Tucht in kerk en gemeente (7)
Een verwaarloosde zaak?
Geen bemoeizucht
Breedvoerig heb ik tot nu toe stilgestaan bij het hanteren van de eerste sleutel nl. de bediening van het Woord. Hierdoor wordt het hemelrijk geopend òf gesloten.
Er is echter nog een andere sleutel die door de kerk kan worden gebruikt nl. de kerkelijke tucht.
Dat woord 'tucht' moeten wij goed verstaan. Doorgaans klinkt dat woord ons niet aangenaam in de oren. Voor velen is het zelfs een besmet woord. Al heel snel wordt bij dit woord gedacht aan een stuk bemoeizucht van de kerk. Zéker dàn, wanneer er van kerkelijke tucht sprake is. De kerk heeft — naar de mening van velen — zich niet te bemoeien met dingen die wij zelf wel zullen uitmaken. Zelf maken wij wel uit òf onze leer en ons leven alsmede ook die van de ander in overeenstemming is met de Schrift.
Alleen... zo eenvoudig liggen de zaken niet. In dit verband maakte ik reeds eerder de opmerking dat nooit òf te nimmer ons hart een norm kan zijn. Ook niet: wat ik denk en wat ik mee òf wat ik voel. Het Woord, het Woord alleen is bron en norm.
Trouwens, er is nog iets waarop wij goed moeten letten. Wanneer wij bijvoorbeeld in de Heidelberger het woord 'tucht' lezen, dan moeten wij niet vergeten, dat in de oorspronkelijke taal van de catechismus staat geschreven: discipline.
Men mag dus zeggen, dat in de kerk er alles gedisciplineerd aan toe behoort te gaan. Gedisciplineerd is welgeordend. De discipline is er om al de kinderen van moeder (de kerk) in het gareel te houden.
Wel moeten wij hierbij niet vergeten, dat niet in de eerste plaats een kerkeraad alle kinderen van moeder in 't gereel moet zien te houden. In de Schrift worden de kinderen van moeder als mondige en volwassen kinderen beschouwd. Kinderen die enigszins op elkaar letten en die elkaar op een liefdevolle en ernstige manier terechtwijzen, wanneer er een weg wordt gegaan die niet naar de Schrift is.
Wat betreft de mondigheid en de volwassenheid van de kinderen om elkaar terecht te wijzen, wanneer dit nodig is, noem ik u twee Schriftplaatsen. Paulus schrijft in Kol. 3 : 16: 'Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander'. En de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt in hoofdstuk 3 : 13: 'Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde'. Men zal het wel met mij eens zijn, wanneer ik stel dat deze teksten niet alleen maar bestemd zijn voor kerkeraden en voor commissies in de kerk die zich met opzicht en tucht bezighouden, maar dat deze teksten bestemd zijn voor heel de gemeente. Een ieder moet zich verantwoordelijk weten voor de ander. In de goede zin van het Woord waakt men over elkaar en is men zeer bezorgd dat aan de discipline in het huis Gods iets zal ontbreken.
Nogmaals: dit is géén grenzeloze bemoeizucht. Bij de discipline zoals ik die meer dan eens in deze reeks artikelen heb beschreven gaat het om de eer van God, het wel-zijn van Zijn huis d.i. Zijn gemeente en het heil van het afzonderlijke gemeentelid.
Wanneer dit alles meer in 't oog werd gehouden, zou het kerkelijk-, gemeentelijk- en persoonlijk leven niet alleen welgeordender zijn, maar zou er veel minder geroddeld worden. Ja, de goede naam van de naaste zou meer bevorderd worden.
Openbaar
De bediening van het Woord is feitelijk al tuchtoefening. Hierover moeten wij niet gering denken. Het ontleedmes kan er diep ingaan. Niet met de bedoeling om een doodsteek tot te brengen als wel om het kankergezwel weg te snijden. Op die manier is de prediker helend en genezend bezig.
Maar helaas... heling en genezing vinden niet altijd plaats. Bepaalde zonden komen niet openbaar. Zij blijven verborgen. Het lijkt wel alsof het ontleedmes (de prediking) die niet kan bereiken om die weg te snijden.
Natuurlijk is het bovenstaande niet helemaal goed uitgedrukt. De prediking als ontleedmes kan die zonde wel wegsnijden. Zij wil die zonde ook weghalen. Echter... de zondaar wil dit niet. Men wil die zonde houden. Men wil die koesteren. Men wil dat bepaalde kwaad niet loslaten. Men wil die zonde — om het beeld van de prediking als ontleedmes nog even vast te houden — niet laten wegsnijden.
Welnu, wanneer er sprake is van een verborgen zonde, kan noch een gemeentelid noch een kerkeraad vermanend optreden. Alleen de Heere is hiervan op de hoogte alsmede de mens die zijn kwaad zo angstvallig verborgen houdt.
En let wel: als de zonde verborgen blijft, kan de kerk niet verder gaan. Nooit of te nimmer oordeelt de kerk over de harten. Dat hééft zij nooit gedaan. Dat mag zij óók in het heden niet doen. Wie ons hart oordeelt, is de Heere.
Dit laatste wil ik zelfs onderstrepen en met klem onder aller aandacht brengen. Alleen de Heere kent de harten. Hij alleen kent ons en Hij alleen doorgrond ons. Wij vergissen ons o zo vaak, maar de Heere nooit. Wij zien aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan. De verborgen zonde zal de Heere Zelf wel aan het daglicht brengen en daarover Zijn oordeel uitspreken.
Dat is zijn bevoegdheid die Hij niet heeft overgedragen aan een gemeentelid, kerkeraad of commissie die zich met de discipline in de kerk en in de gemeente bezighoudt.
Anders wordt het, wanneer de verborgen zonde openbaar wordt. Het Woord moet dan niet alleen gepredikt worden, doch ook gehandhaafd. Dat wil zeggen: moeder móet handelend optreden. De discipline van de gemeente/kerk is in gevaar. Aan een welgeordend leven wordt afbreuk gedaan. Men kan dit alles vergelijken met het gezinsleven. Vader en moeder staan erop dat er in het gezin orde heerst. Zo nu en dan is het nodig, dat zij corrigerend optreden en hun kinderen de huisregels voorhouden, want anders dreigt het gezinsleven een 'janboel' te worden. Door vader en moeder wordt er tucht geoefend. Dat kan zijn met straffe hand, hoewel ik daarvan doorgaans niet veel goeds gezien heb. Maar hoe het ook zij: met min òf meer straffe hand, tucht wordt er geoefend.
Zo dient dat nu ook te gebeuren in het grote gezin van de kerk. De tucht, de discipline moet ook daar gehandhaafd worden. En zeker dan, wanneer er zonden openbaar komen die indruisen tegen het leven en tegen de leer van de kerk d.i. tegen Gods Woord.
Vreemd
In de loop der jaren heb ik het altijd prachtig gevonden, dat velen in hun gezin een zekere orde weten te handhaven. Zowel in huis als naar buiten toe ziet het alles er piekfijn uit. Een ieder gedraagt zich correct en loopt in de weg die men van huis uit is gewezen. Menig ouder — bij wie dat niet zo is — ziet met jaloezie naar die gezinnen waar het er alles zo welgeordend aan toe gaat. Wel heb ik het altijd vreemd gevonden, dat die goede orde er blijkbaar in de kerk niet behoefde te zijn. In het gezin moest alles piekfijn in orde zijn, maar de kerk zou men het liefst zien als het huishouden van Jan Steen. Het schilderij van laatstgenoemde zal ons wel bekend zijn. Wat er op te zien valt maakt op mij de indruk dat alles in dat gezin mogelijk was!
In de kerk is dat bepaald niet het geval. Daarin heeft een ieder zich aan de kerkorde te houden, maar vooral heeft een ieder zich te houden aan wat de Schrift zegt. Hiermee speel ik kerkorde en Schrift niet tegen elkaar uit. Evenwel toon ik dit nu niet meer aan, omdat ik dit in een van de vorige artikelen reeds heb gedaan.
Zoals het niet vreemd is dat het er gedisciplineerd aan toegaat in de gezinnen, zo is het evenmin vreemd dat dit in de kerk en in de gemeente het geval is!
Hoe meer discipline in kerk en in gemeente, des te meer welzijn en welvaren.
Christelijke ban
Meer dan eens attendeerde ik er op, dat het handhaven van de tucht noodzakelijk is voor het welzijn van de kerk en voor het heilig houden van het Verbond Gods.
Onze Heidelberger wijdt aan dit alles zelfs een gehele zondagsafdeling. Ja, zelfs meer dan één. Immers, niet alleen in zondag 31, maar ook in zondag 30 wordt hierover gesproken. Voor wat wij nu willen gaan bezien nl. de christelijke ban is vooral zondag 31 vraag en antwoord 85 van belang. Gemakshalve schrijf ik die vraag en antwoord eerst neer. De vraag luidt: 'Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door de Christelijke ban?' Het antwoord luidt: 'Alzo, als volgens het bevel van Christus, degenen, die onder de Christelijke naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, de gemeente, of degenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden van de Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God zelf uit het rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus en van Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.'
Wanneer wij bovenstaande vraag en antwoord van de Heidelberger goed op ons laten inwerken, zal het ons duidelijk zijn, dat wij hier worden geconfronteerd met (bepaald bij) de noodtoestand van ons kerkelijk leven. Vraag 85 van Zondag 31 alléén gaat er al vanuit dat er slechts één kerk is. Wanneer men van die kerk wordt afgesneden, dan is men ook afgesneden van Christus en Zijn genade.
Alleen... van één kerk is in onze kontekst geen sprake. In ons land zijn vele, vele kerken. Sommigen hebben een overstapkaart. Zij stappen zonder te blikken òf te blozen over van de ene naar de andere kerk. Ik noem dat gebrek aan kerkelijk besef.
Toch is er in dit verband nog iets anders op te merken. Gesteld dat iemand van zijn kerk wordt afgesneden, maar dan is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat men op dezelfde dag van een andere kerk lid wordt. En dat men in die kerk deelt in alle rechten en plichten. Die afsnijding uit die andere kerk speelt dan geen enkele rol.
Het eigen huis
Ik ben altijd wat voorzichtig met te gaan wijzen naar andere kerken. Ik denk dat ons eigen huis (de kerk) ons genoeg werk geeft. Trouwens, wanneer men met één vinger naar anderen wijst, doet men het met drie naar zichzelf
In ons eigen huis zullen wij niet zo snel met de christelijke ban werken. Toch ziet een kerkeraad toe op een goede discipline. Om een heel concreet voorbeeld te geven: Van meer dan één kerkeraad is mij bekend, dat men toestemming verleent dat het huwelijk van twee samenwonende jonge mensen zal worden ingezegend, mits zij voor God schuld belijden en voor een bepaalde tijd uit elkaar gaan. Sommige jonge mensen geven hieraan gehoor. Anderen daarentegen worden boos, hoe pastoraal ook de kerkeraad met hen is omgegaan. Het gevolg is wel, dat deze jonge mensen dezelfde dag nog naar een deelgemeente stappen en zich daar in laten schrijven. Binnen een maand wordt hun huwelijk dan meestal ingezegend.
Wat wil ik met dit alles zeggen? Wel, dat zelfs in eigen huis het al heel moeilijk is, om een tuchtmaatregel te nemen en die dan ook te handhaven. Immers, in een andere kamer van dat eigen huis denkt men er geheel anders over.
Natuurlijk, dàt móest alles niet gebeuren. Maar de werkelijkheid laat ons wel anders zien. Op deze manier wordt niet alleen het beleid van een kerkeraad van de moedergemeente doorkruist, maar zelfs ontkracht door een andere kerkeraad.
Wat een wijsheid is er daarom nodig en blijft er nodig bij het handhaven van de tucht.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's