Waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? (2)
Depressiviteit in de gemeente
Inleiding
De vorige keer heb ik de aandacht gevestigd op een aantal signalen die kunnen wijzen in de richting van een depressieve stoornis. Het zou al heel wat zijn als die signalen opgemerkt zouden worden. Want dan kunnen er ook stappen ondernomen worden. Wel werd duidelijk dat het herkennen van een depressieve stoornis moeilijk is. Het lijkt er op dat in mogelijk meer dan de helft van de gevallen de depressieve stoornis niet onderkend wordt, ook niet door deskundigen. Is dat erg? Over het algemeen (ik moet voorzichtig zijn) is een depressieve stoornis redelijk tot goed te behandelen. Het is dan bijzonder spijtig wanneer iemand daar niet of pas laat van kan profiteren.
Een verhaal
Om nu recht te doen aan de praktische opzet van deze serie wil ik nu eerst een herkenbaar verhaal van een patiënte vertellen. U kunt haar niet kennen. Ik heb haar verzonnen.
Mevrouw A. is 26 jaar oud. De huisarts heeft haar verwezen. Hij heeft vastgesteld dat zij lijdt aan een depressie. Hij heeft haar ook al een medicament – een anti-depressivum – voorgeschreven. Hij vertrouwt het niet helemaal en verwijst haar. Mevrouw A. vertelt dat het al zo'n vier maanden niet goed met haar gaat, maar dat het de laatste weken duidelijk veel slechter met haar is. Zij noch haar echtgenoot zien een aanleiding die de verslechtering kan verklaren. Ze is somber, moe en lusteloos. Ze twijfelt aan de zin van haar leven en beleeft geen plezier meer aan de gewone dingen. Ze piekert veel meer, ook over de dood. Maar haar piekeren gaat niet over zelfdoding. Haar eetlust is weg. Het slapen is een ramp. Ze slaapt moeilijk in, moeüijk door en is veel vroeger wakker dan gewoonlijk. Ze kan dan niet meer slapen. Ze voelt zich schuldig en maakt zichzelf verwijten. Ze is teleurgesteld in haar omgeving en heeft geen hoop en moed voor de toekomst. Deze toestand bestaat nu al drie weken onafgebroken. Haar dagelijks werk lukt haar voor minder dan de helft.
Een half jaar geleden is ze bevallen van haar derde kind. De bevalling is goed gegaan. Maar tijdens de zwangerschap was ze al gespannen en onzeker. Dat had alles te maken met het feit dat ze drie jaar geleden bevallen is van een tweeling. Dat was allemaal wel goed gegaan, maar het was pas laat in de zwangerschap bekend geworden. Ze hadden zich er nauwelijks op kunnen voorbereiden. Het was dan ook zwaar geweest. Te meer daar patiënte moeilijk een beroep kan doen op anderen. Ze eist van zichzelf dat ze alles zelf moet opknappen. Bovendien moet ze altijd klaar staan voor een ander. Zelf hulp vragen of accepteren is er niet bij.
Maar ja, patiënte had altijd een groter gezin gewenst. En een groot leeftijdsverschil tussen de kinderen vond ze vervelend. Ze is zelf een nakomertje. Haar man aarzelde. Hij kende haar langer dan vandaag. Ze zijn vijf jaar gehuwd en hadden drie jaar verkering. Hij had haar leren kennen toen ze net gezakt was voor haar einddiploma. Ze was toen nogal somber geweest. Zelfs zozeer dat ze geen vervolgopleiding kon starten en na een jaar besloot te gaan werken. Ze had toen geen hulp gezocht voor haar klachten. Die waren toen overigens niet zo erg als nu.
Als directe aanleiding voor het begin van haar klachten, nu drie maanden geleden, ziet ze het gesol met de baby. Het drinken gaat erg moeilijk. Ze spuugt veel, huilt veel m.n. 's nachts. Daardoor wordt de tweeling weer wakker. Kortom, een ramp.
Ze twijfelt aan zichzelf 'Doe ik het wel goed.' 'Ben ik wel een goede moeder.' 'De een zegt dit, de ander dat. Wat moet ik.' De spanningen in hun huwelijk nemen toe. Haar man valt steeds vaker tegen haar uit. Ze is zo gesloten. Hij zou 't er wel uit willen trekken. Als hij maar wist hoe en wat.
Geloofsleven
Laat ik me beperken door te zeggen dat het echtpaar van huis uit hoort bij de gereformeerde gezindte. Haar schuldgevoelens doen haar in het eerste gesprek meteen al vragen of dit nu hoort bij de zondekennis, die toch gekend zal moeten worden aleer er sprake kan zijn van... Ze vraagt zich af of dat zo erg moet zijn. Die zondag was haar psalmvers gezongen: zo ik niet had geloofd, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Het deed haar niet veel. Het smartte haar, dat het haar niet veel deed. Op haar twintigste – ze waren juist verloofd – had dit vers veel voor haar betekend. Het was een bijzondere periode in haar leven geweest. Ze had zich dicht bij de Heere geweten en liefde voor Zijn dienst opgevat. Voor die tijd was het veel meer gewoonte en bijgelovige vrees geweest die haar bij de kerk hielden. Dat was toen veranderd. Ze had het intens beleefd. Of dat nou bekering mocht heten, durft ze niet te zeggen. 'Dat kun je toch niet van jezelf zeggen', zo meent ze.
Overwegingen
Het verhaal zou nog wel verder uitgebreid kunnen worden met ondermeer de geschiedenis van haar jeugd. Dat blijft hier gezien de beperkte lengte van dit artikel achterwege. De signalen in het vorige artikel besproken zijn duidelijk aanwezig. Ik noem haar qua ernst van de toestand sterk depressief omdat haar dagelijks functioneren in sterke mate gestoord is. Ze komt eigenlijk alleen nog maar toe aan het meest noodzakelijke. Ik wil vervolgens de aandacht vestigen op wat in technische termen heet: de cognitieve triade. Daarmee wordt bedoeld dat het denken in drie richtingen gekleurd wordt door de depressieve stemming. Er is natuurlijk de theoretische vraag: wat is er eerder? De sombermakende gedachte of de sombere stemming. Dat is een kip of ei discussie. Er is veeleer sprake van een wederkerige beïnvloeding. (Ik noem dit weliswaar theorie, maar er is op dit punt een pittige discussie te voeren met mw. Schilder.) Met die wederkerige beïnvloeding wordt bedoeld dat een sombere stemming vatbaarder maakt voor gedachten die bij de stemming passen, terwijl diezelfde gedachten voor iemand die niet depressiefis neutraal of zelfs positief kunnen zijn. Ondertussen versterken die gedachten bij de patiënt de depressie. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. Er behoeft geen enkele twijfel te bestaan over de vraag of de gereformeerde traditie leerstukken bevat die zich lenen voor sombere gedachten die aansluiten bij een sombere stemming. Trouwens, sombere mensen vinden in de Bijbel genoeg aanknopingspunten voor sombere bespiegelingen.
De cognitieve triade
Zoals gezegd wordt het denken in drie richtingen beïnvloed door de stemming en vice versa.
In de eerste plaats de negatieve kijk op zichzelf Mevrouw A. lijdt daar volop aan. Zij vindt zichzelf falen als moeder en als vrouw. Het niet kunnen beantwoorden aan de eisen die zij zichzelf stelt, werkt als een verwijt. Bovendien: hoe zal ze de hulp die ze nu krijgt ooit goed kunnen maken. In dit kader past ook helemaal dat onplezierige gebeurtenissen overgewaardeerd worden en plezierige gebeurtenissen worden gebagatelliseerd of toegeschreven aan toeval.
We hebben het over negatieve zelfwaardering. Dat is een dermate belangrijke en urgente kwestie, dat in de tweede en derde afdeling van deze serie uitvoerig aandacht besteed moet worden aan dit punt. Hoe zit het met de vanuit de psychologie voor het welbevinden zo essentieel geachte positieve zelfwaardering in het licht van Gods Woord en de gereformeerde traditie? Staat een positieve zelfwaardering een rechte zondekennis in de weg? Kun je jezelf wel een buiten Christus verloren zondaar weten met een positieve zelfwaardering? Sluit elkaar dat niet uit? Of moeten we het juist omdraaien en zeggen: neen, eerst met een gezonde zelfwaardering kan een mens werkelijk de ernst en diepte van zijn ellende weten. Daarover zal drs. J. Westland ons voorlichten (tweede afdeling).
Maar wat betekent dat vervolgens voor de gereformeerde spiritualiteit? Wat is eigenlijk jezelf mishagen? Moetje daar soms depressief voor zijn? Hoe doe je dat eigenlijk: jezelf mishagen? Hoe bedenk ik mijn zonden en vervloeking? Wat is daarin gezond en wat is niet meer gezond? Dr. A. van Brummelen zal ons aanwijzingen geven hoe we ons daarin kunnen oefenen (derde afdeling).
De twee andere aspecten van de cognitieve triade zijn de negatieve kijk op de omgeving en de negatieve verwachting ten aanzien van de toekomst. Een typisch kenmerk van die gedachten, ook van de negatieve kijk op zichzelf, is het haast automatische karakter ervan. Ze zijn vanzelfsprekend. Er wordt niet meer over nagedacht. Het staat wel vast. Ze dringen zich op en hebben een dwingend karakter. 'Het is zo, het zal altijd zo blijven.' Het is essentieel, dit soort van denk-stoomissen op te sporen. Net zo essentieel is het gehoor-stoornissen ten aanzien van Gods Woord en de gereformeerde traditie op te sporen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's