De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In meerderheid uit ambtsdragers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In meerderheid uit ambtsdragers

8 minuten leestijd

In het artikel 'De synode over bestuur en beheer' in De Waarheidsvriend van 21 maart 1991 besluit ir. J. van der Graaf zijn weergave van de behandeling van de nieuwe beheersregeling door de generale synode met de woorden: 'Daarom, is onze slotconclusie, dat er waardering mag zijn voor het feit dat naar de kritische stem van de gemeenten is geluisterd. Maar het ontgaat ons waarom de verhouding van het aantal ambtsdragers to.v. het aantal niet-ambtsdragers niet anders geregeld kon worden dan nu is geschied.'
Op deze laatste vraag wil ik graag ingaan. Voor alle duidelijkheid roep ik nog even in herinnering waar het om gaat. In de nieuwe beheersregeling zoals die nu is aanvaard en die uiterlijk op 1 januari 1996 voor alle gemeenten zal gaan gelden wordt er een verbinding tot stand gebracht tussen de kerkeraad, de ambtelijke vergadering van de gemeente die geroepen is aan de gemeente in haar leven en werken leiding te geven, en het college van kerkvoogden dat als taak heeft de verzorging van de stoffelijke aangelegenheden van de gemeente.
In gemeenten met vrij beheer en met oud toezicht staan die twee nu meestal nog naast elkaar, zonder organische verbinding.
De verbinding tussen kerkeraad en college van kerkvoogden wordt in de nieuwe beheersregeling gelegd op een aantal punten:
1. in het voorschrift dat de kerkeraad een beleidsplan opstelt voor de komende vijf aren. In dat beleidsplan wordt een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen met betrekking tot de financiën die voor de uitvoering van het beleidsplan nodig zijn. Daarom wordt met het college van kerkvoogden overleg gepleegd voordat het beleidsplan wordt vastgesteld;
2. de begroting en rekening van het college van kerkvoogden worden door de kerkeraad vastgesteld, nadat daarover overeenstemming is bereikt met het college. De kerkvoogden maken de ontwerp-begroting (die binnen het kader van het beleidsplan moet blijven), de kerkeraad stelt hem vast en over eventuele wijzigingen in het ontwerp moet men het samen eens worden;
3. de meerderheid van de leden van het college van kerkvoogden en van een wijkraad van kerkvoogden bestaat uit kerkvoogden die als ambtsdrager, dus als ouderling-kerkvoogd, zijn bevestigd.
In de kerkorde van 1951 werd ervoor gekozen dat alle kerkvoogden tot ambtsdrager zouden worden bevestigd. Op deze wijze werd bereikt dat alle kerkvoogden zitting hebben in de kerkeraad en daardoor veel directer betrokken werden bij het algehele beleid van de gemeente. Ze leerden medeverantwoordelijkheid te dragen voor het pastoraat en de prediking, voor het jeugdwerk en het evangelisatiewerk. Als leden van de kerkeraad werden ze direct betrokken bij de vragen die in de gemeente leven.
In tweederde van alle gemeenten zijn dus al sinds jaren alle kerkvoogden lid van de kerkeraad. Als de nieuwe beheersregeling an kracht is geworden geldt voor alle gemeenten dat de kerkvoogden tot ambts­drager bevestigd moeten worden.
Vanuit de wereld van de kerkvoogdijen was echter het signaal gehoord dat het voor de niet-aangepaste gemeenten toch wel een grote stap zou zijn wanneer alle kerkvoogden het ambt zouden moet aanvaarden. Daarom heeft de werkgroep die de voorstellen heeft voorbereid bepleit het mogelijk te maken dat niet alle kerkvoogden tot ouderling-kerkvoogd moeten worden bevestigd, maar het voldoende is als in elk geval de meerderheid van de kerkvoogden als ambtsdrager lid is van de kerkeraad.
Dat is een dermate ingrijpende wijziging ten opzichte van de kerkorde van 1951 dat daarvoor zelfs een wijziging van de Romeinse artikelen van de kerkorde (de 'grondwet van de kerk') nodig was. Mede daarvoor moest de synode in verdubbelde zitting bijeen komen!
Door deze mogelijkheid van niet-ambtsdragers in het college van kerkvoogden deed de synode een belangrijke concessie aan de gemeenten die nog geen ouderlingen-kerkvoogd kennen.
In de nota Bestuur en Beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk heeft de Gereformeerde Bond te kennen gegeven tegen deze regeling 'in principe geen bezwaar' te hebben, maar 'om praktische redenen' er de voorkeur aan te geven genoegen te nemen met de 'minimale verhouding ambtsdragers: niet-ambtsdragers' van 1 : 2 (blz. 31).
Die praktische reden is 'dat in veel plaatsen het aantal beschikbare capabele kerkvoogden, die tevens ambtsdrager willen worden te gering is'. Dertien van de 57 classicale vergaderingen hebben deze wens ondersteund, waarbij meer dan eens gewezen werd op de praktische problemen die zouden kunnen ontstaan.
De synode moest dus vooral voor de praktische problemen een oplossing zoeken en de synode heeft dat ook gedaan. Er is een uiterst soepele overgangsregeling getroffen, waardoor iedere gemeente zeer ruim de tijd krijgt zich op de nieuwe situatie in te stellen!
Het ligt in de bedoeling dat de regeling van kracht wordt per 1 januari 1992. In de regeling is een overgangstermijn opgenomen van vier jaar, dat wil zeggen dat iedere gemeente uiterlijk per 1 januari 1996 de plaatselijke regeling moet hebben aangepast.
Na de datum waarop de plaatselijke regeling van kracht is geworden, worden de kerkvoogden bevestigd tot ouderling-kerkvoogd 'tenzij zij daartoe niet bereid zijn of geen lidmaat der gemeente mochten zijn' (overgangsbepaling 281). De kerkvoogden die niet tot ouderling-kerkvoogd bevestigd worden 'treden – zo zij dat wensen – gedurende hun verdere zittingstijd op als boventallig lid van het college van kerkvoogden met concluderende stem' (overgangsbepaling 286).
Met andere woorden: ze mogen gewoon aanblijven en hun tijd uitdienen. Er kan zelfs in de plaatselijke regeling een bepaling worden opgenomen dat kerkvoogden (al of niet ambtsdrager) die de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt kerkvoogd (en eventueel ambtsdrager), mogen blijven en eenmaal direct herkiesbaar zijn (overgangsbepaling 287a).
Dit waren bestaande overgangsbepalingen, die gehandhaafd zijn.
Bovendien heeft de synode door het aannemen van de motie van oud. L.M. Bos uit Zegveld het mogelijk gemaakt aan het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering toestemming te vragen om gedurende de eerste vier jaar na de aanpassing te volstaan met een college van kerkvoogden dat in elk geval voor eenderde uit ambtsdragers bestaat. Door deze nieuwe overgangsbepaling wordt het dus niet alleen mogelijk voor zittende kerkvoogden om hun zittingsperiode vol te maken, maar ook om nieuwe kerkvoogden te kiezen die geen ambtsdrager willen worden. Als een gemeente van deze mogelijkheid gebruikt maakt duurt het tot de 21e eeuw voordat de meerderheid van het college van kerkvoogden uit ambtsdragers bestaat!
En dat alles om tegemoet te komen aan gemeenten, die praktische problemen hebben om in korte tijd kerkvoogden te vinden die het ambt willen aanvaarden.
De vraag van ir. Van der Graaf is: waarom is de synode niet nog een stap verder gegaan en heeft ze niet besloten dat de mogelijkheid van een college waarvan eenderde deel ambtsdrager is voorgoed zou gelden?
Ik denk te kunnen zeggen, dat voor de synode hier juist een principieel punt ligt. De principiële keuze van de kerk is al sinds 1951 dat alle ambtsdragers lid zijn van de kerkeraad. En ook voor de toekomst is dat de meest aanbevelenswaardige situatie. Ik hoop dat de gemeenten zo min mogelijk van de uitzonderingsmogelijkheden gebruik zullen maken en dat de kerkvoogden zich voluit in het ambtelijk beleid zullen laten betrekken.

Het zou naar mijn overtuiging een slechte zaak zijn als we ons bij de praktische problemen zouden neerleggen en zouden volstaan met een college van kerkvoogden dat slechts met een minimale lijn aan de kerkeraad verbonden is. Daarmee zou het college een instantie worden die grotendeels buiten de kerkeraad staat en daarmee alleen contact onderhoudt via een vertegenwoordiger en via de jaarlijkse, onderhandelingen over de begroting. De 'vertegenwoordiger van het college in de kerkeraad' zou dan geregeld verslag kunnen doen van wat er in de kerkeraadsvergadering is besproken. Maar van een wezenlijke betrokkenheid van het college van kerkvoogden bij het beleid van de kerkeraad, bij het geestelijk leiding geven aan de gemeente, bij de pastorale en diakonale zorgen, bij de moeiten inzake het apostolaat, bij de verantwoordelijkheid voor de prediking, bij de opbouw van de gemeente in het onderlinge pastoraat is op die manier geen sprake. En het is juist het dragen van deze verantwoordelijkheid die voor het echt kunnen functioneren van de kerkvoogden ten dienste van de gemeente zo wezenlijk is! Prof. Haitjema sprak van 'het geestelijk verantwoordelijkheidsgevoel van in het dienende ambt van ouderling-kerkvoogd te staan midden in de gemeente'. Het is juist deze positie die ervoor heeft gezorgd in de afgelopen 40 jaar dat de verhouding tussen de kerkeraden en de colleges van kerkvoogden op de meeste plaatsen zo sterk is verbeterd vergeleken bij de vooroorlogse jaren. We mogen deze winst van de kerkorde van 1951 niet verloren laten gaan, omdat we in een aantal plaatsen tijd nodig hebben om de gemeente te leren dat de verantwoordelijke kerkvoogden in de kerkeraad horen, om daarin mee te bidden en mee te werken, mee te denken en mee te danken.
Het (geregeld) participeren van de kerkvoogden in het werk van de kerkeraad als geheel is van minstens even groot belang als het overleg (eenmaal per jaar) om tot de vaststelling van een begroting te komen.
Daarom wilde en kon de synode niet verder gaan dan ze deed. Ze heeft belangrijke concessies gedaan om aan de praktische bezwaren tegemoet te komen, maar kon het principiële uitgangspunt niet prijs geven, dat het college van kerkvoogden geen college naast (of tegenover) de kerkeraad is maar een college in (of vanwege) de kerkeraad.
Zo blijft het presbyteriale uitgangspunt bewaard, dat de kerkeraad de ambtelijke vergadering van de gemeente is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

In meerderheid uit ambtsdragers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's