Uit de Pers
Vreemdelingschap
Wie voor een rubriek als 'Uit de pers' wekelijks vooral de kerkelijke pers doorsnuffelt op zoek naar onderwerpen om uit te citeren, betrapt er zichzelf geregeld op vaak ongemerkt gefixeerd te zijn op steeds terugkerende thema's. Als daar zijn: kerk en Israël, de verhouding gereformeerden en evangelischen, kerkverlating en jongeren. Schrift en belijdenis, ethische vragen maar dan vooral op het zogeheten microveld (abortus e.d.). Hierin spelen uiteraard begrijpelijke factoren een rol: eigen interesse, veronderstelde belangstelling bij het lezerspubliek, de keuze van de bladen waaruit men pleegt te citeren. Veel items komen steeds weer terug en blijken iedere keer de belangstelling weer te krijgen van veel lezers. Soms zijn er bijdragen van scribenten in bladen die je bij vluchtige kennisneming min of meer over het hoofd ziet. Ze zijn b.v. van meditatieve aard, gaan in op een bijbelgedeelte en je denkt: voor meditaties en bijbeloverdenkingen ben ik niet gevraagd. Maar dan blijkt bij herlezing hoezeer Schrift en werkelijkheid dicht bij elkaar staan. Zo'n soort bijdrage las ik in het blad 'Opbouw' van 12 april 1991 van de hand van ds. M.R. van den Berg, Nederlands Gereformeerd predikant te Utrecht. Het was me uit publicaties van zijn hand bekend hoezeer ds. Van den Berg de gave bezit om schriftgedeelten heel concreet en praktisch toe te passen naar het leven hier en nu. Van zijn hand verschenen door de jaren heen vele bijbelstudies die op veel kringen vermoed ik reeds zijn geraadpleegd.
In genoemd nummer van 'Opbouw' geeft ds. Van den Berg een uitleg en toepassing van Leviticus 25 : 23 waar staat: 'Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen bijwoners bij Mij zijt'.
Wie voelt zich niet vaak een vreemdeling, aldus ds. Van den Berg, die steeds geconfronteerd wordt met alle verschrikkingen die vandaag ons welzijn en leven op aarde bedreigen?
'Komt dan bij iedereen niet het besef op dat dit niet de wereld is die we zoeken? En zegt de bijbel dat ook niet? Allerlei bijbelwoorden gaan bij ons resoneren. We hebben hier geen blijvende stad, maar we zoeken de toekomstige. We trekken hier door de woestijn, op weg naar het beloofde land. We zijn hier vreemdelingen en bijwoners, vreemdelingen in de verstrooiing.
Ja, dat zegt de bijbel. En als ons leven bedreigd wordt of in de knel komt, is het ook heel normaal en volkomen legitiem dat die bijbelse noties zich aan ons opdringen en ons troosten. Daar zijn ze ook voor gegeven. We mogen hier dan in de verstrooiing zijn, maar dat is niet onze bestemming. Er is-een toekomst. Een toekomst waarin de vreemdelingschap is vergeten, waarin het leven gaaf en ongeschonden zal zijn, waarin God ons tegen zich aan zal trekken en met zijn zakdoek de tranen van ons gezicht zal vegen. Een toekomst waarin heel de schepping genezen zal zijn.
Dat wil de bijbelse notie dat we vreemdelingen op aarde zijn, ons zeggen. Maar ze wil ons niét zeggen, dat we de zaak hier dus wel blauwblauw kunnen laten. Ze wil niét zeggen, dat we onze handen maar van de wereld moeten aftrekken, ons met een boekje in een hoekje moeten afzonderen en daar maar passief moeten wachten tot God er iets aan doet.
Helaas is en wordt toch vaak die conclusie getrokken. Dan laat men Gods water — en onze olie zou je eraan toe willen voegen — maar over Gods akker lopen. Want, zegt men, hier beneden is het niet. Wat hier beneden gebeurt, is niet wezenlijk. Daar hoef je je niet mee bezig te houden.
Lev. 25 : 23 laat duidelijk zien dat die houding niet bijbels is. Het land is van Mij, zegt de Here daar. Het land Kanaan was Gods eigendom. De Israëlieten mochten erop wonen, niet als eigenaars van de grond, maar als vreemdelingen en bijwoners bij Jahwe.'
Vreemdeling
Er valt in dit verband uit de mozaïsche wetgeving en bepalingen voor ons leven hier en nu nog het nodige te leren. Ds. Van den Berg schrijft dan o.a. het volgende daarover:
'Het woord 'vreemdeling' had bij Israël een speciale betekenis. Een buitenlander die op doorreis of voor een korte tijd in het land verbleef en die wij zonder meer een vreemdeling zouden noemen, werd bij Israël niet als vreemdeling getypeerd. Als vreemdelingen golden alleen die buitenlanders die zich metterwoon in het land gevestigd hadden. Abraham was zo'n vreemdeling in Kanaan. Ik ben een vreemdeling en bijwoner bij u, zegt hij tot de Hethieten (Gen. 23 : 4). En zo was ook Israël een vreemdeling in Egypte. Ze waren daar niet voor een kort bezoek, maar ze woonden er. Ze hadden zich daar gevestigd.
Het voorbeeld van Israël maakt meteen duidelijk, dat een vreemdeling geen recht kon laten gelden. Vreemdelingen waren volledig afhankelijk van de welwillendheid van de bewoners van het land waar ze verbleven. Er waren geen wetten die hen beschermden en waarop ze zich konden beroepen. De welwillendheid van de bewoners kon plotseling omslaan. Israël heeft dat in Egypte aan den lijve ondervonden. Dat was de algemene situatie in het oude Oosten.
Maar in de mozaïsche wetten is er een begin te vinden van een vreemdelingenrecht. Daar wordt bijvoorbeeld uitdrukkelijk en bij herhaling bepaald, dat vreemdelingen niet mogen worden verdrukt en dat men hen zelfs moet liefhebben als zichzelf (Ex. 23 : 9; Lev. 19 : 33; Deut. 10 : 18, 19).
Daar moeten we dus aan denken als de Here tot de Israëlieten zegt: jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij Mij. Dat wil zeggen: Israël kan geen recht op het land laten gelden. Het kan het land niet in eigendom hebben, maar mag er wel wonen en er Jahwe's welwillendheid en bescherming genieten. Ze zijn geen eigenaars maar vruchtgebruikers. Ze hebben het land om zo te zeggen te leen.
Als je ergens geen eigenaar van bent, kun je er niet zomaar alles mee doen wat je zelf wilt. In mijn eigen boeken kan ik net zoveel krassen en strepen zetten als ik zelf wil. Maar als ik een boek van iemand geleend heb, kan ik me dat niet veroorloven.
Niet iedereen heeft overigens die instelling. Soms wordt er met geleend goed heel ruw en ruig omgesprongen. En als je daar dan een aanmerking op maakt, krijg je soms te horen: Waarom zouden we er zuinig op moeten zijn? Het is toch niet van onszelf! Het is maar van een ander!
Dan zijn de dingen op hun kop gezet en doet men alsof men eigenaar is van geleend goed.'
God heeft Zijn volk willen leren dat het zo niet met het land Kanaan mocht omgaan, als mensen soms de onterechte gewoonte hebben om met een geleend boek om te gaan. Iets wat niet van jezelf is en wat je daarom in bruikleen hebt, verdient zorgvuldige omgang. In Zijn wetgeving heeft God dat Zijn volk heel nadrukkelijk op het hart gebonden. Leviticus 25 werkt dat nader uit in de regelgevingen betreffende het sabbatsjaar en het jubeljaar.
Sabbatsjaar
Wij vragen ons weleens af: waarom lezen we eigenlijk nog uit bijbelboeken met wetten die niet op onze situatie lijken te slaan. Hoe we ons daarin kunnen vergissen laat ds. Van den Berg zien in het vervolg van zijn hier geciteerde artikel.
'Elk zevende jaar was een sabbatsjaar. Dan moest het land een vol jaar rust krijgen en mocht er niet worden gezaaid en geoogst. Landbouwdeskundigen zeggen dat deze bepaling van groot belang was ter voorkoming van uitputting van de bodem. Dat was natuurlijk niet de enige betekenis van deze bepaling, maar het was er wel een belangrijk aspect van. En daar willen we hier even aandacht aan geven.
Het sabbatsjaar verhinderde het plegen van roofbouw op de bodem. Een mens neigt er telkens weer toe roofbouw te plegen op zichzelf, op zijn naaste en op de schepping. De sabbatswetgeving in Israël wilde zowel door middel van de wekelijkse sabbat als door middel van het sabbatsjaar het verschijnsel van de roofbouw uitbannen door rust voor te schrijven.
Roofbouw plegen, dat wil zeggen zonder ophouden en met alle geweld uit iets willen halen wat erin zit, legt de levensbronnen droog. Het put de levensvoorwaarden uit en heeft een vernietigend effect. Roofbouw plegen lijkt aanvankelijk een enorm rendement op te leveren, maar het uiteindelijke resultaat is de totale ineenstorting van het bestaan. Dat geldt op alle niveaus.
In de eerste plaats is het van toepassing op hel individuele vlak. Wie roofbouw pleegt op zijn-lichaam, moet dat uiteindelijk bezuren. De sabbatdag was Gods geneesmiddel tegen persoonlijke uitputting. Alleen wie het aandurft op gezette tijden onder de dwang van het winst maken weg te kruipen en languit in het gras te gaan liggen, kan blijven functioneren.
Het geldt ook in de maatschappij. Wie zijn werknemers maar blijft opjagen in de jacht naar rendement, zal uiteindelijk ondervinden dat de akker uitgeput is en niets meer oplevert. Een van de ziekteverschijnselen van onze tijd is stress. Dat heeft alles te maken met een onophoudelijk voortjakkeren en opgejaagd worden. Stress is verwaarloosde sabbatsrust.
Tenslotte geldt het ook ten aanzien van de schepping. In alle verschijnselen van de milieucrisis worden we geconfronteerd met de gevolgen van het roofbouw plegen op de schepping, van de ongebreidelde zucht om zo mogelijk nog meer uit de schepping te halen dan erin zit. Die hebzucht, dat steeds maar meer willen hebben, dat aanvankelijk zoveel leek op te leveren en de poorten van het paradijs leek te openen, sleept in haar kielzog milieurampen met zich mee en verstoort de schepping. Het sabbatsjaar zette een grens aan de hebzucht. Het negeren van die grens brengt ons niet in luilekkerland, maar confronteert ons met een apocalyptische bedreiging van ons bestaan en met beelden van met olie bedekte vogels in doodsnood.'
Inderdaad: dreigt niet aan roofbouw deze wereld ten onder te gaan? Het vergeten van Gods geboden, het overschrijden van grenzen door God gesteld, brengt ons geen echt geluk en geen blijvend voordeel. De wereld gaat aan vlijt ten onder. Dat was eens de titel van een bekend geraakt boek. Maar we kunnen de titel beter wijzigen in: de wereld gaat aan hebzucht ten onder.
Jubeljaar
Daarover schrijft ds. Van den Berg nog als hij ook de instelling van het jubeljaar tracht te verstaan en probeert te concretiseren in ons huidige leefklimaat.
'Aan die hebzucht wordt ook een grens gesteld door Gods wetgeving met betrekking tot het jubeljaar. De bedoeling van het jubeljaar was te voorkomen dat er een klein aantal grootgrondbezitters zou komen, dat in zijn landhonger akker aan akker trok en zo steeds meer grond in bezit kreeg, met het gevolg dat de rest van het volk verarmde. In de landen rondom Israël was dat het gangbare patroon. Daar vond je een klein aantal exorbitant rijken en een grote massa arme sloebers. Bij Israël wilde de Here dat voorkomen, want een dergelijke gang van zaken betekende immers de verwoesting van het welzijn van grote massa.
Ook deze les van het jubeljaar is vandaag op grote schaal vergeten. In de economie is er een tendens dat de grote giganten steeds groter worden door de kleineren op te slokken en van de markt te duwen. Dat gaat vierkant tegen de geest van het jubeljaar in. De gulzigheid van het steeds meer willen hebben en steeds grotere winsten te willen maken, is de negatie van de spits van het jubeljaar.
Ook in de internationale verhoudingen is dit van toepassing. Oorlogen komen maar al te vaak voort uit die hebzucht, uit een landhonger die het ene gebied na het andere wil opslokken. Ook de Golfoorlog heeft daar alles mee te maken. Nooit genoeg hebben is weigeren vreemdeling en bijwoner te willen zijn bij de Here. Het is weigeren te erkennen dat het land van Hem is. Het zou natuurlijk heel goedkoop zijn nu met de beschuldigende vinger te gaan wijzen naar bepaalde takken van de industrie, kapitalisme, bankwezen, militarisme en dergelijke. Het zou niet alleen goedkoop zijn maar ook duidelijk maken dat we zelf nog niet geraakt zijn door wat de Here ons te zeggen heeft in Lev. 25. Wie hebzucht alleen maar bij anderen ziet, heeft het evangelie nog niet verstaan. We hebben allemaal de neiging om te vergeten dat we vreemdelingen en bijwoners zijn bij Jahwe. De aarde is van Hem. Maar wij wanen ons allemaal eigenaars. We denken allemaal dat we met de dingen die God ons ten gebruike geeft, met zijn schepping, maar kunnen doen wat wij willen. God heeft ons de schepping gegeven als een boek waarin we al lezend zijn grootheid leren kennen. Maar wij doen vaak alsof dat boek van ons is en maken er vaker krassen in en scheuren er vaker bladzijden uit dan dat we erin lezen. Zolang we daar geen oog voor hebben en het onderricht van het sabbatsjaar en het jubeljaar niet in ons eigen leven willen toepassen, hebben we ook geen toekomst. Lev. 25 : 18, 19 laat dat duidelijk zien. Als jullie mijn inzettingen naleven, dán zullen jullie veilig wonen en zal het land volop vruchten geven. De Here legt een onmiskenbare relatie tussen het floreren van de schepping en van ons leven èn het inachtnemen van zijn richtlijnen. Verwaarlozing van die richtlijnen leidt onvermijdelijk tot verstoring van het leven. De milieucrisis kan alleen maar in de goede gesteldheid worden aangepakt, als ieder van ons op zijn eigen plaats meer en meer leert vreemdeling en bijwoner bij de Here te zijn.'
Wat is dat waar: de oplossing van wat heet de milieucrisis ligt alleen maar in een radicale bekering tot de inzettingen en geboden Gods. Concreet: tot de beleving van wat in Leviticus heet: het vreemdeling en bijwoner zijn op Gods aarde. Jezus is ook hierin ons grote voorbeeld, aldus ds. Van den Berg. Paulus heeft in de Filippensenbrief gezegd hoe Christus Zijn goddelijke luister niet gretig naar Zichzelf toe heeft gehaald, maar Zichzelf juist geheel en al heeft ontledigd, leeggeschud. 'Hoewel Hij eigenaar was van alles, werd Hij zozeer vreemdeling dat Hij nog geen plek had om Zijn hoofd op neer te leggen en van alles afstand deed, zelfs van Zijn leven'.
Schriftverstaan
In het magazine 'Kerk' van eveneens 12 april 1991 stond een gesprek te lezen met dezelfde ds. M.R. van den Berg. Daarin wordt hem o.a. gevraagd naar het bezig zijn met de Schriften met het oog op de gemeente.
'Het grootste deel van uw boeken ligt op het vlak van bijbelstudie. Hebt u nooit de opmerking van gemeenteleden gehoord: waar haalt-ie de tijd vandaan?
O ja, geregeld. Maar daar kan ik een simpel antwoord op geven. Die bijbelstudies zijn allemaal preekstof. Seriepreken, die ik maandag op mijn computer omwerk tot een hoofdstuk voor een nieuw boek. Dan zit de tekst nog volledig in mijn hoofd. Na een paar uurtjes is dat op de pc uitgewerkt, en na de laatste preek is het boekje de volgende dag klaar.
Zijn zo al uw boeken ontstaan?
Nee, niet allemaal. Enkele zijn uitwerkingen van praatstukken binnen de gemeente, of een enkel artikel in een kerkblad.
Heeft u bij het schrijven een bepaald publiek voor ogen? Schrijft u bewust eenvoudig?
Dat laatste probeer ik inderdaad. Dat is een van de dingen die ik van prof. Jager heb geleerd en ik denk dat mijn tijd in Zuid-Afrika dat versterkt heeft. Als je dingen eenvoudig kunt zeggen, kunnen zelfs de intellectuelen het ook snappen, ik denk dat dat een uitdaging is.
In uw bijbelstudies valt op dat u zich sterk maakt voor het Schriftgezag, maar niet op een starre dogmatische manier. U bent niet iemand van 'gelove van kaft tot kaft' en verder niets.
Inderdaad, ik denk dat de diverse literatuurvormen in de bijbel ook een belangrijke rol spelen. Er speelt een stuk oosterse mythologie door in de bijbel. Wat je veel ziet is dat door een stuk gereformeerde systematiek de dingen afgeknepen worden. Je ziet dat probleem ook bij mensen die Openbaring als een spoorboekje lezen. Maar dat is een boek dat zich qua karakter, qua stijlsoort, qua literatuursoort direct, volledig en voor honderd procent verzet tegen een dergelijke manier van lezen.
Die manier van lezen, als een spoorboekje, heef die niet veel te maken met de manier waarop mensen tegen Israël aankijken?
Ja, dat is zo.
Hoe staat u daar tegenover? De kerk in de plaats van Israël of toch nog een bijzondere functie voor het oude bondsvolk?
Ik sta er een beetje tussenin. De kerk in de plaats van Israël, dat geloof ik niet. Ingelijfd in Israël, dat wel. Als ik de nieuw-testamentische gegevens met betrekking tot Jeruzalem op me laat inwerken, dan krijg ik sterk de indruk dat deze stad na de komst van Christus op aarde geen heilige plaats meer is die nog een rol gaat spelen in Gods heilsplan.
Maar de vervulling van de oud-testamentische profetieën dan?
Voor een groot deel zijn die vervuld, en voor een ander deel nog niet. Paulus zegt in Galaten dat we niet meer met het aardse Jeruzalem moeten rekenen, maar met het hemelse Jeruzalem, dat is nu ons aller moeder. Nu zijn er mensen die zeggen dat je aan het 'vergeestelijken' bent als dit de nieuw-testamentische interpretatie wordt van die oud-testamentische profetieën. Ik vind dat onzin. Mensen, die sterk de nadruk leggen op het letterlijk lezen van de oud-testamentische profetieën, komen voor mij — hoe vreemd dat misschien ook klinkt — min of meer op het niveau van veel moderne theologen terecht. Ik denk bijvoorbeeld aan iemand als Den Heijer, die zegt dat de joodse interpretatie van het Oude Testament net zoveel bestaansrecht heeft als de nieuw-testamentische interpretatie. Uitersten raken elkaar.'
Niet dat ik de opmerking over de Heilige Schrift geheel voor mijn rekening wil nemen; ik vind de overige opmerkingen belangrijk genoeg om ter overweging aan u door te geven.
U ziet: we zijn toch weer uitgekomen bij opmerkingen over Israël. Geen wonder overigens, bij Israël ingelijfd kunnen we ook eigenlijk niet anders dan de bezinning gaande houden over het wonder van Gods welbehagen aan ons, komend uit de volken, bewezen om Jezus' wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's