De synode over bestuur en beheer
Eigen verantwoordelijkheid van de kerkvoogdij gehandhaafd
Toen een jaar geleden de hervormde synode met slechts vier stemmen tegen een voorstel in eerste lezing aannam om te komen tot één vorm van beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk leek het allemaal nog slechts 'een fluitje van een cent' te zijn om de nieuwe voorstellen kerkordelijk te regelen. Daarvoor was weliswaar een verdubbelde synode nodig, omdat het om wijziging ging van de zogeheten romeinse kerkordeartikelen, maar de eenstemmigheid was groot. Op dat moment was kennelijk niet vermoed, dat de voorstellen enorme commotie in de kerk te weeg zouden brengen. Tot heden was het zo dat kerkeraad en kerkvoogdij gescheiden lichamen waren, zowel in de gemeenten met aangepaste kerkvoogdij (met de ouderling-kerkvoogd dus) als in de niet aangepaste gemeenten (oud-toezicht of vrij beheer). Nu zou met de nieuwe voorstellen de scheiding worden opgeheven en zou er één beheersregeling komen, waardoor gemeenten met vrij beheer of oud-toezicht zich zouden moeten aanpassen aan de kerkorde, zoals die in 1951 was vastgesteld. Dat dit niet zonder bezwaren van de gemeenten met oud-toezicht of vrij beheer zou verlopen was voorspelbaar. Bovendien zat in de voorstellen opgesloten, dat de begroting van de gemeente door de kerkeraad zou worden vastgesteld. Met name tegen dit punt rees ook ernstig bezwaar. De Vereniging van Kerkvoogdijen tekende tegen dit laatste uitdrukkelijk bezwaar aan. Men wenste geregeld te zien, dat het vaststellen van de begroting een zaak van de kerkvoogdij zou blijven.
Ook het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond deed er het zijne aan door een lijvig rapport te doen verschijnen, waarin de (blijvende) scheiding van bestuur en beheer werd bepleit. Gegeven het feit, dat in dit rapport van de G.B. geen bezwaar werd gemaakt tegen één beheersregeling kon scheiding ook worden gelezen als onderscheiding. Ook in dit rapport werd bepleit dat de kerkvoogdij de begroting zou vaststellen maar tevens werd gepleit voor een regeling, waardoor het mogelijk zou zijn dat in gemeenten, die tot aanpassing zouden moeten overgaan, het aantal ambtsdragers in het college van kerkvoogden hoogstens éénderde van het totale aantal kerkvoogden zou zijn. Vanuit een drukbezochte vergadering van kerkeraden en kerkvoogdijen in Barneveld werd in een 'signaal' aan de synode één en ander duidelijk onderstreept.
Tenslotte moet nog worden vermeld, dat de classicale vergaderingen in hun zogeheten consideraties heel wat kritisch materiaal hadden aangedragen, hoewel de éne beheersregeling op zich betrekkelijk weinig verzet opriep. Slechts één classis keerde zich tegen de ouderling-kerkvoogd op zìch.
Op de nu gehouden synodevergadering, die met spanning tegemoet was gezien, is de kwestie geregeld, waarbij duidelijk is geworden dat men niet heen kon om de kritische geluiden uit het geheel van de kerk. De ene beheersregeling is nu kerkordelijk vastgelegd, met dien verstande dat 'de verzorging van de stoffelijke aangelegenheden der gemeente, voorzover niet van diakonale aard' plaats vindt door 'daartoe in het bijzonder aangewezen oude lingen, tezamen met — waar die zijn — daartoe verkozen lidmaten der kerk, die allen al zodanig de naam kerkvoogd dragen.'
Het college van kerkvoogden zal (kan) derhalve uit amtsdragers en niet-ambtsdragers bestaan. Dat betekent voor aangepaste kerkvoogdijen dat men, in tegenstelling tot de periode, die verstreken is na het invoeren van de kerkorde, thans daar ook de mogelijkheid heeft niet-ambtsdragers in het college op te nemen. Dat had in bepaalde delen van de kerk ook verzet opgeroepen. Ds. J.G. van Loon (St. Maartensdijk) zei, dat daarom vóórstanders en tegenstanders van de ouderling-kerkvoogd in de classis Zierikzee elkaar hadden gevonden in hun verzet tegen de voorstellen. Maar uiteindelijk stemden tegen de nieuwe kerkordebepalingen slechts zeven van de 110 leden van de (verdubbelde) synode. Onder hen waren zowel voorstanders van de gedachte, dat het héle college uit ambtsdragers moet bestaan als tegenstanders. Eén der tegenstemmers, diaken G.A. Vroegindewey (Reewijk), had in de discussie gesteld zelf geen tegenstander te zijn maar uit begrip voor hen, die hier hun moeite hadden, toch te zullen tegenstemmen.
Met name ouderling-kerkvoogd H. Reurink ('t Harde), diaken J. van Asselt (Woudenberg) en ouderling-kerkvoogd J. van den Brink (Breda) hebben gepleit voor het voortduren van de (onder)scheiding tussen bestuur en beheer. Van den Brink zei dat de Ver. van Kerkvoogdijen 'ons zeer heeft gesteund' en dat ook de Gereformeerde Bond 'zich niet onbetuigd heeft gelaten'.
Veel discussie maakte in de synode los het (aanvankelijke) voorstel van de Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden (KOA), dat voortaan de kerkeraad de begroting vaststelt. Gegeven echter de commotie hierover in de kerk had KOA op het laatste moment een alternatief voorstel voorgelegd, namelijk dat de kerkeraad in overleg met de kerkvoogdij' de begroting vaststelt. Hiermee was in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de bezwaren van velen in de kerk. Ook de Algemene Kerkvoogdij Raad sloot zich hierbij aan. Toen het uiteindelijk bij de behandeling van de zogeheten ordinanties (16 en 18), waarin dit moest worden vastgelegd, op een stemming aankwam hield ds. B. Wallet, de synodepraeses, eerst een peiling. Daaruit bleek, dat het alternatieve voorstel van KOA op een breed draagvlak in de synode zou kunnen rekenen. Derhalve nam het moderamen het alternatieve voorstel van KOA over. Vervolgens besloot de synode met vier stemmen tegen (uit hervormd-gereformeerde kring alleen ds. J.G. van Loon, St. Maartensdijk) dit aan te nemen. Eén en ander betekent, dat de eigenheid en de eigen verantwoordelijkheid van de kerkvoogdij is gehandhaafd. Kerkeraad en kerkvoogdij' moeten het sámen eens zijn over de begroting. Het ene college kan dus niet heersen over het andere. Kerkeraad en kerkvoogdij blijven dus een onderscheiden verantwoordelijkheid hebben, temeer daar het college van kerkvoogden ook voor een deel uit niet-ambtsdragers mag bestaan.
Een heet hangijzer
We kunnen onmogelijk — gezien het grote aantal sprekers — gedetailleerd de synodebespreking weergeven. Bovendien draaide het allemaal om de hierboven aangegeven punten. Echter dient één heet hangijzer met name nog voor het voetlicht te worden gehaald. In de synode viel het woord gewetensbezwaar ten aanzien van de ouderling-kerkvoogd. Met name diaken G.A. Vmegindewey (Reewijk) sprak daarover. Het is evenwel de vraag of het gewetensbezwaar ligt bij de ouderling-kerkvoogd op zich. Het gaat hier om exegese van b.v. Titus 1 : 7, waarin over ouderlingen als huisbezorgers Gods wordt gesproken. Sommigen achten dit te mager om er het ambt van de ouderling-kerkvoogd op te funderen. Prof. dr. H.W. de Knijff (kerkelijk hoogleraar) deed dan ook een poging om mede vanuit de geschiedenis het ambt van ouderling-kerkvoogd te funderen. (Zijn opmerkingen hierover zullen binnenkort in deze kolommen apart worden afgedrukt). De kwestie ligt echter eerder in het feit, dat onder diegenen, die al jarenlang kerkvoogd zijn, er zullen zijn, die er grote moeite mee hebben wanneer ze hun kerkvoogdelijke arbeid opeens in het ambt van ouderling moeten gaan verrichten. In de voorstellen, zoals die nu voorlagen, betekent dat — ook al is ruimte geschapen voor niet-ambtsdragers in het college van kerkvoogden — dat in een college van drie kerkvoogden er twee ouderling(-kerkvoogd) moeten worden. Daarom is ter synode het pleidooi gevoerd (ook verwoord in het rapport van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond) het mogelijk te maken, dat slechts éénderde deel van de kerkvoogden ouderling behoeft te zijn. Ds. P.M. Breugem (Barneveld) motiveerde één en ander door te stellen, dat juist besef van de hoogheid van het ambt tot schuchterheid leidt en derhalve tot bezwaren om van kerkvoogd ouderling-kerkvoogd te worden. De ouderling-kerkvoogd is niet gelijk te stellen met 'de gekwalificeerde notabel', 'de notabelboekhouder'. Hij pleitte er ook voor om de taak van de ouderling-kerkvoogd te verruimen met een beperkte pastorale opdracht (wat altijd mogelijk is, aldus ds. P. van den Heuvel, voorzitter van KOA). Ouderling L.M. Bos (Zegveld) vroeg per motie de mogelijkheid te scheppen voor dispensatie voor die gemeenten waar men er moeite mee zal hebben. Op voorstel van (de voorzitter van) KOA werd deze motie overgenomen door het moderamen en door de synode aanvaard. Met dien verstande, dat er voor een periode van vier jaar (ná de aanpassing, waar ook vier jaar over gedaan kan worden) slechts een minderheid van het college van kerkvoogden ambtsdrager behoeft te zijn (minstens éénderde deel). Een motie van ds. P. van der Kraan (Bleskensgraaf) om een verhouding van het aantal ambtsdragers en niet-ambtsdragers van 1:2 te mogen maken werd door de voorzitter van KOA ten stelligste ontraden. Dat zou de kern uit de voorstellen halen. Derhalve haalde de motie Van der Kraan het niet.
Ds. R. van Kooten (Soest) vroeg nog of in 1951 de toezegging was gedaan dat nooit tot aanpassing zou kunnen worden gedwongen. Dat had toen namelijk in een stuk van 'een actiegroep' (ds. P. van den Heuvel) gestaan. Maar — aldus ds. Van den Heuvel — de synode heeft alleen maar rekening gehouden met een overgangstermijn van vijf jaar. Daarna zou aanpassing moeten plaatsvinden. Van die vijf jaar zijn er nu — aldus ds. Van den Heuvel — 'een kleine veertig om'.
Verder vroeg ds. M. Baan (Nijkerk) nog of Samen op Weg een rol speelde. Dat was namelijk ooit bij de behandeling van de beheerskwestie op een combisynode gebleken. Ds. Van den Heuvel repliceerde met te zeggen, dat de beheerskwestie voor S.O.W.-gemeenten al geregeld is in de Tussenorde en dat het hier gaat om de hervormde kerkorde, die voorlopig nog wel zal moeten blijven doorgaan. (Me dunkt dat dit te argeloos gesteld is, v.d. G.)
Beoordeling
Komen we nu tot een conclusie ten aanzien van de synodebesluiten dan moeten we zeggen, dat het onze instemming kan hebben — het is ook in het rapport van de G.B. verwoord — dat er nu één beheersregeling is. Het is goed voor een kerk één uniforme beheersregeling te hebben. Bovendien is duidelijk het geestelijk karakter van het beheer ook onderstreept door het beheer ook dicht bij de kerkeraad te houden, zonder dat bestuur en beheer nu helemaal samenvallen. De kerkeraad heeft sámen met het college van kerkvoogden voortaan de verantwoordelijkheid als het gaat om het vaststellen van de begroting, terwijl mensen met hun eigen (financiële) deskundigeid deel kunnen uitmaken van het college van kerkvoogden, zonder dat ze een ambt behoeven te bekleden. In de praktijk zal overigens ook in veel gemeenten met vrij beheer niet zoveel veranderen, omdat in veel gevallen al een combinatie van de functie van kerkvoogd en het ambt van ouderling in één en dezelfde persoon is gerealiseerd.
Teleurstellend moet echter worden geacht, dat met name de KOA in haar voorzitter niet wat meer begrip heeft kunnen opbrengen voor de gerechtvaardigde wens om een minderheid in de kerkvoogdij uit ambtsdragers te doen bestaan; dit vanwege bezwaren tegen het bekleden van het ambt, zeker als daarbij ook nog de (op zich wettige) voorwaarde wordt gesteld, dat ambtsdragers avondmaalgangers behoren te zijn. Waarom hier zo moeilijk gedaan?, vroeg terecht drs. R.H. Kieskamp (Leerdam) als toch ook de mogelijkheid is geschapen, dat de kerkvoogdij mee de begroting blijft vaststellen!
Intussen beseffen we, dat het hier niet gaat om zaken, waarmee de kerk staat of valt. Dat onder ons in dat verband het woord 'afscheiding' is gevallen valt moeilijk te verdedigen tegenover die afgescheidenen, die ons al sinds jaar en dag vragen waarom we zoveel zaken in de kerk betreffende de leer 'tolereren'. Ook wie daarop een gefundeerd antwoord meent te hebben, heeft geen antwoord wanneer in een kwestie als die van het beheer het woord afscheiding wordt gehanteerd.
En tenslotte: Het geld in de gemeenten is het geld vàn de gemeenten. Maar het is de Heere toegewijd. Het is in beheer gegeven aan mensen, die daarin de gemeente vertegenwoordigen. Dat dit, evenals welke zaak dan ook in de gemeente, niet buiten de kerkeraad mag worden gehouden, is ook een kwestie van gereformeerd beginsel. Het onderbrengen van gelden der gemeente in stichtingen, waarover slechts enkelen echt kunnen beschikken, is strijdig met elk gereformeerd principe. Maar anderzijds moet het ook mogelijk zijn, dat mensen met hun eigen gaven en mogelijkheden de gemeente te dienen in het beheer, zonder dat ze direct ambtelijk bezig zijn. Daarin is gelukkig voorzien.
Daarom is onze slotconclusie, dat er waardering mag zijn voor het feit, dat naar de kritische stem van de gemeenten is geluisterd. Maar het ontgaat ons waarom de verhouding van het aantal ambtsdragers t.o.v. het aantal niet-ambtsdragers niet anders geregeld kon worden dan nu is geschied.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's