Zijn opstanding en onze wedergeboorte
Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. (1 Petr. 1 : 3)
Sommigen kunnen daar eindeloos over vertellen. Over de geboorte van hun kinderen. Kraamvrouwenpraat zogezegd. Op zich heel begrijpelijk. In de tekst staat het woord 'wedergeboren'. Wie zou daar iets over kunnen vertellen? Petrus bijvoorbeeld. Zo gauw hij erover begint, gaat hij zingen. Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus! Kennelijk hangt dat dus samen: Wedergeboren zijn en de Heere loven en prijzen. Daar kom ik nog op terug.
Uit wat Petrus erover schrijft in het eerste hoofdstuk van zijn brief, blijkt dat wedergeboorte meer is dan een gebeurtenis op een bepaald moment in je leven. Dat is het óók. Hoewel niet eens zullen weten wannéér het was. Want het kan namelijk heel klein beginnen. Wie het begin niet kan aanwijzen, hoeft om die reden niet ongerust te zijn. Laat het begin maar aan de Heere over. Als wij maar weten dat wedergeboorte veel meer is dan een nieuw begin. Het is ook een nieuw leven, dat er op volgt. Een hoopvol leven met Hem!
Over wie heeft Petrus het eigenlijk? Hij schrijft 'ons': Die naar zijn grote barmhartigheid óns heeft wedergeboren. Mij ook? U ook? Het vriendelijke 'ons' in de tekst sluit zelfonderzoek niet uit. Maar wil dat goed gaan, is helder licht nodig. Het licht van eigen inzicht levert daarbij nooit het goede antwoord. Jezelf onderzoek bij het licht van jezelf is zoiets als jezelf aan je eigen haren omhoog willen trekken uit een moeras. Wie op deze vragen een goed antwoord wil hebben, wordt door Petrus verwezen naar de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. En naar Zijn grote barmhartigheid. Dáár ligt de oorsprong van onze wedergeboorte. Zou Hij dan niet het beste antwoord weten op de vraag óf ik wedergeboren ben? Of het kan worden? En hoe dat gaat?
Wat antwoordt de Heere? Hij zegt: Een dode zondaar kan en zal wedergeboren worden door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Daar kijken we van op. Van dat eenvoudige antwoord. Als mensen over hun wedergeboorte en bekering vertellen hoor je soms hele verhalen. Dan lijkt het zoiets te zijn als een optelsom van een hele reeks ervaringen. Nu laat de Heere ons in het leven van de wedergeboorte heel wat ervaren. Droefheid over de zonde. Dankbare vreugde over de verlossing. Maar daarmee is de wedergeboorte nog geen optelsom van onze ervaringen. Het is veeleer eindelijk eens opgehouden hebben met tellen, en niemand anders overhouden dan Jezus alleen en de oneindige barmhartigheid van de Vader. Dáár ligt de grond voor onze wedergeboorte. En dáár ligt, als wij door al onze ervaringen zijn heengezakt, uiteindelijk óók het bewijs. Het kan zijn dat u bij alle onderzoek van uzelf tenslotte niets meer overhoudt. Alles was beneden de maat. Moedeloos kijken we omhoog. En juist toen we geen geloof meer konden vinden en wilden concluderen wel niet wedergeboren te zijn, klonk er van omhoog: Ik ben de Alfa en de Omega. Het Begin en het Einde, ook van uw wedergeboorte!
Toen ik stierf aan het kruis, toen zijt gij meegestorven. Toen Ik begraven werd, toen zijt gij meebegraven. En toen Ik opstond uit het graf, toen zijt gij meeopgestaan in het nieuwe leven. Bij Zijn opstanding uit de doden droeg Christus al de Zijnen in het hart. Mede-opgestaan om met Hem uit wandelen te gaan in het nieuwe leven. Wedergeboren door en in de opstanding van Jezus Christus. Zo is het en zo zal het blijven.
'Wie zelf zijn wedergeboorte niet weet vast te stellen, en toch Jezus overhoudt om in Hem het leven te vinden en Hem te laten zeggen hoe het is, die mag zich laten terugverwijzen naar kruis en opstanding van de Heere Jezus. Hij mag leren en weten: Toén is het gebeurd. Toen ik het leven zocht en vond in Hem, en door Zijn Woord en Geest een ander mens werd. Maar vóór alles is het gebeurd, toen Christus als het Hoofd van Zijn gemeente. Zich zó met ons verbond, dat wij met Hem meebegraven zijn door de doop in Zijn dood en met Hem mee-opgestaan zijn in een nieuw leven.' (Z. de Graaf in: Tijdschrift, nov. 1987, enigszins vrij weergegeven)
Wedergeboren door de opstanding van Christus — dat ligt dus buiten ons. Als oorzaak, fundament en zekerheid van onze wedergeboorte. Gebeurt er ook iets in ons en áán ons? Ja dat ook. Maar als u vraagt hoe en wat, dan aarzel ik. Met het fundament Christus raken wij verbonden door geloof, hoop en liefde. Maar hoe dat ontstaat, hoe dat gaat, dat zullen we in ons leven nooit geheel begrijpen. Ellende, verlossing en dankbaarheid — rondom die drie woorden speelt het zich af. Dat wel. Maar ook het berouw, ook mijn schuldbesef, ook het geloof, de hoop, de liefde en de dankbaarheid, dat alles zijn geen nieuwe eigenschappen van mij, waarover ik zou kunnen beschikken waar en wanneer ik maar wil. Soms kan ik geen sprankeltje geloof, hoop of liefde in mijzelf vinden. Laat staan dankbaarheid. Dat duurt zo tot de Heere in Zijn huis de verbinding weer aansluit. Weer met Zijn liefde naar ons toekomt. Zijn vleugels over ons uitspreidt. Dan heb ik het weer. Of beter: Dan heeft Hij mij weer!
Een afhankelijk leven dus. Maar dat is niet erg. Het is eerder een hele opluchting. Voor álles afhankelijk geworden van onze Heere en Heiland. Voor ons hopen. Voor ons geloven. Voor onze kennis der ellende. Voor ons liefhebben. Voor onze dankbaarheid. En ook voor het antwoord op de vraag of ik wedergeboren ben. We leven op de adem van Gods stem. Als Hij de vrijspraak weer laat horen, stroomt ons bange hart vol vreugde. Dan weet je alles weer zeker. Met een zekerheid, die geen enkele optelsom meer nodig heeft. Dwars tegen al het waarneembare in roep je uit: En toch wedergeboren! Om Jezus' wil. Door Hem, door Hem alleen. Om het eeuwig welbehagen.
Wie zou dan de Heere niet loven en prijzen? Petrus zeker. Hij begon ermee. Wij eindigen ermee. Als gevolg van het nieuwe dat de Heere schenkt. Wie door Hem uit de duisternis van de zonde is weggetrokken tot Zijn wonderbaar licht, die gaat daar vroeg of laat van zingen. Als Hij de hoop in ons weer levend maakt, dan komt er een lied in je hart. Een loflied. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Het is niet toevallig, dat in de tekst de wedergeboorte en de lofprijzing zo dicht bij elkaar staan. Ze hebben elkaar nodig. Het één roept het ander wakker. Alleen als de Heere naar Zijn grote barmhartigheid ons weer Zijn gemeenschap biedt, zullen we het weten wederomgeboren te zijn. Los van Hem weet ik niets. Maar juist Zijn tegenwoordigheid heeft alles met de lofprijzing te maken. De Heere woont op de lofzangen van Israël. In de lofprijzing vervult Hij ons hart met Zichzelf. En tilt ons daarbij boven alle bange vragen uit. De lofprijzing versterkt het geloof en maakt de hoop weer levend. Al zingende word je een ander mens. Herboren sta je op tot de vreugde, om opnieuw een lied te zingen. Loof de Heere mijn ziel! In de kerk. In onze huizen. Totdat Hij komt. Dan zingen we zonder ophouden het lied dat wij hier al leerden. Lofprijzing zonder einde. Een heilig koor van stemmen staande, aan de glazen zee. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus! Door Zijn adem aangeraakt, zingen we tot Vader, Zoon en Geest Die levend maakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's