Uit de Pers
Bijbellezen en Israël
Enkele weken geleden aanvaardde de synode een belangrijke wijziging in de kerkorde in het artikel over het apostolaat (artikel VIII). Er is in ons blad o.a. door de hoofdredacteur al over geschreven. De tekst van het gewijzigde artikel luidt thans: De Kerk zoekt het gesprek met Israël inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is. We willen het daar verder in deze rubriek (nog) niet over hebben. Er is na de synodezitting nog niet veel over in de pers geschreven. Wel willen we aandacht vragen voor het 'verstaan van de Heilige Schrift inzake Israël'. Sinds het uitbreken en intussen beëindigen van de Golfoorlog, blijft vooral het punt van het verstaan van de profetie in de actualiteit van de geschiedenis van Israël en de volken aan de orde. Steeds weer blijkt hoe moeilijk het is concreet in de geschiedenis aan te wijzen: daar en toen zijn deze en die woorden in vervulling gegaan. In het 'Hervormd Weekblad' van 21 maart 1991 besteedt dr. J.J.C. Dee in de rubriek 'Van het kerkelijk erf' aandacht aan wat hij boven zijn artikel schrijft: De Bijbel lezen met betrekking tot Israël.
Ja, hoe lezen we de Bijbel? Juist met het oog op de toekomst is voorzichtigheid en terughoudendheid geboden. Zo'n twintig jaar geleden beweerde Hal Lindsey op bijbelse gronden, dat de eindstrijd in Armageddon aanstaande was. Rusland zou het Midden-Oosten aanvallen om Israël te vernietigen, maar door de Europese strijdkrachten verslagen worden. Volgens Hal Lindsey zou verder veertig jaar na de oprichting van de staat Israël (1948) de grote bekering van Israël beginnen, de strijd in Armageddon plaatsvinden en het duizendjarig rijk aanbreken. In 1988 is daar niets van te merken geweest! Hal Lindsey heeft louter gespeculeerd over bijbelteksten. Niet veel anders doet het blad 'Christenen voor Israël'. Daar wordt in de emigratie van Russische joden naar Israël de grote vertroosting gezien, waarover o.a. Jeremia 23 spreekt. Profetieën zouden worden vervuld! Over de thuiskomst van Russische joden las ik ook in de omroepgids van de Evangelische Omroep, 'Visie' nr. 9 (24 febr. – 2 mrt. 1991), onder aanhaling van bijbelteksten als: Jeremia 31 : 8, Jesaja 60 : 8, Zacharia 2 : 6-7. De tendens is telkens hetzelfde. De profetieën komen uit.
De joden zijn en blijven kinderen van God in een heel speciale zin. Wie de God van Israël liefheeft, moet het huidige jodendom liefhebben. In Jeruzalem als de stad van God klopt het hart van de wereldgeschiedenis. Nooit kan het zo zijn, dat Israël door ongehoorzaamheid of door ongeloof aan Christus zijn plaats heeft moeten afstaan aan de kerk. Veel wordt gesproken over de komende, weinig of niet over de gekomen Messias; veel over het komende vrederijk, weinig over de vrede in Christus voor jood en Griek; veel over het behoud van Israël, weinig over de ene Naam waardoor we behouden worden. Veel inlegkunde, weinig uitleg.
De laatste opmerking van dr. Dee verdient aandacht: bij veel beschouwingen over de concrete invulling van profetieën in deze tijd met het oog op wat er gebeurt in het Midden-Oosten, denk je inderdaad: veel inlegkunde en weinig uitleg van de Schriften.
Israëlvisie
In De Reformatie heeft drs. R. ter Beek in de rubriek 'Kerkelijk leven' al drie artikelen gewijd aan vooral het verstaan van de profetie van het Oude Testament. Ter Beek constateert behoedzaamheid onder reformatorische christenen die solidair zijn met Israël en het joodse volk. Hij heeft dan het oog op enerzijds ds. W.J.J. Glashouwer en ds. L.W. Blokhuis en anderzijds ir. J. van der Graaf en dr. M.J. Paul. Genoemden willen, aldus de interpretatie van drs. Ter Beek enige afstand bewaren van het chiliasme. Ik citeer nu: 'Toch willen ze vasthouden, dat het joodse volk vandaag een speciale plaats inneemt in Gods heilshandelen. Men zoekt een bijbels kader, een bijbels houvast om te beoordelen wat de joden overkomt. Daar is niets op tegen. Maar men zoekt deze schriftuurlijke benadering met behulp van een leesmethode die aan het chiliasme ontleend is, kort gezegd: Israël (toen) = Israël (nu)'. Ter Beek haakt dan in op de uitspraak van ir. Van der Graaf, die gezegd heeft: een Israëlvisie is niet zaligmakend, terwijl hij zich daarbij wel het recht voorbehoudt om psalmen en profeten te lezen 'met het oog op Israël'.
Dat klinkt alsof je Israëlvisie los staat van je manier van bijbellezen. En al helemaal los van je geloof in Jezus Christus ('niet zaligmakend'). Maar hun Israëlvisie heeft alles te maken met een methode van bijbellezen. Beide worden kernachtig samengevat in het adagium 'Israël = Israël'.
Daarmee is een visie op het huidige Israël op formule gebracht. Je ziet het oudtestamentische Israël en het huidige Israël in elkaar overlopen. Het Israël van nu is gelijk aan het Israël van vroeger. Maar dat is evengoed een regel voor de schriftlezing. Want je leest de profetie en het hele Oude Testament in één lijn met de geschiedenis van het joodse volk tot op heden.
Wat doen wij met zulke vragen? Hoe legt gereformeerde schriftlezing de verbinding tussen het joodse volk van nu en het Israël van vroeger? Past het huidige joodse volk ergens in de bijbel? Is er aansluiting bij de bijbelse geschiedenis? Is er een plaats in de geschiedenis van het heil dat Christus brengt? Loopt er een verbinding naar de dag van Christus, zijn openbaring in heerlijkheid?
Drs. Ter Beek geeft dan samenvattend het antwoord van dr. M.J. Paul op de gestelde vragen, als hij schrijft:
Interessant is het antwoord van dr. M.J. Paul. De landbelofte geldt volgens hem nog steeds. En ook de dreiging, dat Israël uit het land verdreven kan worden, als het zwaar zondigt. Hij stelt de vraag of na de Babylonische ballingschap die dreiging nog een keer werkelijkheid is geworden.
Zijn antwoord is bevestigend. Het joodse volk heeft volgens het Nieuwe Testament zich vijandig opgesteld tegenover het evangelie van Jezus Christus en is daarom voor de tweede keer in ballingschap gegaan. Deze ballingschap is begonnen toen de tempel door de Romeinen werd verwoest in het jaar 70. Ze eindigt in onze eeuw. 'Het beste markeringspunt is waarschijnlijk 1948', het jaar van de stichting van de staat Israël.
Uiteraard is dit niet een complete visie. Paul spreekt er niet over wat er gebeuren gaat als de terugkeer voltooid is (een volksbekering, een duizendjarig aards rijk?). Maar voor ons doel is het voldoende. Hij geeft een bijbels kader aan om het huidige Israël te benaderen. Het is het volk dat de Christus afwees en daarom over de wereld is verstrooid, maar dat nu weer krachtens het verbond van God (Deut. 30 : 1-10) en overeenkomstig de profetieën naar dat land terug mag.
Ter Beek constateert dat dr. Paul een duidelijke verbinding legt tussen het huidige joodse volk in Israël en het oudtestamentische volk Israël, heen en terug. Ik citeer Ter Beek nogmaals: 'Maar de historische aansluiting blijft in het vage. Hij vertelt niet hoe de christelijke kerk en het joodse volk zich tot elkaar verhouden, omdat hij niet duidelijk maakt hoe de kerk zich verhoudt tot het oudtestamentische Israël.'
Israël en Christus
Dr. Dee citeert in genoemd artikel in het 'Hervormd Weekblad' uit een aantal artikelen, die prof. dr. J. Douma recentelijk in het 'Nederlands Dagblad' heeft geschreven over deze materie.
De zakelijke en nuchtere artikelen van prof. Douma kunnen ons voor veel speculatie en onjuist filosemitisme behoeden. Terecht stelt Douma, dat we niet zomaar kunnen zeggen, dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is, alsof Israël zou hebben afgedaan. Maar wat is de plaats van Israël in Romeinen 9-11? In Romeinen 11 is de boom, waarover Paulus spreekt, Israël. En zowel de heidenen als de bekeerde joden zullen op de edele olijf Israël geënt worden. Daarom mag de kerk ook Israël heten, want de gemeente van Christus is op de olijf van Israël geënt. Douma stelt dan, 'dat ook de kerk tot het ware Israël behoort en het ware volk van God mag heten' (Matt. 1 : 21; Luc. 1 : 17; Rom. 9 : 25v; 2 Kor. 6 : 16vv; Gal. 3 : 29; Tit. 2 : 14; Hebr. 8 : 8vv; Jak. 1 : 1, 18; 1 Petr. 2 : 9; Openb. 21 : 3, 12); de ware tempel Gods is (1 Kor. 3 : 16; 2 Kor. 6 : 16; Ef. 2 : 22; 2 Tess. 2 : 4; Hebr. 8 : 2) of het ware Sion en Jeruzalem (Gal. 4 : 26; Hebr. 12 : 22; Openb. 3 : 12; 21 : 2, 10). Er is één boom, met Abraham als wortel. Een christen van niet-joodsen huize mag dus met vrijmoedigheid zeggen dat hij aan Abraham deel heeft, terwijl zij die onder de joden ongelovig blijven, zich buiten de gemeenschap met Abraham plaatsen.
Zo taxeren wij de dingen niet vleselijk, maar geestelijk. Wie in Jezus Christus gelooft, wordt van Noord- tot Zuidpool gerekend tot het ware volk van God, dat Abraham tot stamvader heeft. Niet hij is een jood die het uiterlijk is (Rom. 2 : 28). En niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods; maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht (Rom. 9 : 8). Die belofte geldt wereldwijd, naar het getuigenis van Christus en Zijn apostelen'.
Blijft er dan nog ruimte over voor een bijzondere plaats van de joden in Gods heilshandelen? Dr. Dee schrijft dan:
De joden blijven bijzonder, omdat God met hen bezig blijft zolang de wereldgeschiedenis doorgaat. Zoals Douma zegt: 'Daarom moet ik niet alleen oog hebben voor de "volheid van heidenen", maar ook voor "de volheid van de joden".' Wanneer in Rom. 11 : 25 sprake is van 'heel Israël', dan slaat het woord 'Israël' hier duidelijk op de joden en wel op de joden die zich tot Christus bekeren. Maar jood en heiden komen door dezelfde deur binnen. Zij behouden of krijgen hun plaats in de olijfboom alleen door het geloof in Christus. Alleen zo gaan zij behoren tot het 'ware Israël'. Tegenover Israël kunnen we dan ook niet over Christus zwijgen. Er is geen ander behoud dan door het geloof in de gekomen Messias.
De staat Israël
Dr. Dee stelt dan de vraag aan de orde, hoe we vandaag tegen de staat Israël hebben aan te kijken. Hij verwijst dan naar het synodaal geschrift uit 1970: 'Israël — volk, land en staat'. In dit geschrift wordt het volk Israël ook nu als het bijzondere volk gezien, waarmee God zich verbonden heeft, op grond waarvan het bestaansrecht van de staat Israël gewettigd is.
De staat Israël is inderdaad een realiteit en het zelfstandig bestaan moet gegarandeerd worden! Maar het politieke Israël van vandaag moet naar dezelfde maatstaf gemeten worden als welk ander land ook. Wordt dit niet gedaan, dan ontstaat er een ideologie, die maar één onderwerp kent: de steun aan Gods volk en de gedachte dat de wereldgeschiedenis om Israël draait. Douma heeft daar in zijn artikelen terecht op gewezen en deze ideologie — het gedachtensysteem dat het geheel van de verschijnselen onder één allesbeheersend gezichtspunt bekijkt en interpreteert — in bladen als 'Het Zoeklicht' en 'Christenen voor Israël' als volgt aangewezen:
'Stel voor dat wij op grond van de profetieën in de Bijbel het volgende zouden geloven: God heeft, ook vandaag, Jakob (de joden) lief en Hij haat Ezau (de Arabieren). Sinds 1948 heeft Hij zijn beminde volk uit de ballingschap doen terugkeren. Maar het groot-Israël van eertijds is nog lang niet in bezit van de joden. Vijanden van Gods volk bewonen nog de Gaza-strook, hebben Oost-Jeruzalem nog in bezit, en bevolken andere stukken van het land, zowel aan deze als aan de andere kant van de Jordaan. Intussen is er een tweede Exodus op gang gekomen, die honderdduizenden joden uit hun ballingschap in de Sovjet-Unie (uit het "Noorderland") naar het beloofde land terugvoert. Het zal ook niet lang meer duren, of miljoenen joden uit Amerika sluiten zich bij hen aan. Natuurlijk moeten al die mensen ergens wonen, ergens in hun eigen land, dat ze van God terugkrijgen. Als er in de door joden reeds bewoonde gebieden geen plaats is, dan moet er land beschikbaar komen dat nu nog door de vijanden van Gods volk wordt bewoond. Israël zal groot-Israël worden, iets wat niemand kan tegenhouden. God vervult immers zijn beloften, en je moet al stekeblind zijn wanneer je als christen niet ziet, hoe die beloften thans in vervulling gaan. Sla je bijbel open in Jer. 16 : 14v; Jer. 30 en 31; Zach. 2 : 6 en Zach. 12 : 2v, etc. etc, en sla je krant open! Een stormwind des Heren, een alles meesleurende storm, zal op het hoofd der goddelozen neerkomen (Jer. 30 : 23)!'
Het zou ideologische blindheid zijn, die politiek gevaarlijk kan worden, om te stellen, dat het bij de bezetting van Kuwayt en in de Golfoorlog om Israël draait. Heel andere politieke en economische belangen staan op het spel. De veiligheid van de staat Israël moet worden gegarandeerd, evenals die van andere landen. Maar laten we ons ervoor hoeden dit ideologisch te onderbouwen. De staat Israël in het Midden-Oosten is niet Gods heilig volk, want het heilige volk is de gemeente van Jezus Christus: de heilige, algemene, christelijke kerk, die geen politieke grootheid is! Douma: 'Wij moeten de dingen niet vleselijk, maar geestelijk taxeren. Wie in Jezus Christus gelooft, schreef ik, wordt van Noord- tot Zuidpool gerekend tot het ware volk van God, dat Abraham tot stamvader heeft. Niet hij is een jood die het uiteriijk is (Rom. 2 : 28). En niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods; maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht (Rom. 9 : 8). Die belofte geldt wereldwijd, naar het getuigenis van Christus en Zijn apostelen.'
Een beetje lang citaat waarin moeilijk te knippen valt om het verband vast te houden. Voor genoemde ideologie waarschuwen is soms best op z'n plaats, denk ik, naast een romantisch verheerlijken van de staat Israël. De afschuwelijke dreiging waaraan de staat Israël en zijn inwoners opnieuw blootstonden tijdens de scud-aanvallen van Irak, hebben ieder die zich met hart en ziel verbonden weet met het volk der joden, diep getroffen. Ik ken mensen die bij de eerste berichten over deze laffe aanvallen spontaan in huilen zijn uitgebarsten. Maar om realistisch om te gaan met de vragen die hier aan de orde zijn, is emotionaliteit geen goede basis, dat zal duidelijk zijn. Nuchterheid blijft geboden. Mij trof de reactie die onze hoofdredacteur in diens verslag over de al eerder genoemde synodezitting opschreef uit de mond van rabbijn Van de Kamp: de kerk moet gewoon kerk zijn en haar nieuwtestamentische identiteit duidelijk stellen.
Kerk in plaats van Israël?
Dr. Dee verwijst tegelijk naar een artikel van prof. Kamphuis in het Nederlands Dagblad van eind 1990, dat men niet kan stellen dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Evenzeer is het onjuist om Israël en de kerk beide als van elkaar losstaand volk van God te beschouwen. Reformatorisch is het eraan vast te houden dat de Kerk er van het begin der wereld is geweest en tot het einde ook zal blijven. Via het artikel van dr. Dee citeren we tenslotte nog wat prof. Kamphuis hierover schreef:
De drie formulieren geven één en hetzelfde geluid, het geluid van de Schrift! De kerk is niet in de plaats van Israël gekomen. De kerk wàs er vóór Jacob Israël werd. De kerk was er, toen de Zoon van God haar (voornamelijk) vergaderde uit de twaalf stammen, die de belofte van de Messias in de dagen van het Oude Verbond droegen. De kerk, het Israël naar de Geest van de Christus, blijft er, nadat onze Heiland de tussenmuur die scheiding maakte, de vijandschap, heeft weggebroken, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking heeft gesteld, Ef. 2 : 14, 15.
Daarom sprak Calvijn, als hij over Israël in het Oude Verbond sprak, terecht over 'de hebreeuwse Kerk'.
Het Israël van het Oude Testament en de gemeente van Jezus Christus van het Nieuwe Testament moeten dus niet uit elkaar getrokken worden. Maar we moeten wel oog blijven houden voor de voortgang van de oude naar de nieuwe bedeling van Gods verbond. Het onderscheid ligt volgens prof Kamphuis hierin: 'De schaduwachtige bedeling (de besnijdenis) wijkt en maakt plaats voor de werkelijkheid die van Christus is (de doop): God maakt plaats.' Maar 'bij alle onderscheid is en blijft er eenheid in de geschiedenis van het heil en van het verbond: één God, één Heer, één volk door hem aan het kruis gekocht.' Als het om de verhouding van Kerk en Israël gaat, moeten we nauwkeurig formuleren — zo stelt prof Kamphuis terecht. 'Niet: de kerk is in de plaats van Israël gekomen, want vanwege Christus belijden we de wezenlijke eenheid van het Verbond Gods in Oude en Nieuwe Testament en de eenheid van de heilsgeschiedenis en dus van de kerk in haar eeuwen- en eeuwenlange geschiedenis. Maar wel: de doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen, want vanwege Christus belijden wij de veranderingen van de bedelingen of bedieningen binnen de eenheid van de Verbonds- en heilsgeschiedenis.'
Wie de openbaring als eenheid ziet, zal ook oog hebben voor de ene heilsgeschiedenis van God. In de openbaring zit voortgang! God gaat met de (heils)geschiedenis verder! Hij gaat van Oude naast Nieuwe Testament, van Genesis naar Openbaring, van Israël naar de Kerk, van minder licht naar meer licht, van schaduw naar werkelijkheid, van de morgen (schepping), naar de middag (verlossing) en naar de avond (voleinding), van vleselijk naar geestelijk, van uiterlijk naar inwendig. Het gaat om de eenheid en de voortang van de Openbaring. Omdat we leven in de bedeling van de Geest, is het volk van God een geestelijke (pneumatologische) grootheid en is het kenmerk van het volk van God, van de kerk in gebondenheid aan de Christus: 'die de wil van de Vader doen, zijn "Mijn moeder en broeders en zusters" (vgl. Mk. 3 : 35). Er is het ene volk van God alle eeuwen door, omdat de ene kerk door Jezus Christus wordt vergaderd vanaf het begin van de wereld tot het einde toe. Laten we zoeken naar deze helderheid van de Schrift en niet ten prooi vallen aan een ideologische benadering.
En dan komen we weer uit op het synodebesluit, waar we mee begonnen. Er stond in de kerkorde: de kerk richt zich in het gesprek met Israël... om hun uit de Heilige Schrift te betuigen dat Jezus de Christus is. We zijn wat het getuigenis betreft wel een aantal stappen teruggegaan. Zeker, bescheidenheid siert ons in de ontmoeting met Israël. Zulk helder licht hebben we als christenen door de eeuwen heen ook weer niet verspreid onder de joden, zeker niet in onze daden. Anderzijds blijven we erbij als christelijke gemeente, dat alleen in Jezus, de Gekruisigde die tevens de Opgestane is, heil is voor jood en heiden. God legt Zich niet neer bij de verharding van een deel van Zijn oude volk, schrijft drs. Ter Beek. Daarom zoekt Hij dat volk steeds weer met het Evangelie van de Christus. En Hij zal eens ook deze tegenstand overwinnen met de kracht van Zijn Geest. Dat staat vast.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's