Prediking en depressiviteit
Depressiviteit in de gemeente
Met het oog op de serie artikelen, die van start is gegaan inzake depressiviteit, is er een gesprek geweest met een zestal hervormd-gereformeerde predikanten om samen de vraag onder ogen te zien welke elementen in de prediking depressiviteit oproepen of kunnen inwerken op depressiviteit. De bedoeling was niet om afgeronde antwoorden te vinden op moeilijke vragen, die hier kunnen liggen, maar slechts om de problemen, die hier liggen, met elkaar onder ogen te zien. Aan het gesprek werd deelgenomen door ds. A Beens, Lunteren; ds. J. Maasland, Kootwijk; ds. C. v.d. Bergh, Noordwijk aan Zee; ds. C.H. Bax, Emmeloord; drs. G. v.d. End, Huizen; ds. W. van Gorsel, Schoonhoven. Bijgaand treffen de lezer een impressie van dit gesprek, waarbij de weergave algemeen is gehouden, dus zonder dat telkens wordt vermeld wié wàt heeft gezegd. Reakties van lezers worden, zoals al eerder is gezegd, op prijs gesteld. Hoewel wij deze bijdrage in een later stadium van de serie hadden gepland, plaatsen we deze nu reeds, omdat ook drs. Verhagen in zijn serie (van vier) artikelen een bijdrage over de prediking opnam. Dat plaatsen we nu volgende week. Zijn serie onderbreken we dus één week.
Inleiding
Het is niet voor het eerst dat een gesprek tussen predikanten plaatsvond over prediking en depressiviteit. Enkele van die gesprekken hebben al eerder plaatsgevonden in een breder verband van de Nederlandse Hervormde Kerk. In die gesprekken bleek, dat àlle predikanten zich de vraag wensten te stellen of er een verband was tussen de inhoud van de prediking en depressiviteit. Bij 'behoudende' predikanten komt dan al gauw om de hoek de kwestie van het oordeel en de uitverkiezing. Maar 'vooruitstrevende' predikanten wezen erop, dat ook een prediking, die ligt in de sfeer van het 'móéten', bijvoorbeeld ten aanzien van het milieu, ten aanzien van de politiek etc. ook depressieve gevoelens kan oproepen of aanwakkeren. Wel blijkt telkens, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen depressieve en niet-depressieve mensen. Mensen, die van natúre depressief zijn, zullen al gauw die elementen uit de prediking naar zich toe halen, die hun depressiviteit versterken. Maar aan de andere kant is er de vraag of er ook depressief mákende elementen in de prediking aanwezig kunnen zijn.
Dat depressieve aanleg een rol kan spelen, is met voorbeelden aan te tonen. Op Oudejaarsdag werd gepreekt over het Schriftwoord: 'dat onze dagen een handbreed zijn gesteld'. Wordt dan op Nieuwjaarsmorgen een andere thematiek aangereikt, dan blijft toch de Oudejaarsavondpreek domineren. Het kan ook voorkomen, dat de prediking geheel getoonzet is door de nadruk op de eeuwige heerlijkheid. Toch worden mensen, die permanent zitten met een doodsverlangen, er depressief van. Ze keren het gelegde accent om in tegengestelde richting. Kortom, men hoort alleen die elementen, die men horen wil of die men selecteert. De rest verdwijnt. Alles wat de prediker zegt, kan dan werken in een richting, die tegengesteld is aan datgene, wat wordt bedoeld. Hoorders fixeren zich juist geheel op de andere kant van de boodschap.
Oorzaken
Eén van de dingen, die psychische spanningen bij de mensen kunnen oproepen, is de viering van het Heilig Avondmaal. Drs. P.J. Verhagen heeft er eerder in ander verband al op gewezen, dat juist de avondmaalsgang vraagt om een goede, pastorale begeleiding. Achter de psychische spanningen rondom het Heilig Avondmaal zit de kwestie van de avondmaalsmijding. Het komt voor, dat mensen na de avondmaalsgang ook nooit meer ten avondmaal gaan. Daarachter kan liggen een té positieve aandrang in de prediking. Mensen worden als het ware aan het Heilig Avondmaal gedréven.
Soms wordt de suggestie gewekt, dat de gang naar het avondmaal de oplossing zou betekenen voor geestelijke problemen. Soms worden mensen ook rondom het Heilig Avondmaal ook in een bepaalde geestelijke sfeer gebracht. Onbewust wordt b.v. in de prediking een geëmotioneerde gemoedsgesteldheid rondom het Heilig Avondmaal gesuggereerd, die bij mensen niet aanwezig blijkt te zijn, wanneer ze voor het eerst ten avondmaal gáán. Mensen kunnen daar dan van schrikken; het is hen zo bitter tegengevallen. Een sommigen (zullen) zeggen: 'Eens en nooit weer'.
Soms kan in de dankzeggingsdienst ook de gedachte gewekt worden, dat mensen er zonde aan hebben gedaan door aan het avondmaal te gaan. Maar bij de niet-avondmaalgangers kan ook de suggestie worden gewekt, dat men een zonde tegen de Heilige Geest heeft begaan door af te blijven. Het kan de laatste keer wel zijn, dat men onder de bediening van het avondmaal is geweest. Dat kan bij hoorders een verhevigde werking geven: 'Wat heb ik nú gedaan?' Ook de voorbereidingsprediking kan dermate toegespitst zijn, dat er bij de hoorders eerder spanningen worden òpgewekt dan wèggenomen. De voorbereidingsprediking moet, evenals de nabetrachtingsprediking, ingebed liggen in het gehéél van de prediking.
Eenzijdigheden
Depressiviteit in de gemeente kan ook te maken hebben – althans, als het om het geestelijke leven gaat – met eenzijdigheden in de prediking. Er kan de eenzijdigheid zijn van een sterk appellérende prediking. De aandrang op de mensen, dat men als getuígende christenen moet leven is dan b.v. sterk, terwijl de werkelijkheid van alledag daar ver van af staat. De prediking kan dan links en rechts teveel liggen in de sfeer van het moeten.
Anderzijds is het ook mogelijk, dat er sprake is van eenzijdige tekstkeuze bij de predikers. Het is voor de predikant heilzaam op eenzijdigheid m.b.t. zijn tekstkeuze te worden gewezen.
Een dieper liggende vraag is, of in de gereformeerde prediking, in de gereformeerde religie alles niet sterk ligt onder het beslag van de eeuwigheid. In de eeuwigheid is (immers) pas het èchte leven en uiteindelijk loopt dit leven uit op de rechterstoel van Christus! Wat betekent het concrete leven hier en nu dan nog? Krijgt de positieve waardering van het leven 'hier en nu' soms niet in de prediking een onderbelichting? Bij Paulus wordt het éne echter niet tegen het andere uitgespeeld. Bij Paulus is er enerzijds duidelijk sprake van een geweldig gewicht, dat hij toekent aan de toekomst, zowel aan de toekomstige heerlijkheid, alsook aan het toekomende gericht. Maar tegelijkertijd staat bij hem het leven hier en nu, in het leven van de heiliging, onder positieve belichting.
In onze tijd – en dat is de andere kant – wòrdt echter in brede kring al heel sterk nadruk gelegd op het tegenwoordige leven. De meditatio futurae vitae, de overdenking van het toekomende leven ontbreekt vaak maar al te veel. Maar anderzijds mag de vraag worden gesteld of het boek Prediker in het geheel van de prediking niet een randverschijnsel is. Het leven mag toch ook worden gewaardeerd in positieve zin? In het boek Prediker wordt b.v. toch ook gesproken van het met elkaar vreugde bedrijven?
De eeuwigheid mag de tijd ook niet dooddrukken. De nadruk op de eeuwigheid mag ook niet de suggestie wakker roepen, dat een mens toch verder maar 'niets' is.
Onbekwaam
Binnen de gereformeerde religie en dus ook binnen de gereformeerde prediking staat de gedachte centraal, dat de mens onbekwaam is tot enig goed. We moeten ons echter goed realiseren, dat het dan helemaal gaat over het verkrijgen van de genade. Als het om het verkrijgen van de genade gaat, is de mens tot geen ding bekwaam, is hij geheel afhankelijk daarvan. Juist die wetenschap – sterk benadrukt door bijvoorbeeld Kohlbrugge – kan een aangevochten mens vrolijk maken. Er hoeft van hem zelf niets bij. Het is pure genade als een mens behouden wordt.
Maar deze onbekwaamheid tot enig goed betekent niet, dat een mens dan verder in het leven van elke dag tot niets goeds meer in staat zou zijn. Beleving van de geestelijke onbekwaamheid tot enig goed behoeft niet in tegenspraak te zijn, mág zelfs niet in tegenspraak zijn, met de menselijke verantwoordelijkheid op allerlei terreinen van het leven. Het gaat om een geïntegreerd en zo een evenwichtig leven.
Anderzijds moet worden bedacht, dat de mens een historisch bepaald mens is. Hij is niet door alle tijden dezelfde. Kohlbrugge heeft in zijn tijd gereageerd op de gevoelsmatige mens. Zijn prediking ging daar op in, met nadruk op de radicaliteit van de genade.
En verder moet worden bedacht, dat ook dominees subjectieve wezens zijn. Zij brengen ook zichzelf mee, hebben hun eigen eenzijdigheden, hebben ook hun eigen neerslachtigheid. Het is dan ook goed als de kerkeraad als geestelijke eenheid rondom de prediking functioneert, zodat de dominee geen egotripper wordt, maar men met elkaar de inhoud van de boodschap draagt en ook corrigeert.
Zelfdoding
Zelfdoding is soms de uiterste consequentie van diepe depressies. Enkele jaren geleden is door de Zeeuwse psychiater Van Scheyen de suggestie gewekt, als zou zelfdoding in gereformeerde kring, zeg ook in bevindelijke kring, méér voorkomen dan daarbuiten. Deze opvatting is allang weersproken. Zelfdoding komt in alle kringen voor. We zullen nochtans ook moeten onderkennen, dat het gevaar van de neiging tot zelfdoding kan optreden vanwege bepaalde elementen in de prediking. In concreto: als telkens in de prediking wordt gezegd, dat een mens in zijn zelfmishagen zover moet komen, dat hij met het koord om de hals komt te lopen; of als gesuggereerd wordt, dat de walging van zichzelf zo diep moet zijn gegaan, dat men eerst aan de gaskraan moet hebben gelegen, dan zijn er ook voorbeelden van te geven, dat dit in werkelijkheid in de gemeente voorkwam. Het wordt dan wel heel ernstig, wanneer in het geval van zelfdoding op grond van dergelijke suggestieve uitspraken in de prediking, direct ook het oordeel wordt geveld, namelijk van de eeuwige verlorenheid.
Anderzijds moet worden gezegd, dat in gevallen van zelfdoding binnen de gemeente er in de praktijk slechts zelden sprake is van een directe relatie met de prediking. Als de suggestie wordt gewekt, dat in gebieden van ons land, waar lijdelijkheid domineert, of waar de uitverkiezing in de prediking domineert en de onmacht van de mens alle nadruk krijgt, zelfdoding het gevolg is, dan moet daar tegenover worden gesteld, dat ook in die gevallen zelfdoding vaak optreedt bij randkerkelijken. Soms komen mensen b.v. in grote problemen in verband met geldkwesties of in verband met andere kwesties, die het levensklimaat kenmerken.
Maar het kan ontegenzeggelijk ook zijn, dat mensen geestelijk zeer in de engte gedreven zijn. Bijvoorbeeld na een eerste avondmaalsgang, die hen niet heeft gebracht, wat zij ervan hadden verwacht, of wat gesuggereerd werd, dat het zou kunnen brengen.
Soms zijn mensen ook zó geestelijk opgestuwd in de gemeente, zó het centrum geworden van een bepaalde kring, waar men in aanbidding naar hen opzag, dat ze uiteindelijk zelf het verwachtingspatroon niet konden waarmaken en tenslotte de hand sloegen aan zichzelf.
Maar intussen staat elke predikant ook voor de ráádselàchtige gevallen. Enerzijds is er sprake van kinderen Gods met een rijk geestelijk leven, die toch in momenten van wanhoop of diepe depressie de hand aan zichzelf slaan en waarbij eerbiedig zwijgen past. Anderzijds zijn er soms ook onverklaarbare ontwikkelingen in het leven van mensen, waardoor zij, tot zelfdoding worden gedreven.
Soms praten mensen elkaar ook geestelijk na, om bij een bepaalde kring te kunnen behoren. Ze leven onder een schijn en dan is één preek soms voldoende om hen te ontmaskeren en hen voor de uiterste consequentie te plaatsen.
En uiteindelijk blijkt telkens ook weer, dat Christus niet het einde is van àlle depressiviteit. En dat het ook zeker niet zo is, zoals in evangelische kringen wel wordt gesuggereerd, dat, als men zijn hart aan de Heere, aan Jezus geeft, depressiviteit is uitgebannen.
Van belang is verder op te merken, dat er, hoewel er soms sprake is van een negatieve uitwerking van de prediking, gegeven bepaalde eenzijdigheden, ook vaak de positieve uitwerking van de prediking kan worden gesignaleerd. Het komt ook voor, dat mensen enkele malen in hun leven al gepoogd hebben de hand aan zichzelf te slaan maar tenslotte door de prediking in de ruimte worden gesteld en met een getuigenis op de lippen, in de vrijheid van de kinderen Gods mogen heengaan.
Wel is het van belang om ook in de prediking aan de orde te stellen, vanuit de Schriften zelf, gevoelens van wanhoop, waardoor mensen kunnen worden bevangen. Zó, dat de hoorders herkennen, waar het in hun leven soms ook op vastzit.
Psalm 88 is hier een duidelijk voorbeeld. Rom 8 : 18 biedt uitzicht.
Doodzonde
Mensen kunnen ook depressief zijn omdat ze de idee hebben 'doodzonden' te hebben begaan. Een kiese kwestie is die van de homosexualiteit. Het is een duidelijk gegeven, dat mensen die worstelen met hun homosexuele geaardheid en weten, dat zij deze niet in sexuele relaties mogen beleven, vaak sterk depressief zijn. Telkens weer als de kwestie van de homofilie en de homosexualiteit aan de orde is in kerkelijke discussies of in het geheel van een gemeente, komen de dingen weer onweerstaanbaar op hen af. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat rondom homosexualiteit vaak de suggestie is en wordt gewekt van het bedrijven van een doodzonde. Nu is alles, wat op het terrein van de sexualiteit op zich ligt, vaak getrokken in de sfeer van de meest erge zonde die er is, terwijl de wet tien geboden heeft. In de brief aan Jacobus wordt vervloeking uitgesproken over diegenen, die het loon van de dagloner inhouden. Maar toch weegt deze zonde in de praktijk van het gemeentelijke leven vaak minder zwaar dan sexuele zonden. Dat heeft alles te maken met het feit, dat sexualiteit zich in het verborgene, in het duister afspeelt, en, negatief geformuleerd, zich voltrekt in het onderste deel van het lichaam. De sexualiteit op zich wordt vaak, vanwege de vergroeiingen op dit terrein, negatief gewaardeerd. Daardoor hebben mensen vaak sterke schuldgevoelens m.b.t. sexualiteit.
In de Rooms Katholieke Kerk werd in het verleden in dat verband van doodzonden gesproken. In de gereformeerde prediking zal die uitdrukking zó niet worden gebezigd, maar in de belevingswereld van de mensen is er vaak wel sprake van doodzonde. Dat ligt dan zeker zo als het gaat om het practiseren van homofiele geaardheid. Juist mensen, die hier worstelen met hun geaardheid, hebben vaak een sterk schuldbesef. Diegenen echter, die in homosexuele praxis leven, vanwege de invloeden, die ze ondergaan uit de moderne cultuur, hebben in dit opzicht vaak veel minder schuldbesef. De prediking als zodanig kweekt dan bij de (die) mensen vaak ook veel minder schuldbesef dan voor waar wordt gehouden.
Anderzijds is het zo, dat waar mensen echt voor het gericht van God worden gesteld, ook het schuldbesef gaat functioneren. Dan zal in de prediking de genade echter niet ten onder mogen worden gehouden.
Conclusie
Tot zover de impressie van het gesprek. Onbeantwoord blijft de vraag of mensen, die van jongsaf aan onder de gereformeerde prediking van zonde en genade hebben gezeten, niet ook een zodanige visie op het leven hebben, dat daar op zich elementen van depressiviteit het gevòlg van kunnen zijn. Vaak gaat het dan echter om vergroeiingen ten aanzien van de gereformeerde geloofsleer. Waar de gereformeerde religie klaar en evenwichtig aan de orde komt en dus de Schriften domineren, daar zal depressiviteit nooit het gevòlg van de prediking kunnen zijn. Want dat zou betekenen, dat het Woord zelfdebet is aan depressiviteit.
Daarom is het besef van schuldig zijn voor Gods Aangezicht nog iets anders als depressiviteit. Vanuit de schuld is er immers de heenwijzing naar de genade, naar het licht, dat in Christus is opgegaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's