De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tucht in Kerk en Gemeente (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tucht in Kerk en Gemeente (6)

Een verwaarloosde zaak?

10 minuten leestijd

Zelftucht
Nog altijd zijn wij bezig na te denken over de tucht bij het Heilig Avondmaal. In een vorig artikel duidde ik er reeds op, dat de allereerste en de allervoornaamste tuchtoefening een heel persoonlijke is. Wanneer men bij de voorbereiding wordt opgeroepen om zichzelf te beproeven, houdt dit niets anders in, dan dat er wordt aangedrongen op zelftucht.
Let wel: wij worden niet opgeroepen om anderen op een weegschaal te leggen en — al naar gelang het gewicht — uit te maken wie er wel aan de tafel des Heeren kunnen gaan en wie niet. Neen, wanneer de voorbereidingspreek werkelijk noopt tot zelfonderzoek, zal het inderdaad een heel persoonlijke zaak zijn. Wij zullen — om zo te zeggen — de handen vol hebben aan onszelf. Zelfonderzoek is altijd zelftucht.
Dat zelfonderzoek geschiedt bij het Woord. En het is alleen het Woord dat voor ons de toegang tot de heilige dis ontsluit òf niet. Geen mensen kunnen voor ons daarin een beslissing nemen. Zelfs ons eigen hart verleent ons niet wel òf geen verlof om aan des Heeren tafel te gaan. Dat wordt ons alleen vanuit het Woord geschonken, de enige objectieve norm en maatstaf. Wij zelf òf anderen kunnen geen bron of norm zijn. Alleen het Woord! Wie derhalve goed luistert naar het Woord, weet werkelijk wel of hij aan de avondmaalstafel mag zeggen: 'Ik zal mijn hand op Jezus leggen, amen op Zijn offer zeggen.' Ik ontken daarbij niet dat er veel schroom kan zijn. Ook niet dat vooral in een voorbereidingsweek de satan niet stilzit en zijn vurige pijlen afschiet. Soms kunnen de aanvechtingen hevig en groot zijn. Niettegenstaande weet een ieder bij een rechte zelfbeproeving, waar hij staat. Met alle ups en downs in het leven weet men toch: ik ben rechtvaardig voor God òf ik ben het niet. Die het niet zijn, behoren niet aan het Heilig Avondmaal. Zelftucht zal ze dan ook weerhouden om aan te gaan. Wel worden zij naarstig opgeroepen tot bekering!

Onderlinge tucht
Wanneer wij over tucht bij het Avondmaal spreken, denken wij niet alleen aan zelftucht en kerkelijke tucht, maar dan denken wij ook aan onderlinge tucht.
Nu moet men mij goed verstaan. Onder onderlinge tucht versta ik niet een grenzeloze bemoeizucht. Ik denk dat het goed is, om altijd het woord van de apostel Petrus ter harte te nemen, als hij zegt dat wij ons niet met een andermans doen moeten bemoeien. Onderlinge tucht houdt ook niet in, dat wij wel even gaan uitmaken wie wel òf niet aan de tafel des Heeren gaat. Dat zou grenzeloze hoogmoed betekenen. Ten diepste maakt de Heere dat zelf uit.
Onder onderlinge tucht versta ik in de eerste plaats dat men een zaak bijlegt, wanneer men iets met zijn naaste heeft. Niet alleen de band met de Heere moet in orde zijn, maar ook de band aan èn met elkaar. Wanneer deze laatste band niet in orde is, kan achter de band met de Heere een vraagteken worden gezet. Ik weet dat ik nu voorzichtig moet zijn met wat ik neerschrijf. Immers, de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat iemand zeventigmaal zevenmaal geprobeerd heeft om het een en lander met z'n naaste bij te leggen en dat hem dit niet gelukt is. Dat alles ondanks zijn goedbedoelde pogingen. Wanneer dit het geval is, zeg ik niets meer. Ik ben van mening, dat in zo'n geval de troon der genade nog meer als een waterstroom moet worden aangelopen, opdat de Heere Zelf oplossingen aandraagt waar wij die niet zien.
Maar... afgezien van het bovenstaande, komt het toch maar al te vaak voor dat de onderlinge tucht ontbreekt. Onderlinge geschillen woekeren jaren voort. Men spreekt niet meer met elkaar. Men wil het hoofd niet voor elkaar buigen. Men wil niet de minste zijn. Werkelijk, de voetwassing in de christelijke kerk is van ouds een moeilijke zaak geweest. Het gaat daarin om het bukken voor elkaar. Niets is zo moeilijk als dat! Dit heeft niets te maken met het karakter, maar wel alles met het gebrek aan ootmoed. Béter geschreven: het heeft alles te maken met de oerzonde uit het paradijs: hoogmoed.
Ware er meer onderlinge tucht in de gemeente en dan in de zin zoals ik hierboven geschreven heb, het gemeentelijk- en kerkelijk leven zou er anders uitzien. Ook zou er veel meer werfkracht naar de wereld uitgaan. Mensen, vervreemd van God en Zijn dienst, zouden jaloers gemaakt worden. Zij zouden gaan zeggen: 'Ziet hoe lief zij elkaar hebben. Wat die christenen bezitten, willen wij ook graag hebben.'
Echter... ik denk niet alleen aan de werfkracht naar buiten. Onderlinge tucht zou ook veel meer beoefend moeten worden met het oog op de jongeren. Wat een wonderlijke gedachte moeten zij niet over het Heilig Avondmaal krijgen, wanneer zij aan één en dezelfde tafel gemeenteleden zien zitten van wie zij weten dat die reeds jarenlang iets met elkaar hebben. Al heel snel komt bij hen de gedachte op: kan dit alles zo maar? Jongeren voelen scherp aan en passen doorgaans heel concreet toe wat zij geleerd hebben. Wanneer ze geleerd is dat de Verbondsdis ontheiligd wordt, wanneer er het een en ander aan de onderlinge gemeenschap ontbreekt, zullen zij van het Heilig Avondmaal ook geen hoge dunk hebben, wanneer zij zien dat het er schandelijk aan de tafel des Heeren toegaat. Onder schandelijk versta ik dan: niet in overeenstemming met het Woord Gods. Of is dat wel in overeenstemming met het Woord, wanneer twee twisten en jarenlang elkaar niet aankijken?
In 't algemeen weten wij wel dat een hoereerder zich van de tafel des Heeren moet onthouden òf iemand die zich aan drank te buiten gaat. Maar tellen in dit geval dan het negende en het tiende gebod van de heilige wet des Heeren niet mee?
Met dit alles heb ik willen zeggen, dat de onderlinge tucht een zeer wezenlijke zaak is. Er moet geen mens aan tafel komen òf de zonde moet hem een hartelijk leedwezen zijn. Dat houdt ook in dat hij pas aan tafel komt, wanneer hij zijn uiterste best heeft gedaan om het met zijn naaste goed te maken, wanneer hij tenminste iets met zijn naaste heeft gehad.
Voorts zij opgemerkt, dat het bij onderlinge tucht niet gaat om een aantal strafmaatregelen doch dat men elkaar naar het goede wil trekken. Het woord tucht is zoals ons bekend zal zijn, ontleend aan een heel oud Nederlands 'tiegen'. Dat woord betekent 'trekken'. Wat vrij vertaald: naar het goede trekken.
Laat onderlinge tucht ook werkelijk altijd onderlinge tucht zijn. Een zaak tussen twee gemeenteleden moet onderling opgelost worden. Met God erbij, met het Woord erbij, met het gebed erbij.
Toch brengt dit alles mij nog op een volgende gedachte. Het is heel goed mogelijk dat er van onze kant niets met de naaste besproken behoeft te worden, omdat wij met hem niets hebben gehad. Wel, dat is dan erg mooi, wanneer men in vrede met God en met elkaar mag leven en er in die zin geen enkele verhindering is om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen. In zo'n geval is er dan ook geen sprake van onderlinge tucht in direkte zin. Dat wil intussen niet inhouden, dat wij onze naaste niet in alle liefde waarschuwen, wanneer wij zien dat hij op wegen gaat, die haaks staan op de wegen die de Heere ons in Zijn Woord voorhoudt, Dat waarschuwen is geen bemoeizucht. Neen, het komt op uit de liefde tot een drieënig God. Ook is men bevreesd dat die mens de Verbondsdis schendt, gesteld dat men aan het Heilig Avondmaal aangaat. Een derde motief om die ander onder vier ogen te spreken is, dat men bang is dat de ander verloren zal gaan, wanneer hij op z'n dwaze weg voortgaat.
Let wel: deze onderlinge tucht is nog niet zo eenvoudig. Ook vraagt zij van hem die haar beoefent veel wijsheid. En alvorens men daaraan begint, moet men zich niet alleen tien keer bedenken, maar mag men ook wel tien keer èn méér op de knieën gaan. De ander moet namelijk niet het gevoel krijgen, dat hij wordt betutteld. Ook niet dat het bemoeizucht van de ander is, die hem aanspreekt over kwalijke- en kwade wegen. Wie een ander onderhoudt over zaken die indruisen tegen Gods wil, zal heel goed op zijn woorden moeten passen. Bovenal zal de ander moeten gevoelen: 'Het is liefde voor mij die hem mij doet waarschuwen; hij heeft het goede, hij heeft het beste met mij voor.' Bij dat alles past een gestalte van ootmoed en nederigheid zoals de Zaligmaker daarin ons is voorgegaan. Hij zegt immers: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart. Alleen zó kan onderlinge tucht, het in liefde toezien op elkaar en elkaar opscherpen enig effect hebben.
Wie vanuit een zelfgewaande hoogte op anderen neerkijkt, moet aan déze tucht (trekken naar het goede) niet eens beginnen. Hij maakt de zaak eer erger dan beter. Het ergste van dit alles is bovendien dat de naam des Heeren wordt gelasterd. Door een verkeerde houding jegens de ander zelfs nog meer dan voorheen.

Discretie
Hopelijk is duidelijk geworden, dat zowel de zelftucht als de onderlinge tucht en deze laatste in de beide facetten zoals hierboven beschreven, een zaak van discretie is. Misschien is het een open deur intrappen, maar ik mag er wel op wijzen, dat men in de christelijke gemeente discreet met elkaar omgaat. Men moet als het ware vuurbang zijn om elkaar te kwetsen. Of wat nog erger is: elkaar de grond in te trappen. Dit laatste is wat scherp gezegd en zelfs enigszins platvloers, maar een ieder begrijpt wat ik bedoel.
Wanneer wij iets weten van een ander, moeten wij dat niet door heel de gemeente gaan brengen. Roddel, achterklap moet verre van ons zijn. Wij hebben voldoende aan onszelf. Wie zich verlustigt om het vuil van een ander op straat te werpen óf dat breed uit te meten, mist wellicht één ding in het leven: zelfkennis! Wij moeten er maar eens op letten, dat men bijzonder hoge gedachten van de ander krijgt, naarmate men in het leven vanuit het Woord door de Geest wordt onderwezen in zelfkennis. Laatstgenoemde kennis doet ons niet hoog van de toren blazen, doch maakt ons klein, ootmoedig en nederig.
Maar komt er dan van die onderlinge tucht nog iets terecht? Jazeker, maar wel bedenke men dat dit een zaak blijft tussen twee personen. Niet een hele gemeente heeft hiermee iets te maken. Onderlinge tucht houdt dus niet in dat een hele gemeente over de een of ander rolt. Neen, het blijft een zaak van discretie en een zaak van weinigen.
Ook passe men ervoor op om onderlinge tucht uit te oefenen ná de avondmaalsviering zonder dat de persoon erbij is. Hoe vaak komt het voor — en ik zeg dat niet vanuit de hoogte — dat na de avondmaalsviering wordt gezegd: 'Ik begrijp er niets van, maar hoe is het mogelijk dat die òf die aan de tafel is gekomen. Zijn leven is er toch niet naar.'
Kijk, dat is onderlinge tucht van de slechtste soort. Daarmee wordt de ander, gesteld dat hij fout is, niet naar het goede getrokken, maar ook wordt daardoor zijn naam nog in een kwaad daglicht gesteld. Laten wij maar zeer discreet te werk gaan.
Beter is het na de avondmaalsviering na te gaan wat de vruchten daarvan voor ons heel persoonlijk zijn. Trouwens, óók dàn gaat de zelfbeproeving, het zelfmishagen, de zelftucht door. Om over anderen te spreken die wel òf niet zijn aangegaan, is géén tijd. Dat is altijd het geval, maar zeer zeker dan wanneer wij om een of andere reden van de tafel des Heeren moesten afblijven. Dan is er meer reden tot zelfonderzoek voor Gods aangezicht dan dat wij over anderen spreken.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Tucht in Kerk en Gemeente (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's