannen, heeft het leven geen echte zingeving meer. We zien de ontwrichtende gevolgen (in huwelijk en gezin, in handel en bedrijf) van het leven los van Gods inzettingen. Maar het zal ons nooit berouwen, de keus van het smalle pad. Want het smalle pad loopt uit op een enge poort, maar dan wel een poort naar het eeuwige leven. En onderweg valt veel te genieten in de omgang met God en Zijn Woord.
De bekende schrijver Bertus Aafjes schreef een boek getiteld 'De sneeuw van weleer'. Daarin beschrijft hij zijn jeugd, waarin hij omgeven was door (roomse) zekerheden. Het gaat me nu niet om de kerk, waaruit hij komt. Maar hij brak uiteindelijk met het christelijk geloof. De laatste passage van het boek luidt intussen:
'Twee levens heb ik geleefd.
Het leven van een gelovig mens.
Het leven van een ongelovige.
De meest verbijsterende evolutie die een mens kan doormaken is dat hij van gelovig ongelovig wordt. Dat hij een gans heelal van toekomstverwachtingen in moet ruilen voor de schrale bete broods van het menselijk intellect. Dat hij zijn niet te stillen eeuwigheidshonger bevredigen moet met de droge kruimels van de wetenschap. Zo hem dit lukt.
Zoals Nietzsche zegt:
Denn alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe, tiefe Ewigkeit.
Ontmoetingen
In het spoor van het voorgeslacht krijgt een mens intussen onvergetelijke ontmoetingen.
Vanuit de Schriften ontmoeten we: patriarchen, die uit de verte al hoop hadden op Christus;
psalmisten, die dezelfde diepten van lijden en aanvechting en dezelfde hoogten van vreugden in het hart beleefden als alle geslachten, die in het geloof leefden na hen;
profeten, die door alle tijden heen een actuele boodschap-bij-de-tijd hebben;
apostelen, die getuigen en soms ook martelaren waren.
We ontmoeten:
kerkvaders, die met een bijzondere verlichting des Geestes uit het Woord oude en nieuwe schatten tevoorschijn brachten;
herders, die hun kudde leid(d)en in navolging van de grote Herder der schapen;
diakenen, die weet hadden en hebben van de dienst aan de lijdende mensheid, aan de naaste in nood dichtbij en ver weg, in navolging van de Barmhartige Hogepriester.
We ontmoeten de vaders en moeders uit het voorgeslacht, die in herinnering gebleven zijn vanwege hun geestelijke nalatenschap.
We ontmoeten vandaag medestrijders, medeburgers van het Koninkrijk der hemelen, die met vallen en opstaan hun weg gaan in de wirwar van de tijd, het spoor zoekend achter Hem, die het Licht der wereld is.
Belijdenis doen is warempel geen eenzaam avontuur. Het is treden in het spoor van een gemeenschap. Een gemeenschap, die de wereld niet kent. Omdat het Hoofd van die gemeenschap Boven is.
En die gemeenschap vraagt om persoonlijke verantwoordelijkheid. Ook dat wordt bij het ja-woord beloofd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's