De Bond in de Bonte Stad
Bijgaand treffen de lezers de tekst van een referaat aan van dr. C.A. van der Sluijs, Rotterdam (Z.), gehouden op een vergadering van ambtsdragers van de grote steden, belegd door het Overleg Grote Steden, op zaterdag 27 april in de Maranathakerk te Rotterdam-Zuid. Omdat dit referaat enige discussie opriep zal binnenkort een bijdrage worden geplaatst van drs. C. Blenk te Amsterdam waarin hij ingaat op enkele aspecten uit het referaat van dr. Van der Sluijs.
Op de ontmoetingsdag zaterdag 27 april jl. van hervormd-gereformeerde ambtsdragers in het kader van Overleg grote steden, uitgaande van de Gereformeerde Bond, werd het mij gegeven hardop na te denken over de plaats van een 'Gereformeerde Bondsgemeente' midden in de grote stad. Op verzoek wil ik proberen een en ander schriftelijk weer te geven en zo mogelijk hier en daar wat toe te lichten.
Uiteraard zal dit hardop nadenken vooral vragenderwijs gestalte krijgen. Voorzichtig wil ik een aantal vragen stellen, waarop ik zo maar geen pasklaar antwoord heb, maar die wellicht toch in de richting van een antwoord tenderen.
Voor alle duidelijkheid wijs ik er op, dat dit hardop nadenken de discussie wil bevorderen dan wel gaande houden.
Pastoraat en evangelisatie
Met name in de oude stadsgedeelten kennen geografische wijkgemeenten grote aantallen 'slapende' leden. Ze staan nog in de kaartenbak en ze behoren er dus nog bij, maar ze 'doen nergens meer aan', naar eigen zeggen.
In de praktijk komt dat hierop neer, dat er kinderen geboren worden, dat er huwelijk ken gesloten worden (indien dit nog gebeurt) en dat er mensen begraven worden, zonder dat de kerk op enigerlei wijze eraan te pas komt of het moest zijn via de registratie.
Ouderlingen bezoeken deze 'papieren' leden, voorzover ze nog binnengelaten worden, maar krijgen in alle talen nul op het rekest! De kerk 'hoeft' voor deze mensen niet meer.
In arren moede zien de pastoraalouderlingen zich dan genoodzaakt, deze armoede 'over te doen' aan de evangelisatie.
Mijn vraag is: Kan dit eigenlijk wel? Is de evangelisatie per Bijbelse definitie niet gericht op hen, die 'buiten' zijn, dus op de buiten-kerkelijken?
Als het pastoraat onder de 'slapende' leden van een geografische wijkgemeente langzamerhand overgaat in evangelisatie, kàn dit dan eigenlijk wel, of moeten we met Luther zeggen: 'Voorbij is voorbij...!'
Immers 'slapende' leden zijn niet langzamerhand terug bij af om vervolgens weer 'neutraal' buiten-kerkelijken te worden, maar in feite vormen zij een stervend en afstervend deel van de gemeente. Dient het pastoraat zich dan niet te verdichten in enige vorm van Bijbelse tucht in plaats van te 'vervluchtigen' in oneigenlijke evangelisatie? En functioneert deze evangelisatie dan niet als doekje voor het bloeden, waarbij op den duur en tenslotte het middel erger zal blijken te zijn dan de kwaal? Slapers moeten immers wakker gemaakt worden en niet in diepere slaap gewiegd!?
Secularisatie en getuigen
Het bovenstaande hangt weer samen met het volgende: Evangelisatie stuit momenteel op secularisatie (ontkerstening). En draagt deze secularisatie in ons land en in West-Europa niet alle trekken van een post-christelijk tijdperk? En als we hier dan nochtans hebben te getuigen, is ons getuigenis dan wel adequaat, helemaal betrokken op dit post-christelijk tijdperk? Of evangeliseren we in feite nog net eender als in de vorige eeuw?
Als dit zo is, dan moet het toch niet bevreemden, dat evangelisatie vandaag nauwelijks of geen effect heeft. Wel moeten we ons dan weer afvragen wat we onder effect hebben te verstaan. Verharding kan ook één van de effecten zijn van de Evangelieverkondiging. Horende zullen ze horen en niet verstaan! Maar het lijkt mij, dat dit toch meer slaat op het volk Gods ofwel de gemeente, en dat dit verhardingsproces zich in de eerste plaats alleen maar kan voltrekken onder en door het pastoraat. En dus niet vanwege evangelisatie. Wèl is het zo, dat deze evangelisatie te maken heeft met een verhardingsproces, dat historisch gegroeid is door de eeuwen heen en door de geslachten heen.
Zou het dan zó zijn, dat ons getuigenis in de richting van de buitenkerkelijke, minder cryptisch en meer apocalyptisch zou moeten worden? Verbergt de taal, waarin we evangeliseren, in feite niet méér dan dat zij werkelijk Bijbels openbáárt en dus ópenbaart?
Ik heb soms de indruk, dat de buitenkerkelijke al net eender begint te reageren als de kerkelijke: Men weet het allemaal al lang! Men bespeurt zelfs geen aanleiding en neemt dus ook niet de moeite om echt kwaad te worden. Een verveeld schouderophalen kan er nèt nog af.
Maar als de eindtijd zich momenteel intensiveert in en gekwalificeerd wordt door het post-christelijk tijdperk ten onzent, dient dan ons getuigenis navenant niet meer apocalyptisch te worden? En dus ook de vorm, en dus ook de taal, waarin dit getuigenis zich manifesteert?
Gemeente en evangelisatie
ledere gemeente heeft wel een evangelisatie-commissie. Zeker een gemeente in de grote stad. In vele steden zelfs met een full-time evangelist. Praktisch gezien heeft zo'n commissie zeker recht van bestaan. Maar als het getuigen primair behoort bij de gemeente als zodanig en bij de individuele gemeenteleden in het bijzonder, dreigt dan niet het grote gevaar dat dit getuigen gedelegeerd wordt naar een commissie, die zo'n beetje plaatsvervangend getuigt namens de gemeente? En is dit in veel opzichten niet de trieste werkelijkheid geworden? De collecte voor de evangelisatie kan zó zelfs gaan fungeren als een aflaat.
Daarbij kan zelfs de vraag gesteld worden of getuigen niet zó oorspronkelijk en zó spontaan is en dus dient te geschieden, dat dit nimmer in enige vorm van organisatie kan worden gegoten.
En als dit zo is, in hoeverre vormen één en ander dan juist een sta-in-de-weg voor het beoogde doel?
Een volgende vraag is dan, hoe het dan eigenlijk zit met het getuigenis en dus met het geestelijke leven van de gemeente.
Als er sprake is van geestelijk leven, maar men ziet geen kans of men heeft er zelfs geen behoefte aan om uit te gaan naar het verlorene, is dit dan geen bepèrkt geestelijk leven? Of is het zó, dat die beperking de gemeente wordt opgelegd door de postchristelijke secularisatie, en moeten we er dus langzamerhand tevreden mee zijn dat ons nog een plaats 'gegund' wordt in de woestijn? En is dat hetzelfde als de plaats, die de vrouw (de Kerk) van God 'bereid' werd in de woestijn (vgl. Openb. 12 : 6)?
Ondertussen zie ik in de Evangeliën Jezus onophoudelijk uitgaan tot het verlorene. En hangt hiermee niet samen de centrale gereformeerde leer van de rechtvaardiging van de goddeloze?
Als een hervormd-gereformeerde gemeente in de grote stad dan eigenlijk geen raad weet met de buitenkerkelijke, is haar geestelijk leven dan geperverteerd of gefrustreerd? — dat is mijn vraag!
Gefrustreerd vanwege de secularisatie en daarom geperverteerd of juist daardoor geperverteerd en daarom gefrustreerd? Ervan uitgaande, dat Bijbels-gereformeerde prediking leidt tot gezond geestelijk leven.
Drempel en stempel
Met bovenstaande hangt weer samen de vorm, waarin en de manier waarop we gemeente zijn in een geseculariseerde en post-christelijke situatie, waarin met name de grote stad zich bevindt.
Kort en bondig in een bondse en bonte situatie: Hoe zit het met de drempel naar de kerk?!
Is de kleine traditie niet net zo heilig doorgaans — en soms nog heiliger — dan de grote traditie van de Kerk der eeuwen?
Hoe moet dat met en in een gemeente in de grote stad, die het stempel draagt van de Gereformeerde Bond?
Ik wil het houden bij de Psalmen en ik wil geen gezangen in de kerkdienst, omdat de impasse, waarin de Gereformeerde Gezindte ten deze in Nederland is geraakt, menselijkerwijze niet meer te doorbreken is. Maar ik wil wèl kwijt, dat ik ons als hervormd-gereformeerden hoe langer hoe meer schizofreen zie worden. Wèl, en enthousiast, gezangen in een evangelisatiedienst of tijdens bondsdagen of vóór de dienst met Kerst, Pasen enz. (dit laatste lijkt me zelfs een beetje zielig), maar niet tijdens de kerkdienst.
Met dit laatste akkoord! — vanwege de 'nood' der tijden, maar komt er zo niet al te veel discrepantie tussen onze evangelisatie en ons kerk-zijn in de grote stad? En de grotere plaatsen in ons land herkennen toch dezelfde (conflict)situatie?
Of moeten we in een toegespitste situatie onze vraag zó toespitsen of we in onze grote steden de evangelisatie nog wel kunnen uitbesteden aan een commissie... op gevaar af geen gemeente meer te zijn?!
In dit verband zou er ook gevraagd kunnen worden of onze zogenaamde buitenleden wel genoeg lijden aan de kerk, hetgeen alles te maken heeft met een authentiek getuigenis in de directe woon- en leefwereld. Het Bijbelse getuigen is immers altijd gerelateerd aan lijden, zelfs tot in de uiterste vorm van het martelaarschap.
Het direct geconfronteerd worden met een ontkerstende wereld heeft ook een positief punt en misschien is dit wel het enig Bijbels legitieme: Gelet op de eerste christengemeenten, kunnen immers de waakzaamheid en de weerbaarheid van een gemeente erdoor verhoogd worden.
't Wordt dan immers een kwestie van overleven, en waarachtig niet alleen organisatorisch en financieel. In plaats van een terugtrekkende maakt de gemeente dan een voorwaartse beweging. En zou dit niet alles te maken hebben met het volgen van Christus?!
'En die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde (Psalm 72 : 16b)'.
Als dit waar is — en dit is waar! — dan mogen we in de stad zelfs trendsetter zijn voor de rest van het land.
't Is maar hoe je het bekijkt en hoe je te werk gaat — vanuit jezelf of vanuit God en Zijn beloften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's