Noch rechts noch links maar de koninklijke weg
De drie kleine christelijke partijen — SGP, GPV en RPF — plegen nogal eens te worden aangeduid met de verzamelnaam 'klein rechts'. Voor drs. A.G. Knevel was dit aanleiding de fractieleiders van deze partijen in de Tweede Kamer eens te polsen met betrekking tot hun waardering voor deze benaming. Het resultaat van een ondervraging hierover stond te lezen in het blad Koers, onder de zogeheten Koersnoteringen. Dit resultaat mag opmerkelijk heten. De één wil namelijk voor de ander niet onderdoen in de afwijzing van het predicaat 'rechts' voor hun partij. Drs. G.J. Schutte van het G.P.V.: 'Wij zijn niet rechts. Wij willen graag christelijke politiek bedrijven en dat is heel wat anders dan linkse of rechtse politiek. Het is volstrekt onjuist om ons rechts te noemen'.
M. Leerling van de R.P.F.: 'Bij "reformatorisch" kan ik mij heel wat voorstellen, dat woord komt ook in de naam van onze partij voor, maar bij "rechts" kan ik mij niets voorstellen. Ik herken mij dus niet in de benaming "rechts".'
Ir. B.J. van der Vlies van de S.G.P.: 'Ik kan met de term niets beginnen. De SGP is niet rechts. Ik geef wel toe dat we in eigen kring vaak "rechts" genoemd worden, of dat men denkt dat de SGP "rechtse" politiek bedrijft, maar dat is ten onrechte.' Wel voegt hij eraan toe: 'Wanneer "rechts" staat voor "behoudend", dan zijn wij in zeker opzicht ook rechts. De SGP bestrijdt de vervlakking en normvervaging. Op ethisch gebied willen wij graag terug naar "oude" normen en waarden.'
Van der Vlies gaat intussen nog wat dieper op de kwestie zelve in door te zeggen: 'maar er is meer'. 'In de SGP is de laatste jaren toenemende aandacht gekomen voor de sociale component in de christelijke politiek'. Hij noemt dan koopkrachtbehoud voor de minima en handhaving van 'de koppeling' en besluit met de opmerking dat het onjuist is wanneer de aanduiding 'reformatorisch rechts' synoniem zou zijn met gewoon 'rechts'.
Het is begrijpelijk en ook verheugend, dat de genoemde spraakmakende politici van reformatorische politiek in ons land er geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat ze elke vereenzelviging met (algemeen) rechts afwijzen. Rechts staat immers zowel voor liberaal als voor centrum-democratisch, zowel voor de kolonel-regimes in Latijns-Amerika als voor allerlei fascistoïde bewegingen elders in de wereld. En we hebben de tijd nog niet zo ver achter ons liggen waarin te onzent, in de Westeuropese cultuur, aan het licht trad hoe demonisch 'rechts' kon zijn.
Ik kan mij dan ook goed indenken, dat de drie genoemde politici het etiket rechts liever voor anderen reserveren. Zou men overigens echter het predicaat 'links' aan hun partij toedichten dan zou dit ongetwijfeld óók protest uitlokken. Zij zijn dan ook niet de eersten, die met dit probleem van vereenzelviging met links of rechts te tobben hebben. Reeds de vermaarde hervormde theoloog uit de vorige eeuw dr. Ph.J. Hoedemaker zei al: 'noch rechts, noch links maar de koninklijke weg'. Dat is de weg van de Koning, die het ook in politicis voor het zeggen heeft. Vandaar de titel boven dit artikel.
Mentaliteit
De uitdrukking rechts heeft kennelijk te maken met mentaliteit, méér nog dan met principe. Rechts in de politiek heeft vooral te maken met de visie òp en het omgaan mèt de sociaal-zwakke medemens. Het gaat dan om wat we noemen de sociale bewogenheid. Liberaal-rechts wil dan vanouds kennelijk zoveel zeggen als het nadrukkelijk denken in rangen en standen, met de dienovereenkomstige bejegening van de éne mens door de andere mens, bijvoorbeeld in de sfeer van werkgevers en werknemers. Prof. dr. ir. A. Moens zei dezer dagen in het RD niet zonder reden: 'in het algemeen hebben wij te weinig gezien dat het socialisme in de goede zin van het woord de christen nader staat dan het liberalisme.'
Centrum-democratisch rechts staat voor onderdrukking of discriminatie van culturele minderheden, te onzent van Turken en Marokkanen.
De rechtse kolonel-regimes in Latijns-Amerika hebben de jaren door er geen enkele onduidelijkheid over laten bestaan wat mensenlevens hun waard zijn; al moet van de weeromstuit niet gedacht worden, dat mensenlevens allerwegen veilig zijn onder politiek-linkse regimes.
Hoe het ook zij, sociale bewogenheid is vaak niet het meest kenmerkende voor wat algemeen in wereldverband met politiek-rechts wordt aangeduid.
Als zodanig is het begrijpelijk, dat Van der Vlies de sociale kwestie uitdrukkelijk noemde. Wanneer immers reformatorische politiek staat voor bíjbelse politiek — en daar stáát het voor — dan zou er sprake zijn van een innerlijke tegenstrijdigheid wanneer er geen zicht zou zijn op sociale gerechtigheid, tegenover sociaal onrecht. Die sociale gerechtigheid — her en der aan de orde gesteld door de profeten en de apostelen — heeft betrekking op met het omgaan met de armen, de bejegening van 'de weduwe en de wees', de zorg voor de kans-armen in de samenleving, de garantie voor een eerlijke ongebonden rechtsspraak, het helpen van hen, die geen helper hebben, bijvoorbeeld de vluchtelingen in wereldverband. 'Gerechtigheid verhoogt een volk en zonde is de schandvlek der natiën.' Dat raakt alle geboden.
Kortom, het zal een erezaak zijn voor reformatorische politiek om díé gerechtigheid na te jagen, die ook de Schrift ten aanzien van het sociale leven stelt. Strookt daarmee, gezien de praktijk van het politieke handelen, het predicaat rechts niet, dan dient het te worden uitgebannen uit de christelijke politiek. Het gaat juist in de reformatorische, liever (zeg ik) de gereformeerde politiek om de weg van de Koning, die in de Schriften ook een rechtváárdige Koning, alsmede een Barmhartige Hogepriester wordt genoemd.
In de kerk
Nu kan men zich afvragen of men een betiteling, die men in de politiek afwijst, in de kerk moet omhelzen. In de kerk níét voor 'rechts' te worden gehouden, betekent immers zoveel als niet voor vòl te worden aangezien, dat wil zeggen niet voor voluit gereformeerd te gelden. Nu is dat op zich begrijpelijk als namelijk met rechts wordt bedoeld recht: rècht in de léér, oftewel orthodox. Het behoeft geen betoog, dat het woord rechts, zoals dat in ons (kerkelijk) spraakgebruik is ingeburgerd, in de Schrift niet voorkomt. Dat we echter de rechte leer, die naar de godzaligheid is, oftewel de gezonde leer hebben na te jagen, dat is náár de Schriften. (1 Tim. 4 : 16, Titus 1 : 9). Als rechts echter ook binnen de kerk(en) meer een kwestie van mentaliteit zou zijn dan van principe, dan van de gezonde leer, dan wringt ook hier de schoen. Rechts kan immers ook in de kerken zoiets worden als een mentaliteitskwestie: de ander overtroeven in rechtzinnigheid of het onderhouden van bepaalde tradities, met daarachter de (hoewel nooit uitgesproken) gedachte: ik ben heiliger dan gij. Zoals ook links overigens een mentaliteistkwestie kan zijn: zich in progressiviteit verheven voelen boven wat men bekrompenheid acht of het zich in reactie verzetten tegen het van eerlang overgeleverde.
Als rechts en links nu louter aanduidingen gaan worden voor een mentaliteit dan is het de vraag of we ons ook kerkelijk wel op de weg van de Koning bevinden.
Als rechts in de kerk, net als in bovengenoemde rechts-politieke kringen, zélfs zou betekenen het. missen van bewogenheid omtrent de medemens, binnen de kerk en daarbuiten, met name ook bewogenheid omtrent het gééstelijk welzijn, dan is het volstrèkt de dood in de pot. Niet ten onrechte wordt wel eens de staande uitdrukking gebezigd, dat we niet mogen afwijken ter rechter en ter linker zijde. De heer K. Bokma waarschuwde daartegen niet ten onrechte bij zijn recente afscheid als directeur van het RD. Zowel afwijken ter rechter als ter linker zijde kan namelijk betekenen het afraken van de koninklijke weg, van de weg van de Koning. In dat geval kan rechts of links zelfs een sta-in-de-weg worden voor het rechte omgaan met elkaar voor Gods Aangezicht. En de liefde sneuvelt dan als eerste.
Ooit voegde mij in Jeruzalem bij de Klaagmuur een orthodoxe rabbijn niet zonder trots toe, dat hij was opgeschoven naar een richting binnen het jodendom, waarbinnen het minst mocht, waarbinnen dus handhaving van (menselijke) inzettingen het meest stringent werd doorgevoerd. Hij wilde rechts zijn in optima forma. Dat zelfde kan echter ook het geval zijn binnen de kerk. Intussen, kunnen we rechts zowel als links ver van de koninklijke weg afdwalen, zelfs zonder kennis van en gemeenschap met Christus. Op die weg van Christus geldt ten diepste geen rechts en geen links, maar treffen we de richtingwijzers van de heilzame geboden, de graadmeter van de liefde van en tot Christus, en als einddoel de eer van de Koning. Een Christusgelijkvormig leven overstijgt alle mentaliteitskenmerken.
Integraal
Op de keper beschouwd gaat het om zo te zeggen niet aan in de éne sector van het leven (de pofitiek) uitdrukkelijk niet rechts (of links) te willen heten en in de andere sector (in de kerk) stáát te maken op dit predicaat. Met name omdat dit predicaat geen bijbels gegeven is. Bovendien heeft rechts altijd een nòg rechtser. Het leven moet en mag niet opgedeeld worden in segmenten. Het christelijke leven is één, in kerk en maatschappij, in onderwijs en politiek, in handel en wandel, in de binnenkamer en op straat. Men kan soms ook door christenen in links-politieke kring (om dan toch die aanduiding maar even te gebruiken) de gedachte horen verdedigen, dat men, hoewel politiek links, toch theológisch rechts wil zijn. Het is net zo oneigenlijk als niet rechts te willen heten in de politiek en kerkelijk die betiteling aan de boezem te drukken. Het adagium van Hoedemaker, dat als titel boven dit artikel staat afgedrukt, geldt, dunkt me in kerk en staat, binnen de gemeente en in het maatschappelijke leven: 'noch rechts, noch links maar de koninklijke weg'!
De koninklijke weg is de weg van Koning Jezus. Hij was bewogen over de schare en gaf de mensen daarom brood en genas de zieken. Hij weende echter ook om Jeruzalem, omdat die stad weigerde zich te laten vergaderen door Hem vanwege Zijn boodschap. Tranen vanwege de ongehoorzaamheid. Maar Jezus weende ook bij het graf van Lazarus. Als rechts en links begrippen worden, ver van de Koning moeten we ze maar uitbannen. Het christelijk getúígenis is er dan niet mee gediend. Als rechts verder voor recht-in-de-leer staat, zal het alleen dàn goed functioneren wanneer het léven, het gééstelijk leven door de leer heen mag stralen. Want, als het er hélemáál op aankomt, zal alles wat buiten de Weg, die Christus Zelf is, omgaat, of het nu links of rechts heet, in de dag van het oordeel hout, hooi en stoppelen blijken te zijn.
Waar het uiteindelijk wel om gaat is: 'houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme' (Openb. 3 : 11). Dat geeft in het bezig zijn binnen kerk en gemeente de rèchte harts-tocht en de rèchte bewogenheid. Enkele verzen eerder zegt de Verhoogde Christus tot Zijn gemeente: 'Gij hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend' (Openb. 3 : 8).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's