De tucht in Kerk en Gemeente (8 slot)
Een verwaarloosde zaak?
Een vorig keer toonde ik aan, dat een tuchtmaatregel van een kerkeraad niet altijd in dank wordt afgenomen. Wanneer men het met zo'n maatregel niet eens is, gaat men soms heel snel over naar een andere kerk. Wij merken dit op bij samenwonenden die heel pastoraal door een kerkeraad worden gevraagd om voor een korte tijd uiteen te gaan alvorens hun huwelijk wordt ingezegend. Maar hetzelfde constateren wij ook, wanneer praktiserende homofielen wordt aangeraden/vermaand om zich van de tafel des Heeren te onthouden. Heel gemakkelijk wordt er dan een overstapje naar een andere kerk c.q. gemeente gemaakt waar het er alles wat minder streng aan toegaat. Zo zien wij: handhaving van de tucht is nog niet eens altijd zo eenvoudig. De kerkelijke situatie in ons land maakt het alleen maar moeilijker.
Een welgeordende kerk
Wanneer ik in dit afrondend artikel schrijf, hoe het met de tucht in kerk en gemeente behoort te zijn, kan ik slechts uitgaan van een welgeordende kerk. Zo'n kerk heeft niet alleen prediking en bediening van de sacramenten nodig, maar ook kan zo'n kerk toezicht, opzicht en tucht niet missen. Wie behoren er tot die kerk? Het antwoord kan kort en eenvoudig zijn: de lidmaten en de doopleden. Hoewel... op grond van het Verbond zou ik daarbij toch ook min òf meer de geboorteleden willen rekenen.
Wel maak ik bij dit laatste de aantekening, dat in een welgeordende kerk er vanzelfsprekend alleen maar lidmaten en jongere doopleden zijn.
Belijdenis
Opzettelijk schreef ik in het voorgaande dat er in een welgeordende kerk lidmaten en jongere doopleden zijn. Immers, het behoort zo te zijn, dat een ieder die volwassen wordt belijdenis van het geloof aflegt. Terecht heeft à Brakel hierop in zijn 'Redelijke Godsdienst' gewezen. Hij stelt o.a. dat de kerk niet zonder lidmaten kan en dat een ieder die tot de jaren des onderscheids is gekomen openbare belijdenis van het geloof dient af te leggen. Volgens à Brakel moeten er toch wel heel dringende redenen zijn om geen belijdenis af te leggen, wanneer men volwassen is. Ik zou dit alles graag willen onderstrepen. Ook zal ik u zeggen, waarom ik hierop de vinger wil leggen.
Wordt er onder ons wel eens niet al te gemakkelijk gezegd, dat wij geen belijdenis kunnen afleggen? Is het vaak geen onwil? Een andere vraag is en dan positiever: is de Heere het niet waard temidden van Zijn gemeente beleden te worden?
Nogmaals: ik handhaaf mijn stelling, dat in een welgeordende kerk een ieder op volwassen leeftijd belijdenis doet.
Ja... maar... als dit nu niet kan? Wel, die mogelijkheid sluit ik pastoraal bezien niet uit. Maar dan mag dat iemand nooit rust geven. Men zal als volwassene voortdurend de Heere om deze zaak in het gebed moeten zoeken. En wanneer men hiermee oprecht bezig is, zal het ook grote zieleworstelingen geven, want eigenlijk moet men hierom zijn kinderen de heilige doop onthouden en zichzelf het heilig avondmaal. Nu zal het eerste (zijn kinderen de doop onthouden) wel niet zo snel gebeuren, niettemin is het wel een wonderlijke zaak dat doopleden hun kinderen laten dopen. Doordat zij geen belijdenis hebben gedaan, hebben zij ook niet het ja-woord van hun ouders overgenomen, hoewel daarbij aangetekend moet worden, dat het doen van openbare belijdenis meer inhoudt dan dat alleen het ja-antwoord van de ouders bij de doop wordt overgenomen.
Bij dit alles moet bovendien niet vergeten worden, dat het niet afleggen van openbare belijdenis des geloofs niet altijd zozeer te maken heeft men niet-kunnen (onmacht) als wel met on-wil. En onwil is ongeloof. Men mag het ook omkeren: ongeloof is onwil. Om die reden zegt Jezus: 'Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het eeuwige leven zou hebben'. Het is niet te boud gesproken als ik daarom stel: ongeloof is ongehoorzaamheid. Ja, ongeloof is de grootste vijand in het leven van ons. Daarom zij aller bede: 'Hoe word ik nog van u verlost; o ongeloof, gij snode vos'.
Toezicht
Om nu weer terug te keren naar het toezicht van een kerkeraad. Op een ieder in de gemeente oefent de kerkeraad voldoende toezicht uit. Zij doet dit door middel van huis-, ziekenbezoeken etc. Wanneer een gemeente goed bearbeid wordt door de kerkeraad, weet hij precies wie er op zondag wel in de kerk is en wie niet. Let wel: ik spreek over een welgeordende kerk c.q. gemeente.
Wanneer nu één van de leden zich in spreken of handelen misdraagt en dit komt de kerkeraad ter ore, zo doet hij daarnaar een onderzoek. En wanneer dit nodig is, wordt er een tuchtmaatregel genomen.
Voorzichtig
Toch moet hierbij op een paar dingen worden gewezen die wel eens worden vergeten. Soms heeft het de schijn in de gemeente alsof de zonde tegen het ene gebod ernstiger is dan tegen het andere. Hele verhalen hoort men, wanneer iemand inzake het zevende gebod niet zuiver op de graat is, maar dat velen het niet zo nauw nemen met het vierde gebod nl. met het onderhouden van de heilige kerkdienst, daarover wordt niet zo snel gesproken. Terecht merkte ooit eens ds. Cabaret op dat men nooit hoort dat door zeer velen de zaak des Heeren als een dubbeltjes- en kwartjeszaak wordt gezien, maar dat men wel dadelijk in 't geweer springt als het zesde gebod overtreden wordt.
Ik wil met dit alles maar zeggen, dat wij alle geboden Gods even serieus èn in ons eigen leven èn in dat van anderen moeten nemen, 't Is mij althans te selectief en te subjectief, wanneer wij in de geboden onderscheid gaan maken. De zonden tegen de eerste tafel van de wet zijn even serieus te nemen als tegen die van de tweede tafel. De gehele wet is de uitgdrukte wil van God.
Waar wij bovendien goed op moeten letten, is het volgende: In een welgeordende kerk begint de tucht nooit of te nimmer bij de kerkeraad. Sommigen zouden dat wel willen, om dan ook de kerkeraad de zwarte piet te kunnen toespelen. Met name dan, wanneer een kerkeraad zelf met de rug tegen de muur staat.
Echter... de tucht begint niet bij de kerkeraad. Het is om die reden onjuist, wanneer bij het minste of geringste wordt gezegd: 'de kerkeraad zou daar of daar toch eens meer naar moeten kijken. Zij, de mannenbroeders, zitten vooraan in de kerk, doch zij geloven het ook wel als het gaat om handhaving van de tucht'.
Zo'n redenering als hierboven is onjuist. Zij is uit de boze èn zij is van de boze. Want tucht (trekken naar het goede) begint nooit of te nimmer bij de kerkeraad, maar die eindigt er.
Tucht in een gemeente begint altijd met onderlinge tucht. Het is Bijbels, dat aan die onderlinge tucht alle leden meewerken. En dat niet uit een zekere bemoeizucht. Neen, dat in géén geval. Onderlinge tucht wordt geoefend uit liefde tot God en Zijn zalige dienst. Wat wil dat zeggen? Het wil onder andere dit zeggen, dat men het kwaad zorgvuldig verbergt, wanneer dit bij een ander wordt opgemerkt. Men roddelt daarover niet. Men bekletst elkaar niet. Neen, men houdt dit voor zichzelf Liever bijt men – bij wijze van spreken – zijn eigen tong af dan dat men één woord over dat kwaad dat men heeft opgemerkt met een ander zal spreken. Ik bedoel: met een ander die dit kwaad niet aangaat en die daarmee dus niets te maken heeft.
Ik denk dat dit neergeschreven mag worden: wie de gemeente Gods van harte liefheeft, is nergens banger voor dan om kwaad gerucht van wie dan ook te verspreiden. Men zal het kwaad dat men heeft opgemerkt zelfs voor eigen man of vrouw verbergen. Altijd maar bang dat men daarmee de straat op zal gaan.
Over dat opgemerkte kwaad wordt alleen gesproken met hem of haar bij wie men dat zag of meende te zien. Dat is de ordelijke weg. Dat is de weg in overeenstemming met de Schrift. Zó houdt de Koning der kerk, de Heere Jezus, het ons voor.
Ik behoef deze dingen niet verder uit te werken. Het spreekt vanzelf dat men erg blij is als men door een ander uit de gemeente wordt gewezen op een fout, verkeerdheid of zonde. En beiden behoren erg blij te zijn als blijkt dat er een vergissing in het spel is.
Die onderlinge toezicht heeft dus niets met bemoeizucht te maken noch met straf. Onderlinge toezicht is een medicijn.
Wanneer echter blijkt dat het kwaad voortwoekert en dat naar goede Bijbelse raad niet wordt geluisterd, zo wendt men zich tot de kerkeraad en wanneer het gaat om de leer en het leven van de ambtsdragers wendt men zich tot de daarvoor geëigende commissies in de kerk. Het zal bekend zijn, dat ambtsdragers geen tuchtmaatregel mogen uitvaardigen tegen een mede-ambtsdrager in de kerkeraad. Dit vanwege het principe dat de ene ambtsdrager niet over de andere zal heersen. Ik denk dat dit een goede reformatorische zaak is.
Om die reden ga ik ook niet in op een aantal stukken die mij werden toegestuurd aangaande tuchtmaatregelen die zijn toegepast op ambtsdragers. Het past mij niet daarover een oordeel uit te spreken, hoewel ik hierover wel mijn gedachten heb. Maar niet alles kan altijd aan het papier worden prijs gegeven. Het is intussen wel erg jammer en het doet de kerk en de gemeente geen goed dat er van 'hogerhand' wel eens tegen ambtsdragers moet worden opgetreden. De zaak wordt voor mij nog ernstiger als de ere Gods daarmee gemoeid is. Maar genoeg hierover. Laten predikanten, ouderlingen en diakenen een voorbeeldfunktie zijn in leer en leven. Laten zij door hun heerszucht of waardoor dan ook de gemeente Gods niet verscheuren, opdat hen niet iets ernstigs overkome.
Kerkeraad
Ik kom nog even terug op de kerkeraad. Een goede kerkeraad bestaat niet uit rechters, maar uit geneesheren. Nooit vergeten: God is rechter; Hij beslist.
Nu kan het gebeuren, dat die onderlinge tucht (onder vier of zes ogen) geen effect heeft. Dan gaat men vervolgens – zoals ik reeds eerder schreef – naar de kerkeraad. Alleen... wat behoort die kerkeraad dan te doen? In eerste instantie behoeft hij niet anders te doen dan te luisteren. In de goede zin van het woord is de kerkeraad een en al oor voor wat er gezegd wordt. Hij luistert goed naar de aanklacht alsmede ook naar het verweer van de aangeklaagde. Zonder enige vooringenomenheid òf vooroordeel wordt er door de mannenbroeders geluisterd. Wanneer de zaak helder en duidelijk is en de aanklacht blijkt terecht, zo zal de kerkeraad handelend optreden. Maar let wel: niet als rechters, maar als geneesheren. Niet zal men direkt een lid die in leer en leven ingaat tegen de Schrift afsnijden. Wanneer dat gebeurt, is dit een uiterste maatregel. Een wel heel ernstige zaak. Want wanneer zo'n besluit door een kerkeraad wordt genomen, dan staat zo iemand niet slechts buiten de kerk, maar dat besluit geldt namelijk dan ook in de hemel. Ook daar is men dan buitengesloten, zoals het Woord en de belijdenis der kerk zegt. Ik krijg de indruk, dat weinig kerkeraden zowel in het verleden als in het heden die uiterste maatregel hebben getroffen. Ik denk dat het goed is dat men met de christelijke ban uitermate voorzichtig en behoedzaam omgaat. Want het is me nogal wat, wanneer men wordt buitengesloten!
Het wil intussen niet zeggen, dat men voor altijd buitengesloten is. In overeenstemming met het Woord zegt de Herdelberger: buitengesloten mensen worden weer als leden van Christus en Zijn gemeente aangenomen, als zij werkelijk beterschap beloven en bewijzen.
Ik ben – tussen twee haakjes – wel blij, dat in de Heidelberger het vraagstuk van de tucht in dát gedeelte wordt behandeld dat handelt over God de Zoon en onze verlossing.
Tucht is bedoeld om verlossing te bewerken. Terecht merkt H. Veldkamp in 'Zondagskinderen' op: De kerk laat de buitengesloten zondaar niet los, maar blijft biddend met hem bezig. Zij blijft uitzien naar de terugkeer van de verloren zoon. Zij viert haar hoogste triomf, als zij met deze sleutel (gemaakt van het goud der liefde) de deur voor de berouwvolle zondaar weer mag opendoen'.
Moge inderdaad tuchtoefening altijd het behoud van de zondaar op het oog hebben. Dienaangaande worde in aller hart gevonden wat bij de Koning der kerk is: ontferming en bewogenheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's