Veertig jaar hervormde kerkorde
1 mei 1951 – 1 mei 1991
Op de dag van gisteren was het veertig jaar geleden, dat de nieuwe hervormde kerkorde werd ingevoerd. Op dinsdag 1 mei 1951 was er een speciale bijeenkomst van de Generale Synode in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar, in verenigde zitting, de aftredende synode met de nieuw optredende synode bijeen was, onder voorzitting van ds. H.F.J. Wesseldijk. Aanwezig waren vele afgevaardigden van kerken in Nederland, van buitenlandse kerken, alsook een vertegenwoordiging van de kerkeraad van de hervormde gemeente van Amsterdam, van H.M. de Koningin en van de regering. De regering was met liefst vijf ministers vertegenwoordigd.
In het jaar 1945 was de zogeheten werkorde aanvaard, waarna voor het eerst — op 31 oktober 1945 — weer een Generale Synode bijeen was gekomen. Een eerste stap was gezet 'om uit de hiërarchie van het kerkelijk besturenstelsel van de reglementering van 1816 terug te keren tot een presbyteriale kerkvorm, waarbinnen de vraagstukken van ons kerkelijk leven op een verantwoord kerkelijke wijze aan de orde konden worden gesteld', aldus de praeses in zijn toespraak tot de aanwezigen.
'Toen — in 1945 dus, v.d. G. — hebben velen begrepen, daarin geleid door mannen die God ons schonk, als Kraemer, Gravemeyer en Banning, dat alleen een nieuwe confrontatie van onszelven, van ambtsdragers en leden der Kerk, en van alle kerkelijke groeperingen en richtingen in de Kerk, met Jezus Christus Zelf, zou kunnen leiden tot een radicale bekering en zelfherziening der Kerk, die nodig was, wilde zij haar roeping in de moderne samenleving vervullen.'
Ds. Wesseldijk memoreerde intussen wèl, dat niet ieder in 1945 even hoopvol gestemd was. De volledige reorganisatie zou, zo meenden velen, 'nog wel één of twee generaties' op zich laten wachten, 'zo er althans nog ooit iets van zou komen', gezien 'de innerlijke tegenstellingen en verscheidenheid van inzichten in de Kerk'. Maar de praeses sloot desalniettemin als volgt af:
'De Nieuwe Kerkorde is er. Zij is een begin. Een nieuw begin. Wij zeggen wel: nu moet het beginnen, de worsteling om de Waarheid. Maar het is juist andersom. Het gaat om ons. De worsteling van de Waarheid om onze zielen, om alles bijeen te vergaderen rondom Jezus Christus. Opdat de Waarheid, d.i. Christus, door het geloof in uwe harten wane en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt.
Als dat het geval wordt, dan zijn wij echt Kerk. Kerk, die haar roeping kan en zal vervullen in het midden van de samenleving, waar zij de waarheid predikt, de enige Naam, die der mensen gegeven is tot zaligheid. De enige Naam, die zegen kan brengen in het leven van mens, volk en overheid, naar de belofte Gods.'
Hooggestemde en hoopvolle woorden werden over en weer gesproken. Nu, veertig jaar na datum, màg en móét de vraag worden gesteld wat er van is waar gemaakt en uitgekomen.
Dankbaarheid
Het eerste, dat wij willen zeggen, nu we een terugblik geven op veertig jaar kerkorde is, dat er reden is tot grote dankbaarheid, om het loutere feit, namelijk dat de Hervormde Kerk, met haar kerkorde van 1951 definitief is uitgekomen van onder het gehate juk van de Reglementenbundel van Koning Willem I, waardoor ze anderhalve eeuw niet bij machte was geweest tucht te oefenen naar binnen en belijdend te spreken naar buiten. De Hervormde Kerk werd weer een vrije kerk, met een synodaal-presbyteriale kerkinrichting. Dat ze weer opnieuw in haar, in de geschiedenis uitgezette spoor wilde treden van een belijdende — een Christus-belijdende — volkskerk te zijn, werd met dankbaarheid en verwondering begroet.
Enkele jaren geleden heb ik intensief de handelingen van de synode bestudeerd ten aanzien van de synodevergaderingen, die aan de invoering van de kerkorde vooraf zijn gegaan. Eerlijke kennisname daarvan laat een diepe indruk na als het gaat om de in die jaren gevoerde discussies. Op het scherp van de snede werd met elkaar geworsteld om een kerkorde, die voor een belijdende kerk richtinggevend zou zijn. De kerkorde is niet zómaar een boek met bepalingen, met regels en regeltjes om de praktijk van het kerkelijke en gemeentelijke leven in goede banen te leiden. Nee, de kerkorde is in haar achtergrond en in haar concrete bepalingen niet minder dan een theologisch stuk.
Het was dan ook niet zonder reden dat, bij de invoering van de kerkorde, elk van de synodeleden een persóónlijke motivering gaf inzake zijn stemgedrag. De enige hervormd gereformeerde stem vóór was die van de Utrechtse ds. A. Meyers. Vanuit de stukken is te tasten, dat ieder van het grote gewicht van dat moment diep doordrongen was.
We kunnen dan ook niet anders zeggen dan dat de tijd, waarin binnen de kerk gedelibereerd werd omtrent de kerkorde en het geheel van de koers, die de Hervormde Kerk zou nemen, gezien mag worden als een hoogtepunt in het hervormd kerkelijk leven, na anderhalve eeuw van grote diepte en malaise, waarin de kerk verkeerde onder de Reglementenbundel. Om nog maar te zwijgen over de gevoelige aderlatingen in Afscheiding en Doleantie in de vorige eeuw.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat er verwachtingen waren. Gespannen verwachtingen zelfs.
En toch, dat de toenmalige synodepraeses ook de uitdrukking 'onoverkomenlijke hinderpaal' bezigde met het oog op de verwezenlijking van de idealen is niet zonder reden gebleken. Dat had te maken met te verwachten ontwikkelingen inzake het belijden en het apostolaat.
Een belijdende kerk
De Hervormde Kerk zou belijdende kerk zijn, die weren zou wat haar belijden weersprak. Kernartikel werd artikel X, waarin over gemeenschap met de belijdenis der vaderen — de belijdenisgeschriften werden met name genoemd — wordt gesproken. Het woord gemeenschap stamt uit de Schriften zelf. De apostelen waren bijeen in de gemeenschap (koinonia), de breking des broods en de gebeden. Met gemeenschap wilde de 'bevindelijke' dimensie van het belijden uitgedrukt zijn. Het gaat niet alleen om formele binding aan de belijdenis. Het gaat ook om het 'wij geloven met het hart'. Aanvankelijk, in eerste lezing, werd artikel X dan ook met algememe stemmen aanvaard in de toenmalige synode. Maar daarna gingen (o.a.) de vrijzinnigen zich roeren. Gemeenschap met de belijdenis betekende voor hen niet, dat men zich ook gebonden achtte aan de concrete ìnhoud van de belijdenisgeschrìften. Dat waren weliswaar eerbiedwaardige documenten, maar uit de zestiende eeuw. Vandaag gaat het om andere zaken en moeten we soms anders belijden. Een en ander had tot gevolg, dat in twééde lezing artikel X niet met algemene stemmen, maar met dertien (hervormd gereformeerde) stemmen tégen werd aanvaard. En daarmee was het blijvende geding om de belijdenis, om het hóé van een belijdende kerk gegeven.
Zien we nu terug dan moeten we zeggen, dat de zorgen niet ten onrechte waren. Heeft de Hervormde Kerk in de naoorlogse jaren inderdáád geweerd wat haar belijden weersprak? Toegegeven moet worden, dat grove aantastingen van het belijden weersproken zijn in die zin dat herderlijke geschriften werden uitgegeven, waarin notoire ketterijen werden weerlegd. Te denken valt aan het geschrift over de Verzoening na de geruchtmakende uitspraken van wijlen prof. dr. P. Smits in deze ('Geef mijn portie maar aan fikkie') of aan het geschrift 'Leven en sterven met verwachting' na de uitspraak van de Groningse studentendominee, wijlen ds. M.A. Krop 'dood is dood'.
Dan nog is het evenwel niet zo, dat zulke geschriften van díé confessionele inhoud zijn, die kenmerkend is voor de belijdenisgeschriften. Ook dan is namelijk nogal eens sprake van wat het 'voortgaande belijden' wordt genoemd, met alle moderne inzichten daaraan verbonden. Een geschrift over de Uitverkiezing is zelfs een duidelijke ombuiging ten opzichte van de Dordtse Leerregels. Maar als het gaat om de vraag of de Hervormde Kerk weerde wat haar belijden weersprak dan heeft ze dat met name in herderlijke geschriften willen doen.
Intussen moeten we zeggen, dat er vandaag een grauwsluier over de Hervormde Kerk ligt als het gaat om het functioneren van artikel X. Ieder die zègt met artikel X in te stemmen wordt ook geàcht met dit artikel in te stemmen. En dan blijkt het mogelijk te zijn dat heel wat wordt geleerd, dat zich niet met de Schriften verdraagt en derhalve ook buiten de grenzen van het belijden van de kerk (der eeuwen) ligt. Vandaag nemen we, naar het schijnt, zelfs niet meer de moeite een geschrift uit te geven, waarin notoire ketterijen worden weerlegd. Hebben we in feite de hotelkerk niet geaccepteerd?
Vandaag worden we geconfronteerd — om slechts een voorbeeld te noemen van wat zich publiekelijk aandient — met schokkende uitspraken van de hervormde kerkelijke (!) hoogleraar mevr. R. Bons-Storm. Zij léért namens de kerk een godsbeeld, dat meer heidens is dan bijbels. Ze wil er zelfs niet meer over spreken met hen, die van ander gevoelen zijn en Schrift en belijdenis ernstig nemen. Haar visie blijkt zich intussen te kunnen afspelen binnen de grenzen van artikel X.
Veertig jaar na de invoering van artikel X, als kernnotie inzake het belijden, is het dan ook méér dan tijd geworden, dat we nog eens expliciet formuleren wat we vandaag verstaan onder gemeenschap met het belijden der vaderen. Want dat in de visie van velen vandaag sprake is van een radicale breuk met het concrete belijden der vaderen is allerwegen te tasten.
Apostolaat
Het tweede hete hangijzer in de kerkorde was het apostolaat. Dat de kerk geroepen is tot getuigenis in de wereld stond uiteraard op zich niet ter discussie. In het apostolaatsartikel (VIII) werd het getuigenis in de wereld geconcretiseerd naar de zending, het gesprek met Israël — om te betuigen, dat Jezus de Christus is — en het spreken tot volk en overheid. Met dit apostolaatsartikel trok de Nederlandse Hervormde Kerk het gereformeerde spoor verder, waarbij ze bovendien het voor touw nam om de speciale relatie, die de kerk tot Israël heeft, aan de orde te stellen.
De kwestie was echter de plááts, die het apostolaatsartikel krijgen moest in de kerkorde. Het apostolaatsartikel ging aan dat van het belijden vooraf. Bezig zijnde in de wereld zou de kerk belijdende kerk zijn. Dat was de gedachte die erachter zat. Terwijl van andere (hervormd gereformeerde) zijde werd gesteld, dat de kerk wéét wat ze belijdt als ze met haar getuigenis de wereld intrekt. Dat deze discussie gevoerd moest worden heeft alles te maken met het zicht op de belijdenis als zodanig. In deze volgorde (apostolaat vóór het belijden) zat ook de gedachte van het dynamische in het belijden. De belijdenisgeschriften stamden uit een bepaalde tijd, uit de zestiende eeuw, zo werd van niet-rechtzinnige zijde gesteld. Het zou overigens een karikatuur zijn te stellen, dat zij die het artikel van het belijden vóór dat van het apostolaat geplaatst wensten te zien, geen oog zouden hebben gehad voor actueel belijdend spreken. Maar ook dat actuele spreken zou moeten sporen met de inhoud van de belijdenis. Het zou daarmee niet in tegenspraak mogen zijn.
Bankroet
Komen we nu, na veertig jaar, tot een eerlijke beoordeling, dan moet dunkt me worden gezegd, dat we staan voor het bankroet van het apostolaat. Weliswaar is het apostolaat ook het duidelijkst te beóórdelen, omdat dit in handen is gegeven van bepaalde organen van de kerk (Kerk en Wereld, de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving, de Raad voor de Zending, de Raad voor de verhouding van Kerk en Israël). Het belijden wordt immers vooral en allereerst zichtbaar in de gemeenten, in de prediking en wat zich daaromheen voltrekt.
Het zou dan ook wel eens kunnen zijn, dat het belijdend karakter van de kerk juist in de gemeente, niet in het minst ook in het proces van ontkerkelijking, dat zich voltrekt, nochtans sterker is geworden. Maar in de organen der kerk tekent zich het faillissement van het apostolaat aan. Het apostolaat is nog slechts sporadisch gerelateerd aan de gereformeerde belijdenis. En intussen is de afstand tussen die organen en de gemeente alleen maar toegenomen. Daarom is de laatste veertig jaar vanuit hervormd gereformeerde kring nogal eens gezegd, dat de organen (de raden) moesten worden opgeheven. Juist in de raden heeft het apostolaat de gestalte gekregen, die de Hervormde Kerk in haar getuigenis naar buiten een niet-gereformeerd stempel heeft gegeven.
Dat dr. K.H.E. Gravemeyer — in de vijftigerjaren secretaris-generaal van de Hervormde Kerk — ooit de verzuchting heeft geslaakt, dat de reorganisatie geen reformatie heeft gebracht en dat hijzelf schuld heeft beleden omtrent zijn aandeel in de nieuwe kerkorde, heeft ongetwijfeld te maken met de ontsporing van het apostolaat. Terwijl in de beginfase van de doordenking overigens al duidelijk was, dat (b.v.) de visies van dr. A.A. van Ruler en dr. K.H. Miskotte op het apostolaat niet met elkaar spoorden, vanwege een diepgaand verschil namelijk van inzicht met betrekking tot artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De organen der kerk traden grosso modo in het spoor van Miskotte, die een, man van de 'Doorbraak' was, en niet van Van Ruler, die in zijn denken theocratisch was.
Mij dunkt evenwel, dat de visie van Van Ruler méér de tand van de tijd (een tijd van secuarisatie) zal doorstaan dan die van Miskotte. Theocratisch heeft namelijk alles te maken met theocentrisch. Het gaat in het spreken van de kerk, óók vandaag, om het recht Gòds en niet (ten diepste niet) om het recht van de mens.
Nieuw
Hoewel ik me zeer bewust ben van het feit, dat een kerkorde de kerk niet máákt, moeten we toch anderzijds zeggen, dat een kerkorde — zeker als die een theologisch karakter heeft — niet niets is. Met dankbaarheid mag worden gememoreerd, dat de nieuwe kerkorde, mogelijk was na anderhalve eeuw bevoogding van de kerk door de staat. Ongetwijfeld draagt die kerkorde evenwel nog sporen van een zekere triomfantelijkheid: de Hervormde Kerk als volkskerk, die het ook in de samenleving zou zèggen. Het secularisatieproces van de laatste decennia dwingt ons echter tot herbezinning. We hebben, dunkt me, opnieuw een nieuwe kerkorde nodig. Een kerkorde met het belijden vóór het apostolaat. Een kerkorde, waarin het theocratisch getuigenis tot uitdrukking komt. Om te betuigen, dat de kerk profetisch in de wereld staat. Ze heeft een Gods-Woord te spreken.
Dat we intussen op àlle terreinen bezig zijn de Israël-paragraaf in het apostolaat af te zwakken, is een teken aan de wand. We hebben het getuigenis aangaande Israël al gereduceerd. De voortekenen zijn er (blijkens een lezing van dr. K. Blei voor hervormde predikanten), dat we ook stappen terug gaan maken met betrekking tot 'Israel, volk, land en staat'. Het zou alles te maken kunnen hebben met gemis aan theocratisch belijden.
Een nieuwe kerkorde is nodig, maar dan wel een theocratisch getoonzette kerkorde, die het karakter van onze belijdenis duidelijk verwoordt. Want theocratisch is gereformeerd, èn inzake het belijden èn inzake het apostolaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's