Over regeer en beheer
Bijdrage n.a.v. de synodebesluiten 14, 15 maart 1991
Op de vergadering van de hervormde synode over 'bestuur en beheer' ging prof. dr. H.W. de Knijff, kerkelijk hoogleraar te Utrecht, in op de kwestie van de ouderling-kerkvoogd en in bredere zin op 'de verkerkelijking van het beheer'. Op ons verzoek stelde prof. De Knijff zijn toen gemaakte opmerkingen op schrift. Bijgaand treffen de lezers zijn bijdrage. Red.
Aan de orde is de sinds 1951 omstreden eenheid tussen 'regeer en beheer'. Het gaat hier om een eminent theologische kwestie en zo hebben de makers van de Kerkorde 1951 het ook aangevoeld. Het is opvallend, dat in de protesten tegen de verkerkelijking van het beheer, als nu voorgesteld, heel weinig echt theologische argumenten naar voren zijn gebracht. Het ging steeds om praktische bezwaren als invloed, deskundigheid, conflicten vermijden en dergelijke. Het enige theologische probleem is de kwestie, of de functie van kerkvoogd wel geschikt is om met het ambt van ouderling te verbinden. Destijds zijn daar diepgaande discussies over gevoerd. Als ik het goed zie, is de reden daarvan, dat men vreesde voor het gevaar van vermenging van de 'goederen der armen' (een heilig bezit, oudtijds, en daarom ook vaak 'goederen Gods' genoemd) met de goederen tot instandhouding der gemeente. Wellicht moet dat punt nog eens opnieuw ter discussie komen.
O. Noordmans geeft (VW dl. 5, 570-579) een niet makkelijk te ontzenuwen verdediging van de ouderling-kerkvoogd (tegenover A.J. Bronkhorst, die voor de diaken-kerkvoogd kiest).
Ik wil graag nog twee opmerkingen maken, de één meer nieuwtestamentisch, de ander meer historisch. Zij kunnen wellicht enige zijdelingse verheldering bieden.
Allereerst: het bijbelse aspect. Wij hebben een presbyteriale en niet een congregationalische kerkinrichting. Onze kerk wordt geregeerd door de ambten en wel in haar geheel. Er is in het N.T. geen theologisch argument te vinden, dat er voor pleit, het beheer van deze ambtelijke verantwoordelijkheid los te maken. Daarbij is een direkt beroep op de ambtsstructuur van het N.T. een onmogelijkheid. Het beeld, dat het N.T. hier biedt, is zeer bont, het wijzigt zich sterk met de voortgaande groei der gemeenten. Colleges bestaan nog niet, behalve wellicht het apostelcollege, dat niet precies te traceren valt. Structurele beheersproblemen doen zich nog niet of nauwelijks voor. Men kan aan het N.T. in ieder geval niets ontlenen, dat een aparte plaats zou kunnen inruimen voor de kerkvoogd als een niet aan de ambten gebonden figuur.
Ten tweede: het historische aspect. De reden waarom onze kerk zo tobt met dit probleem, heeft zijn wortels in het verre verleden van het 'corpus christianum' (de christelijke maatschappij). In de vroege Middeleeuwen werd weinig onderscheid gemaakt tussen armengoederen en kerkegoederen; de nadruk lag hierbij nadrukkelijk op de eerste. In de latere Middeleeuwen ontwikkelt zich een maatschappij, waarin de grenzen tussen de taken van de overheid en de kerk zeer vloeiend zijn. In de parochie ontstaat dienovereenkomstig een gemengd geld- en goederenbeheer. Overigens treft men al heel vroeg het argument van de noodzakelijke deskundigheid aan (betrek de koopman b.v.). Op deze wijze komt in de Middeleeuwen de kerkvoogd naar voren. Voogd is een woord uit het wereldlijk recht en bestuur. De kerkvoogd heeft één been in de wereldlijke ruimte en het andere in de kerkelijke. Het begrip parochie blijft zelf in dit opzicht onduidelijk, het omvat beide aspecten. Na de Reformatie blijft deze structuur nog heel lang voortbestaan. Er ontwikkelt zich dan een bijzondere, op het gereformeerde ambt gebouwde armenzorg, die als een bijzondere naast de bredere, parochiale blijft vigeren. De laatste blijft wereldlijk en is toch zonder het kerkelijke niet te denken (er zijn ook armvoogden). In de christelijke maatschappij met haar vloeiende grenzen valt het niet sterk op, dat de kerk over veel wat haar aangaat, geen echte zeggenschap heeft. Conflicten zijn er trouwens wel degelijk geweest (kerkeraden, die (17e eeuw!) kerkvoogden vermanen, iets te doen tegen de verwaarlozing van het kerkgebouw). Zo bleven de kerkvoogden tussen kerk en wereld in hangen. De kerkorganisatie van 1815 zette deze inrichtingsstructuur voort, door de kerkvoogden te recruteren uit notabelen, mensen met maatschappelijke verantwoordelijkheid, d.w.z. niet rechtstreeks vanuit de gemeente, maar op basis van maatschappelijk aanzien of eventueel deskundigheid. Dit alles kon nog niet zo veel kwaad, zolang het 'corpus christianum' nog min of meer voortbestond. Maar de theologische fout komt met de toeneming van de secularisatie onbarmhartig aan de dag. Men denke slechts aan de strijd in deze eeuw om de predikantstraktementen.
Tot slot: ik heb altijd gemeend, dat kerkvoogden ouderlingen dienen te zijn. De voorstellen brengen nu de mogelijkheid, kerkvoogd-lidmaten naast kerkvoogd-ouderlingen, in een bepaalde verhouding, te benoemen. Het lijkt in eerste instantie een goede en opportune overgangsoplossing. Maar na de synodediscussie zeg ik; het is wellicht ook structureel een goede (d.w.z. blijvende) oplossing. Het argument, dat men in een kerkvoogdij bepaalde zakelijke deskundigheden van soms zeer verschillende aard nodig heeft, is wel niet theologisch van aard, maar niet onzinnig. Men behoudt in deze regeling de mogelijkheid, die deskundigheden aan te trekken of te behouden. Op zichzelf hangt de eenheid van bestuur en beheer niet aan het feit, of alle kerkvoogden ouderling zijn, indien de juridische en ambtelijke band maar gegarandeerd is. Dit zou een restant zijn van de oude structuur, maar één met een zakelijk goed argument: deskundigheid te kunnen benutten. Er zijn twee componenten in deze redenering; enerzijds het theologisch uitgangspunt van de ambtelijke verantwoordelijkheid voor het totale gemeentewerk, anderzijds het belang van zakelijke deskundigheid binnen het college van kerkvoogden. Wellicht bieden deze nu aangenomen voorstellen daarvoor een optimale structuur. Men kan, na een zekere periode, bezien, of die niet zulke voordelen heeft, dat zij zou moeten gehandhaafd blijven.
P.S. We ontvingen nog een reactie op het synodeverslag in 'De Waarheidsvriend' van 21 maart l.l. inzake 'Bestuur en beheer' van ds. P. van den Heuvel te Vlaardingen. Dat stuk zal in het volgende nummer worden geplaatst.
Red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's