De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voortgaand geding over de opstanding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voortgaand geding over de opstanding

11 minuten leestijd

Op zaterdag 16 maart hield de Generale Synode van onze kerk zich opnieuw bezig met de nota 'Geding over de opstanding'. Deze nota, opgesteld door een kleine commissie uit de leden van de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie, was in een vorige versie al ter sprake geweest in de november-synode van vorig jaar (zie het artikel van ir. J. v.d. Graaf in 'De Waarheidsvriend' van 29 november 1990). Er was toen van verschillende kanten fikse kritiek geleverd op deze poging om theologisch en pastoraal de handschoen op te nemen, die wijlen prof. dr. F.O. van Gennep had toegeworpen. Van Gennep had indertijd immers de geruchtmakende uitspraak gedaan, dat hij niet kon geloven in de lichamelijke opstanding van Christus en ook niet in wonderen.
In november werd enerzijds (met name door ds. A. Terlouw, Hardegarijp) gesteld dat de nota geen recht had gedaan aan de diepe achtergronden van Van Genneps opmerkingen, zoals deze mede vanuit diens boek De terugkeer van de verloren Vader duidelijk zijn geworden.
Anderzijds werd van verschillende kanten betoogd dat de nota het te weinig en niet ondubbelzinnig genoeg opnam voor het lichamelijk karakter van Jezus' opstanding (een nadere invulling derhalve van het 'hoe' van Zijn opstanding, zonder echter het geheimenis aan te tasten. Het betreft immers een totaal vernieuwde lichamelijkheid).
Met spanning is uitgezien naar de wijze waarop de discussie ter synode verwerkt zou zijn in de nieuwe versie van de nota. Op de gewijzigde nota is verschillend gereageerd. Enerzijds met teleurstelling, anderzijds met waardering.

Teleurstelling
Ds. P.M. Breugem, Barneveld, verwoordde gevoelens van teleurstelling. Wat hij terzake naar voren bracht, geef ik hier weer (in 8 punten):

1. Bij een eerste lezing van het geschrift 'Geding over de Opstanding', kwam een zekere mate van herkenning en waardering bij mij bovendrijven. Bij hernieuwde lezing ebde die weg. Mijn oordeel valt dan ook wat negatief uit. Al heb ik niet de behoefte om onheus te zijn.
2. Als teneur van het voorliggende geschrift heb ik opgepakt: jullie — verontrusten over het gesloten graf — hebben een dierbaar zondagsschoolgeloof. Vandaar jullie begrijpelijke verontwaardiging (zie pag. 4 en 5). Maar, geeft de ruimte aan de experimentele theologie — pag. 14 — en verketter elkaar niet. Vooral niet, omdat ook de discipelen naar het begripppenmateriaal van hun tijd de Opstanding des Heeren verslagen hebben, pag. 14. Aldus wordt prof. Van Gennep posthuum gerechtvaardigd en zelfs tot het gezelschap van Kohlbrugge c.s. gerekend.
3. Wie zou willen weten hoe Kohlbrugge over de Opstanding gepredikt heeft, met name over Christus' verschijning aan Thomas, kan daarvoor terecht in de eerste bundel Negen Leerredenen, gehouden in het rumoerige jaar 1871.
4. Naar mijn mening is ook in deze het onderliggende probleem het verschil in Schriftverstaan. Een verstaan mede gevoed door het klassiek belijden, botst hier op een verstaan, gevoed door de contextualiteit van studie en bepaalde wetenschap. Zodat enerzijds om eer (van God) en troost (van Zijn volk) gepredikt wordt het wonder van het lege graf. En anderzijds aan nuchtere tuinders en rationeel denkende ingenieurs wordt gepredikt: de Christus is niet lichamelijk opgestaan. Maar Hij is (het) er weer.
5. Dat het lege graf of de lichamelijke opstanding een crux is voor ons denken, zij volmondig toegegeven. Trouwens, wat níet uit het handelen van God! Toch ook de incarnatie. En niet te vergeten het borgtochtelijk lijden van de Christus voor Zijn kerk. In een preek, naar aanleiding van Johannes 17, de verzen 1 tot 17, maakt Kohlbrugge de opmerking: 'Geen mens gelooft voor zich aan de opstanding, geen mens gelooft voor zich aan de vergeving der zonden, niemand gelooft voor zich, dat Jezus Opgestaan is en ter rechterhand Gods zit, totdat de Heilige Geest de Trooster komt en het aan het verslagen hart ingeeft' (pag. 38, bundel Negen Leerredenen). Me dunkt, dat moesten we meer benadrukken, ook doorstrijden, met de mensen aan onze zorgen toevertrouwd.
6. Overigens zou ik een lans willen breken voor de klassieke leer van de lichamelijke opstanding van de Heiland. Zonder die in menselijke categorieën ooit geheel vast te kunnen leggen, wordt daarin toch duidelijk aangegeven de overwinning van de dood. De dood als straf op de zonde. Tussen haakjes: genoemde noties heb ik in Het Geding over de Opstanding node gemist. Maar is dat niet de machtige boodschap van Pasen, namelijk 'de dood is verslonden tot overwinning' (1 Korinthe 15 : 54)? Een boodschap die vooral kan landen, als zonde en dood ontdekt zijn als ernstig en waar.
7. Ter zake van ons onderwerp zou ik een klein gedeelte willen citeren uit een meditatief woord van wijlen prof. Van Ruler, bij 1 Korinthe 15 : 34b. Na eerst opgemerkt te hebben, dat er 'altijd weer mensen (zijn), die moeite hebben met de opstanding', de lichamelijke opstanding van Jezus Christus en de opstanding van het vlees, merkt hij verder op: 'Dat zijn wonderen en verborgenheden! Dat gaat ons allen — vroom en goddeloos — volstrekt ons begrip en ons hart te boven'. Maar, 'Wie dit geheimenis van de Opstanding — als een opstanding van de hele mens uit de zonde en de dood — loochent, die kent de kracht van God niet, die ziet aan het meest karakteristieke van de God van de Openbaring voorbij, die dient een andere God, dan de God van de Bijbel' (uit: Het leven een feest, pag. 64 en 65).
8. Tenslotte blijf ik, bij alle waardering voor tijd en denkkracht besteed aan de totstandkoming van dit geschrift, met de vraag zitten: aan wie uit de Kerk we het in handen moeten geven?

Waardering
Zelf heb ik bij deze bespreking in tweede termijn vooral waarderende woorden gesproken. Dat laat onverlet een deel van eerder door mij verwoorde kritiek. Maar ik meen dat het fair is om voluit te erkennen dat deze tweede versie een verbetering is ten opzichte van wat in november ter tafel lag. Toen bleef in het vage welke keuze de opstellers van de nota maakten terzake van de kwestie in geding. Helemaal aan het eind van het rapport werd gesteld dat het lege graf en het lichamelijke karakter van de opstanding 'theologisch niet volstrekt onbelangrijk' zijn.
Ik kreeg toen na lezing van de nota de indruk een moeizame bergtocht te hebben gemaakt om op de top van het mooie uitzicht te kunnen genieten. Maar eenmaal boven aangekomen, bleek het zo heiig te zijn, dat je haast niets zag!
Maar de commissie is de toezegging, gedaan bij monde van prof. dr. H.W. de Knijff, om op dit centrale punt een wijziging aan te brengen, zeker nagekomen.
In deze herziene versie wordt op blz. 3 als 'belangrijk geloofsmotief' genoemd 'dat de opstanding geen half werk is, maar dat het graf leeg is om aan te duiden dat het gaat om de verlossing van de totale mens en de totale werkelijkheid. Het lege graf is dan niet enkel een teken dat verwijst naar een geestelijke werkelijkheid, maar met dit symbool wordt een feitelijke werkelijkheid aangeduid'.
Op blz. 5 komt dit nogmaals naar voren. In de lichamelijkheid van de opstanding gaat het om objectieve geschiedenis van Gods handelen aan ons. Een vòl accent wordt hier gelegd op het handelen van God in de geschiedenis èn op de lichamelijkheid als kenmerk van de realiteit.
Bovenaan blz. 6 lezen we 'dat het werkelijkheidskarakter van de opstanding als een ons objectief geschonken en gepredikte realiteit niet ontkend mag worden'. Amen zegt mijn ziel daarop!
De tweede alinea op blz. 7 is ook van grote betekenis. De opwekking van Jezus Christus uit de doden is een daad van God in de geschiedenis en zo een zeker onderpand van onze eigen heerlijke opstanding (onder verwijzing naar de Heidelbergse Catechismus).
Mijn voornaamste kritiek blijft intussen gericht op het gestelde op blz. 11 dat overwogen zou kunnen worden dat voor Paulus' visie op Pasen het lege (verlaten) graf geen rol zou hebben gespeeld.
Maar Paulus spreekt volgens Hand. 13 : 37 uit — in aansluiting bij Psalm 16 —, dat Jezus, 'Hij Dien God opgewekt heeft', 'geen verderving heeft gezien'.
Paulus onderschrijft dus dat het lichaam van Jezus in het graf níet tot ontbinding is overgegaan!

Nu weet ik wel dat niet Paulus, maar Lucas het boek Handelingen geschreven heeft. Maar als we de Schrift zien als het éne Boek van de éne Auteur, de Heilige Geest, dan mogen we — met erkenning van alle exegetische en hermeneutische vragen — ervan uitgaan dat Lucas betrouwbaar heeft overgeleverd wat Paulus zei. Ik ben ervan overtuigd dat er in onze kerk heel veel verloren is, wanneer wij dit gereformeerde Schriftbeginsel loslaten.
En juist vanuit dat beginsel kan aan experimentele theologie niet die ruimte gelaten worden, die deze nota er ook in de tweede versie aan geeft. Met alle begrip voor de achtergronden van de vraagstelling van Van Gennep, had de nota mijns inziens moeten aangeven dat het door hem gestelde de grenzen van het belijden overschreed!

Andere stemmen
Kort geef ik nog enkele andere reacties weer uit het synode-debat van 16 maart.
Dr. S.W. Bijl, Markelo, achtte eveneens de nota een verbetering vergeleken met de vorige versie, maar vroeg zich met anderen af voor wie hij eigenlijk bedoeld is. Is het geen 'halve handreiking' die noch moderne noch traditionele gelovigen bevredigt en de middengroep in verwarring achterlaat?
Met Pasen hebben de vrouwen het lichaam van de Heere toch niet zien liggen in het graf? De nota kan niet als pastorale handreiking naar de gemeente toe.
Ds. A. Terlouw toonde zich content. De nota kiest ervoor vast te houden aan het beeld van de lichamelijkheid, maar maakt aan de andere kant duidelijk waarom Van Gennep deze keuze niet maakte. Er wordt uitgelegd dat het op de wijze van Van Gennep óók kan. Voordat we elkaar verketteren, dienen we eerst te proberen naar elkaar te luisteren.
Oud.-kerkvoogd H. Reurink, 't Harde, trof in de nota een tolerantie aan die confessioneel niet verantwoord is. Experimentele theologie kan beter gemist worden.
Ds. W.H. Beekman, Koudum, kwam met een merkwaardige motie, namelijk om als synode uit te spreken 'De Heer is waarlijk opgestaan!'. Hij wilde hiermee aangeven dat al dat gedoe en gediscussieer over de opstanding van betrekkelijk geringe betekenis is. Laten we het éérste woord maar weer eens spreken, in de hoop dat daarmee het láátste woord gezegd is.
Synodepraeses ds. B. Wallet reageerde ad rem: Zo'n motie moet niet aangenomen, maar gezongen en uitgejubeld worden. Hetgeen direkt geschiedde door het zin­gen van gezang 210 : 4 uit het Liedboek.

Ds. M. Ravenhorst, Muiden zag de nota als aandeel in de blíjvende discussie. Dankbaar dat de nota partij kiest vóór de lichamelijkheid, zag hij toch graag dat het spreken hierover meer uitgediept werd vanuit de Schriften.
Ds. A. Sevenster, Groningen, maakte in een bewogen betoog bezwaar tegen het noemen van 'Auschwitz' in de nota. Wie dat doet roept geesten op die niet meer zo gemakkelijk in de fles gaan. De vraag 'waarom heeft God toen niet ingegrepen?' is een infame vraag. De echte vraag die gesteld moet worden is 'waarom hebben de mensen niet ingegrepen?'
Hij kreeg op dit punt bijval van verschillende sprekers.
Synodeadviseur ds. mevr. M.A. Sybrandij-Verbist (namens de Raad voor de Herderlijke Zorg) was het er niet mee eens dat de schrijvers uit het N.T. 'verward en verwarrend' over Jezus' opstanding schrijven. Dat geldt voor de nota zèlf! Er wordt om de hete brei heengedraaid. Het is triest en armoedig dat wij na twee jaar nòg niet pastoraal kunnen reageren op wat mensen tóen vroegen.
Prof. dr. A. van de Beek wees erop dat deze nota niet meer kon zijn dan een tussenrapportage van een voortgaand gesprek. Het is geen handreiking om de gemeente te sussen, maar een bijdrage om de mondige gemeente de gelegenheid te geven er verder over door te spreken.
In zijn repliek stelde mede-opsteller ds. A.W. Berkhof dat de nota meer een bijdrage is aan theologische bezinning in classes en kerkeraden, op scholen en universiteiten, dan een direkt op de gemeente gericht geschrift.
Over het schriftgezag moeten we blijven nadenken. Dit is een vervolgopdracht voor de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie.
Dr. L.J. v.d. Brom
wees erop dat de keuze van de commissie voor het lichamelijke karakter van Jezus' opstanding nu toch duidelijk genoeg was. Ook dr. F.G. Immink benadrukte nog eens, dat het hier slechts om een tussenrapport gaat. De bezinning moet voortgaan.

Besluitvorming
De synode besloot uiteindelijk met 6 stemmen tegen de nota in essentie te aanvaarden, het moderamen op te dragen de eindtekst vast te stellen en te zorgen voor toezending van de nota aan de gemeenten.
De nota heeft — terecht — níet de status gekregen van een pastorale handreiking. Daarvoor is het te weinig een getuigend, belijdend stuk geworden. Als weergave van de stand van een voortgaande discussie is het een knap stuk werk. Niet meer en niet minder dan dát.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voortgaand geding over de opstanding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's