Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit
Professor W.H. Velema heeft zich geschaard bij de velen, die zich momenteel bezinnen op de betekenis van de spiritualiteit voor de christelijke gemeente. De practische aanleiding ertoe lag in een door hem in 1989 gehouden rectorale rede, die hij heeft uitgewerkt in een boek, dat hij de titel meegaf: Nieuw zicht op Gereformeerde spiritualiteit. Juist het vele en velerlei gebruik van het woord 'spiritualiteit' heeft Velema ertoe gebracht om dit boek te schrijven. Hij wil namelijk het eigene van de gereformeerde spiritualiteit beschrijven 'in contact en in confrontatie met wat er in onze tijd over spiritualiteit wordt gezegd' (9).
Inderdaad wordt de stijl en de sfeer van dit boek hierdoor gestempeld. Wat de stijl betreft wordt dit duidelijk uit de beschrijvende en vaak wat rationeel aandoende schrijftrant. Enerzijds wordt de helderheid daardoor aangescherpt, aan de andere kant staat deze manier van schrijven enigzins op gespannen voet met het thema zelf De spiritualiteit leent zich het beste ertoe om ook spiritueel te worden beschreven. We merken telkens, dat Velema tot dat laatste pogingen in het werk stelt, maar omdat zijn boek tegelijk een polemische en apologetische strekking heeft, blijft de wetenschappelijke toonzetting toch overheersend.
Wat het polemische betreft, is het waardevolle van dit boek, dat Velema in kort bestek een schets geeft van hoe moderne theologen zich over de spiritualiteit hebben uitgesproken. Voor mij was het leerzaamste en meest interessante, wat hij over W. Pannenberg schrijft (49 vv.). Deze spreekt van een neurotisering van het schuldbesef bij de moderne mens, die door de moderne filosofen en het huidige levensgevoel is gewekt en wordt gevoed. Daardoor is er een onoverbrugbare kloof ontstaan tussen onze tijd en de tijd vóór de Verlichting, waaruit door Pannenberg de conclusie wordt getrokken, dat we na Nietzsche en Freud niet meer over schuld kunnen spreken zoals de Reformatoren hebben gedaan.
Voor Velema is dit een aanleiding om dieper in te gaan op het probleem van de contextualiteit. Van elk geestelijk verschijnsel geldt, dat het zijn specifieke vorm ontvangt vanuit het tijdsbeeld, waarin het is ontstaan. Ook van de spiritualiteit geldt dit. Maar, zo luidt dan de kritische vraag van Velema, hoe ver en hoe diep gaat dit? Betreft dit alleen de vorm of ook de inhoud van het geloof en van het leven des geloofs? Voor Velema is het duidelijk, dat er van contextualiteit alleen dan legitiem sprake kan zijn, wanneer het slechts de vorm van de spiritualiteit betreft en niet de inhoud. Daarom kan hij o.a. met Pannenberg niet meegaan, wanneer deze van een veel meer inhoudelijke contextualiteit wil weten. Hier ligt dan ook volgens Velema de oorzaak ervan, dat er momenteel op zo'n verschillende en vervagende en verwarrende wijze over de spiritualiteit wordt gesproken.
Binnen dit referentiekader gaat Velema dan uiteenzetten, wat de gereformeerde spiritualiteit inhoudt. Maar hij moet zich dan wel eerst verantwoorden over wat hij onder 'gereformeerd' verstaan wil hebben. Hij draagt dan de bekende en fundamentele gereformeerde noties aan als de goddelijke souvereiniteit, de radicaliteit van de zonde, het werk van de Geest en het door Hem gewekte genade-leven en ook de verwachting van de toekomst van Christus. Tegelijk maakt Velema een onderscheiding tussen spiritualiteit en vroomheid. De laatste is de kern van de eerste zoals de eerste een uitwerking en uitwaaiering van de tweede is (74).
Een verdere meer subjectief gerichte uitwerking van het eigene van de gereformeerde spiritualiteit wordt verderop gegeven (96 vv.). Hier komt vooral het geloof ter sprake zowel wat zijn inhoud (fides quae) als zijn functioneren (fides qua) betreft. Het gaat in het geloof om de persoonlijke relatie tussen God en mens, en daarom is geloofsspiritualiteit zo wezenlijk. Het ligt echter voor de hand, dat dan ook gevraagd wordt naar de bijbelse wortels. Daarin neemt de vreze des Heeren uiteraard een centrale plaats in: het geloof lin de praktijk van het leven met zijn hoogte- en dieptepunten, met zijn strijd en aanvechting, maar ook met zijn overwinning in Christus.
Velema schrijft hier waardevolle bladzijden over, maar wel blijft het in sterke mate beperkt tot het innerlijke leven. Door hem wordt de Zuid-Afrikaanse theoloog W.D. Jonker aangehaald (105 v.), die erop wijst hoe in het Oude Testament de spiritualiteit zich concretiseert in een intense aandacht voor het aardse leven. Velema sluit zich daarbij aan, maar juist dit laatste komt in zijn eigen betoog niet zo uit de verf. Juist hier zou er een mogelijkheid zijn om enigermate 'nieuw zicht' te geven op de gereformeerde spirutialiteit, zoals de titel van het boek min of meer belooft. Het nieuwe komt er nu, voorzover ik zien kon, niet zo uit. Ook niet, wanneer Velema de gereformeerde toekomstverwachting (118) aan de orde stelt. Velema sluit zich dan aan bij wat Calvijn hierover schrijft in Institutie III, 9 en 10. Maar als Velema in dit opzicht de Nadere Reformatie, die hij ook ter sprake brengt, met Calvijn vergeleken had, zou er toch wel meer reden geweest zijn om in aansluiting bij de Nadere Reformatie tot een enigszins nieuw zicht te komen. Velema sluit zich echter geheel bij Calvijn aan, kritieklozer dan hij vroeger dee.
Wat Velema wel als een nieuw gegeven wil aanvoeren, is zijn voorstel om de oefening in de spiritualiteit te bevorderen. Eén van de middelen daarvoor ziet hij in een invoeren van het vak 'oefeningen in de vroomheid' in de predikantenopleiding. Maar echt nieuw is dit niet, omdat Voetius daarmee al bezig is geweest, waarvan wij de royale vrucht hebben ontvangen in zijn Exercitia Pietatis.
Voetius voerde dit vak in vanwege de kritiek van de Nadere Reformatoren, die vonden dat de academie te veel een domineesfabriek was (J. van Lodenstein). Maar of het resultaat bevredigend is geweest, is de vraag. Opmerkelijk is, dat Voetius niet wilde, dat het boek uit het Latijn in het Nederlands vertaald werd. Wie het leest, gaat begrijpen, waarom Voetius dit heeft gezegd. Het leent zich niet zo heel goed voor spiriteel gebruik, al gaat het dan wel over de spiritualiteit. Dit probleem voel ik ook een beetje bij het lezen van het boek van Velema. Zijn intentie is om de vroomheid te bevorderen. Maar juist uit zijn boek wordt duidelijk, dat als je er op een meer 'theoretische' manier over schrijft en ook in die geest dit vak zou gaan doceren, het spirituele leven zelf er niet direct door wordt gesticht of aangevuurd.
Met dit laatste is ook meteen mijn wat kritische waardering verbonden. Ze betreft vooral twee kanten van dit boek. In de eerste plaats heb ik het 'nieuwe' gemist van deze zicht op de gereformeerde spiritualiteit. In de tweede plaats vind ik het te rationeel beschreven, te veel polemisch ook, in het afwijzen van wat anderen menen. Daar komt bij, dat op deze wijze stilzwijgend wordt verondersteld, dat de gereformeerde spiritualiteit nog gaaf en goed is. Zoals Velema haar beschrijft, lijkt dit ook zo te zijn. Alleen kon ik de vraag al lezend niet onderdrukken: hoe komt het dat er met zo'n goede spiritualiteit zo weinig werkelijk levende en wervende spiritualiteit onder de gereformeerden gevonden wordt? Zou dat, behalve aan deze gereformeerden, ook nog aan de gereformeerde spiritualiteit zelf kunnen liggen? Deze kritische en toch nodige vraagstelling heb ik in dit boek gemist. Misschien is daaruit ook te verklaren, dat een behandeling van de Geestesgaven in deze studie niet voorkomt. Kennelijk lag dit buiten de horizon van een vaststaande gereformeerde visie op spiritualiteit.
In het laatste hoofdstuk wordt door Velema een verband gelegd tussen spiritualiteit en de z.g. Godsverduistering. Ook in dat hoofdstuk gaat Velema niet in op de geestelijke nood van de mens van vandaag, gereformeerd of niet, maar bevat opnieuw een polemiek, nu met mijn boek Gereformeerden op zoek naar God en met G.D.J. Dingemans boeken Achter de schermen. Bijbellezen in de tijd van de verborgen God en De tijd van de verborgen God. Wat mijn boek betreft geeft Velema ongeveer weer, wat hij erover geschreven heeft in De Waarheidsvriend. Hierop hoef ik nu niet in te gaan, omdat het de bedoeling is, dat ik in een aantal artikelen in De Waarheidsvriend op zijn en andere reacties op mijn boek zal ingaan.
N.a.v. W.H. Velema, Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit, Uitg. Kok-Voorhoeve, Kampen, 1990, 208 blz., ƒ 29,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's