Tucht in Kerk en Gemeente (3)
Een verwaarloosde zaak?
Een vorige keer toonde ik aan, hoe belangrijk de kerk is. Het past ons niet om laag op haar neer te zien. Niemand van ons ziet laag op zijn natuurlijke moeder neer. Zo ook niet op de kerk die voor ons moeder is. Want zoals onze natuurlijke moeder ons het leven gegeven heeft, zo wil ook de kerk als moeder ons het leven schenken. Já, zèlfs meer dan onze natuurlijke moeder ons heeft kunnen geven. Want de kerk wil als moeder ons door middel van de bediening der verzoening het eeuwige leven schenken. Daarom is het geen gewaagde stelling die ik neerschrijf: zonder kerk krijgt geen mens eeuwig leven. Moeder kerk draagt de sleutels van het leven.
Moeder
Graag wil ik op bovengenoemde stelling ingaan en deze vanuit de Schrift onderbouwen. Dit wil ik des te meer doen, omdat de papieren van de kerk niet bijster hoog genoteerd staan. In een vorig artikel wees ik er al op. dat er onder ons niet alleen van een grensvervaging, maar ook van een grensoverschrijding sprake is, wanneer het gaat om het zicht op de kerk. Aan allerlei 'groepen' èn 'clubs' èn 'verenigingen' met de naam reformatorisch, gereformeerd of evangelisch wordt eenzelfde status toegekend als aan de kerk. Vergeet het maar! Tertullianus, Cyprianus. Calvijn en Kohlbrugge hebben gelijk als zij stellen dat de kerk een instelling is van God. Ook hebben zij — niet zonder dit te motiveren — gesteld dat de kerk moeder móet worden genoemd. De Schrift gaat ons daarin voor. Voor het Schriftbewijs verwijs ik naar 2 Johannes en Galaten 4 : 26. Zoals bekend zal zijn, verwijst 2 Johannes ons naar een kerk. Waarschijnlijk is dat een kerk in Klein-Azië geweest. Laten wij ons maar een gemeente van een paar honderd leden voorstellen. Een gemeente met daarin de dienst van ambtsdragers. Een gemeente dus met een kerkeraad. Opvallend nu is, dat Johannes die kerk een vrouw noemt. Hij schrijft aan de uitverkoren vrouw d.i. de kerk. Die vrouw noemt hij bij haar naam nl. kuria.
Nu zullen wij allen in de prediking wel eens hebben horen spreken over de verhoogde Kurios. De predikant bedoelde daarmee dan de Heere Jezus Christus die door de Vader verhoogd is en aan Wie alle macht is gegeven in hemel en op de aarde. Kuria is de vrouwelijke vorm van het woord Kurios (verhoogde Heere). Aan de kerk die kuria heet, schrijft Johannes. En wanneer hij aan de kuria schrijft, kan zijn bedoeling niet mis verstaan worden. De kerk is de vrouw, de bruid van de Bruidegom nl. van Jezus Christus. A.J. van Zuijlekom zegt in 'De rijkdom van preek, doop en avondmaal' op pag. 84 het volgende hiervan: 'Zoals in het paradijs gesproken werd van man en manninne, zo spreekt Johannes in zijn tweede brief over Kurios en kuria. Heere en vrouwe.
Vrouw, dat is dus de benaming voor een kerk in een bepaalde plaats. En in een andere plaats heet de kerk ook vrouw. En die twee kerken zijn dan van elkaar zusterkerken. Zo doet Johannes in vers 13 ook de groeten van een zuster(kerk).'
Opvallend dat Johannes in zijn tweede brief de kerk niet allen als vrouw voorstelt, maar dat hij haar ook voorhoudt als moeder. Déze vrouw is dus geen kinderloze vrouw. Integendeel zelfs, zij brengt kinderen ter wereld. Vele, vele kinderen. Een schare die niemand tellen kan. Deze moeder heeft in het verleden kinderen ter wereld gebracht. Zij doet dat óók nú en zal dit eveneens in de toekomst doen.
Daarom kan het niet anders of men zal de kerk als moeder liefhebben, wanneer men in en door haar leven heeft gevonden. Van zo'n moeder houdt men. Zo'n moeder laat men niet in de steek. Ook niet wanneer zij ernstig òf zelfs zeer ernstig ziek is. Zelfs niet dan, wanneer zij haar kinderen wegen laat bewandelen die niet in overeenstemming zijn met de wegen die de Kurios heeft uitgezet en in Zijn Woord voorhoudt.
Het klinkt mij daarom altijd wat wonderlijk in de oren als mensen met veel verve vertellen, dat zij na hun levendmaking = bekering de Nederlandse Hervormde Kerk hebben verlaten, omdat er tóen geen voedsel meer was voor hun arme ziel. Blijkbaar vond de Heere het voedsel voordien toch wel voldoende en genoeg om het nieuwe leven te werken. Ik wil hiermee maar zeggen, dat men moeder (de kerk) niet zo snel moet verlaten. Wie meent elders beter, steviger en lekkerder voedsel aangereikt te krijgen, kon zijn geestelijke maag wel eens bederven. Maar dat niet alleen. Ik moet in dit verband ook aan G. Boer denken. Hij heeft ons voorgehouden, dat men weliswaar de kerk kan verlaten en tot een ander kerkgenootschap kan overgaan, maar dat het oordeel Gods wordt meegenomen. Voorts blijf ik erbij, dat de Heere onze arme ziel ook kan blijven voeden en laven met het voedsel en de drank (de prediking en de sacramenten) waarmee en waardoor Hij ons het leven uit Hem heeft geschonken. De kerk, onze rnoeder, zelfs al is zij ziek, moeten wij maar trouw blijven, omdat er nog altijd sprake is van dat trouwe getuigenis in haar en door haar. Tot slot zeg ik dit ervan: wellicht is het goed dat door ons allen even lyrisch wordt gedacht over de kerk zoals H. Jonker deed die aan één van zijn boeken de titel gaf: Leve de kerk.
Welke kerk?
Nu is het natuurlijk wel mooi om lyrisch te schrijven over de kerk. En ook is het wel aardig om uit de Schrift aan te tonen dat de kerk moeder wordt genoemd. Maar bij dat alles blijft men dan toch met de vraag zitten: welke kerk is moeder en welke kerk is eigenlijk bedoeld? Een vraag die zowel door jongeren als door ouderen gesteld kan worden. Een vraag die niet zo vreemd is, want hoeveel kerken zijn er bv. in een plaats als Putten al niet? Om dan nog maar niet te spreken over de grote steden waar meer kerkgenootschappen dan zendgemachtigen worden aangetroffen. Een beetje behoorlijk grote stad heeft toch 10 à 15 verschillende kerken. Is iedere kerk(genootschap) vrouw en moeder? Op deze laatste vraag geef ik noch een positief noch een negatief antwoord. Ik geloof dat de kerk een instelling en een werk is van God, maar dat dit bepaald niet altijd gezegd kan worden van alle kerkgenootschappen die in de loop der eeuwen zijn ontstaan. Ik zeg niet dat God de Zijnen niet uit die kerken vergadert ten eeuwige leven. Steeds weer verheug ik mij als ik hoor dat God Zich elders in Zijn heilshandelen niet onbetuigd laat. Toch geloof ik dat er in het ontstaan van al die kerken veel menselijks is geweest. Al te zeer is men wel eens vergeten wat de berijming van het Gebed des Heeren ons laat zingen: 'daar komt nog vlees en wereld bij'. Heus, wij zijn maar arme en ellendige zondaars. Mensen die o zo vaak zichzelf bedoelen. Mensen die zich ook zo graag verheffen en zich in hun kerk-zijn veel beter gevoelen dan anderen die niet tot hun kerk behoren. Want wat te denken als men leest dat de ware kerk niet die kerk is die de oudste papieren bezit? Dat is geschreven in de contekst van de Nederlandse situatie. Maar dan kan het niet anders zijn dan dat de Nederlandse Hervormde Kerk is bedoeld. Waarom werd dit als zodanig geschreven? Wel, omdat de tucht in onze kerk niet zozeer een verwaarloosde zaak is als wel een gegeven dat helemaal niet meer aan de orde komt. Nooit wordt er iemand — zo werd er gezegd — van het Heilig Avondmaal geweerd. Nooit wordt er een doop geweigerd. Nooit wordt de ban òf de excommunicatie toegepast bij voortgaande volharding in het kwaad. Ik hoop op al deze zaken later nog in te gaan. Nu zeg ik reeds, dat men toch wel erg voorzichtig moet zijn in zijn/haar oordeel. Want er is in onze kerk en in onze gemeenten meer tucht dan men wel denkt. Het verschil met sommige andere kerken is dat wij in geen geval op een juridische manier te werk willen gaan, maar altijd op de manier van een arts: helend, genezend. En als voorschot schrijf ik neer: wij oordelen niet over de harten. Wie ons oordeelt is de Heere. Bovendien willen wij als hervormden graag staan voor wat naar ik meen Melanchton ons heeft voorgehouden, nl. in middelmatige zaken laten wij elkaar vrij en in de hoofdzaken zijn wij het met elkaar eens.
Na deze kleine excurs terug naar de vraag: welke kerk is moeder? Anders gesteld: hoe ziet de ware kerk als moeder eruit? Ik denk dat het goed Calvijns en dus goed reformatorisch is, als ik stel dat de ware kerk als moeder aan drie voorwaarden voldoet, nl. aan de zuivere prediking; aan zuivere bediening van de sacramenten; aan de handhaving òf goede bediening van de kerkelijke tucht. Zonder er nu al verder op in te gaan ben ik van mening, dat deze drie voorwaarden min of meer nog altijd in onze kerk worden aangetroffen. Men hoort mij niet zeggen, dat er nooit met één of met alle drie niet de hand wordt gelicht. Wel durf ik de stelling te verdedigen dat hoewel misschien zwak er toch geen sprake is als zouden deze drie voorwaarden er in het geheel niet meer zijn.
Van belang
Toch wil ik ook nog op iets anders wijzen. Het zal ons wel opgevallen zijn, dat de drie voorwaarden waaraan een zuivere kerk moet voldoen in een bepaalde volgorde staan. Dat hebben de vaderen niet zomaar gedaan. Dat zij die tweede voorwaarde niet als eerste hebben genoteerd is om deze reden, dat men het sacramentalisme van Rome wilden tegengaan. De eerste voorwaarde die van het Woord moest ook als eerste genoteerd en gehonoreerd worden. Het Woord als het zaad der wedergeboorte werkt het geloof. De sacramenten versterken het geloof. Laatstgenoemden werken het geloof dus niet. Ik plaats deze opmerking niet voor niets. Ik kom namelijk niet helemaal van de gedachte los, dat de laatste decennia er toch meer van sacramentalisme sprake is dan voorheen. Is dat inderdaad het geval, zo ontbreekt een juist reformatorische, d.i. Bijbelse visie op de sacramenten. Het gaat mij te ver om dit in dit verband verder uit te diepen. Wel zeg ik: onze vaderen hebben niet zomaar de bediening van de sacramenten een tweede voorwaarde genoemd voor een zuivere kerk. Aan het Woord hebben zij alle prioriteit willen geven met daarbij de versterking van het geloof door de sacramenten. Intussen wil ik hiermee niet zeggen, dat men Woord en sacramenten nu ver uiteen moet halen. Neen, men moet ze niet scheiden van elkaar, doch onderscheiden. De sacramenten dus heel dichtbij het Woord laten, zoals dat in onze kerkdiensten tot uitdrukking komt. Zowel de doopvont als de avondmaalstafel staan heel dichtbij de kansel, d.i. de plaats waar vandaan het Woord tot ons komt.
De handhaving of goede bediening van de tucht wordt als derde voorwaarde genoemd. Ik denk dat wij deze voorwaarde ook als derde moeten laten staan. Niet om daarmee te zeggen, dat het vanwege een derde plaats niet zo belangrijk is. Dit mogen wij nooit of te nimmer stellen, want anders ondergraven wij ons reformatorisch gedachtengoed waarin ons wordt voorgehouden dat een zuivere kerk aan drie voorwaarden, dus ook aan die van de handhaving van de tucht moet voldoen. Niettemin moet ik in dit verband wel de opmerking kwijt, dat Calvijn en anderen deze derde voorwaarde (die van de goede bediening van de tucht) weliswaar heel belangrijk vonden en waarmee naar hun mening ook niet te marchanderen viel, maar dat de zuivere bediening van het Woord en die van de sacramenten ze toch meer aan het hart lagen. Zij zagen de derde voorwaarde van een andere orde dan de eerste en tweede.
Ik geef hiervan voorbeeld. Ooit moest Calvijn in Genève het Heilig Avondmaal bedienen. Aan de tafel zaten er ook Libertijnen (vrijdenkers). Beschermend breidde Calvijn zijn handen over het Heilig Avondmaal en zei: 'God beware mij, dat ik het heilige de honden zou geven'. Over tucht gesproken. Calvijn wist er weg mee. Met name wanneer het ging om de instellingen des Heeren.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's