De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

14 minuten leestijd

Bidden gelijk het niet behoort
3 mei overleed plotseling de Pools-Amerikaanse schrijver Jerzy Kosinski op 57-jarige leeftijd. Hij sloeg de hand aan zichzelf. Het bericht van zijn dood verscheen in de pers op de dag van de dodenherdenking. Deze twee feiten zetten me aan de lezing van Kosinski's wereldberoemde boek uit 1965 'The Painted Bird', dat in onze taal in 1979 verscheen onder de titel 'De geverfde vogel'. Hierin wordt het verhaal verteld van een joods jongetje tijdens de oorlogsjaren 1939-1945 in Oost-Europa. Aan dit boek ligt Kosinski's eigen gruwelijke levensverhaal ten grondslag. Om aan het concentratiekamp te ontkomen, sturen zijn ouders hem bij het uitbreken van de oorlog naar het platteland. De meest afschuwelijke ervaringen doet hij daarbij op in het coritact met de boerenbevolking. Waar het me in dit verband om gaat, is een passage waarin het intussen tienjarig jongetje in contact komt met een plaatselijke parochie op het Poolse platteland. Hij leeft dan bij een katholieke boer, die hem bijna dag en nacht mishandelt. Op een dag hoort hij een priester tegen een oude man zeggen, dat God voor sommige gebeden aflaten verleent van honderd tot driehonderd dagen. Hoe groter het aantal gebeden, des te beter worden de levensomstandigheden, maar hoe geringer des te smartelijker wordt het leven. De fantasie van het jongetje begint terstond te werken. Je moet kennelijk een groot aantal gebeden bidden om zo aflaatdagen op te sparen. 'Ergens hoog in de hemel werden al die gebeden die opstegen van de aarde netjes opgevangen en ieder mens had er een eigen kist, waarin zijn aflaatdagen werden opgeborgen'. Het jongetje vraagt een gebedenboek te leen bij de priester en zoekt daarin die gebeden op, die het hoogste rendement aan aflaatdagen opleveren. Helaas voor het jongetje: dit hoofdstuk eindigt met de barre daad van een aantal christelijke boeren, die het jongetje in een put met uitwerpselen gooien, waardoor hij voor jaren zijn spraakvermogen verliest vanwege de doorstane angsten en verschrikkingen. Aan dit fragment moest ik denken, bij het lezen van een aantal boeiende artikelen van de hand van prof. dr. W. van 't Spijker in 'De Wekker' van 26 april en 3 mei over het gebed bij Luther. Boven het eerste artikel staat het opschrift: Nood leert bidden, of: bidden leert ons onze nood kennen. De nood van het jongetje uit Kosinski's verhaal deed hem bidden, echter zonder resultaat. Hij bad niet gelijk het behoort, niet gelijk Christus het ons heeft geleerd. Luther laat zien, aldus prof. Van 't Spijker, dat het ook zo kan zijn dat het gebed ons pas recht onze nood doet kennen. Die omkering hoort bij de geheel andere benadering die de Reformatie tot stand heeft gebracht. 'Wij leren onze nood recht en grondig kennen, niet vanuit onszelf maar voor Gods aangezicht en uit genade.' Van 't Spijker citeert Luther dan uit diens verklaring van het Onze Vader, opgenomen in de Grote Catechismus. In dit citaat veroordeelt Luther het bidden van monniken en priesters, het bidden om aflaatdagen te verdienen, gelijk het jongetje uit 'De geverfde vogel', als een onbehoorlijk bidden. Dag en nacht, aldus Luther, huilen en murmelen ze, maar niemand van hen denkt er aan om werkelijk een of andere kleinigheid te bidden. Bidden is bij hen zoiets als een goed werk doen, zonder dat er nood gevoeld en gekend wordt. Pas het echte en rechte kennen van de nood brengt tot een echt en recht gebed.

Luther verwerpt hartgrondig het liturgisch formalistische 'huilen en murmelen' van de monniken, dat hij moorddadig noemt. Zij bidden dag en nacht. Maar er is bij alle kabaal dat zij maken, geen werkelijke nood in hun gebed. Zij kennen hun nood niet. Er is geen werkelijke gehoorzaamheid tegenover God en er is evenmin geloof in de belofte. Hun gebed berust op prestatiedwang. Zij willen iets leveren aan God, maar zij willen van Hem niets ontvangen.
Men herkent in deze opmerkingen de kritiek, die Luther uitoefent vanuit het geloof in de rechtvaardiging uit genade alleen. In het gebed geven wij niets aan God, maar ontvangen wij van Hem. Daarmee heeft Luther een van de wortels blootgelegd van de werkheiligheid, die zich meester kan maken van de heiligste verrichtingen, ook van het gebed. Wij hebben dan onze plichten tegenover God waar te nemen. Hebben wij ze volbracht, en daarmee gedaan wat in ons vermogen is, dan is de beurt aan God. Hij moet ons verschaffen op grond van onze verdiensten, wat wij hebben gevraagd aan Hem. We herkennen in die houding iets van de voor-reformatorische ontwikkeling, die in de theologie van die tijd haar neerslag heeft gevonden. Een mens moet doen wat in zijn vermogen is. God doet de rest. Hij vult aan, wat wij missen. Men gevoelt hoe funest deze levenshouding moet zijn, wanneer de mens in het gebed tot de Heere nadert.

Prof. Van 't Spijker merkt dan vrij scherp op, dat ook onze vroomheid menigmaal nog niet aan deze middeleeuwse zienswijze is ontgroeid, hoeveel hervormingsdagen wij ook reeds hebben gehouden. We leggen zo licht verdienste in ons gebedsleven. Bidden wordt een plicht en we komen min of meer onze plichten na. Méér kan een mens toch niet doen, wordt soms met een zucht gezegd? Maar, aldus prof. Van 't Spijker, kennen we onze nood wel recht en grondig? Monnikengebed: gehuil, moorddadig huilen en murmelen, zo noemt Luther deze uiting van werkheiligheid.

Bidden gelijk het behoort
Hoe wordt het rechte bidden geleerd? Leert de nood ons bidden? Of kan het ook zo zijn dat het echte gebed pas onze nood doet zien?

Wij vinden de nood in ons hart. En die nood kan ons duidelijk worden, wanneer wij haar formuleren. Om ons daarin te hulp te komen, zo zegt Luther, heeft God ze voor ons op formule gebracht in het Onze Vader. Het volmaakte gebed moet daarom dienen om onze nood in herinnering te brengen, opdat wij niet traag worden in het bidden.
Hoe juist heeft Luther hier de zaak weergegeven. Onze nood is nog niet altijd die nood, die voor God geldt. We hebben onze problemen. Wij maken ze soms meer, dan dat wij ze hebben. Gelden ze voor God ook, als onze éigenlijke problemen? Het is leerzaam, dat we onze nood niet leren kennen uit ons eigen hart, hoewel ze daar gevoeld moet worden, maar uit het gebed, waarin de Heere ons het bidden heeft willen leren. De Naam van God, het Koninkrijk van God, de wil van God... zij staan dikwijls niet in verband met onze nood. We voelen ons weinig in benauwdheid, als het gaat om Gods Naam, zijn eer en zijn zaak. We bekommeren ons er niet zo geweldig veel om. Zou dit juist niet onze diepste nood kunnen zijn?

Er wordt onder ons weleens wat al te clichématig gezegd: de nood van een mens is, dat hij zijn nood niet kent. Intussen is dat wel waar en juist geformuleerd.

Ons dagelijks brood, onze schuld, de verzoekingen! De Heere zegt: dat is uw nood. Wij zeggen: we redden ons wel. En zodra het ons minder gemakkelijk afgaat, bent U er immers ook nog? Waar is het afhankelijke leven? Waar is het dorsten naar een verzoende betrekking met God? Waar is het besef van onze zwakheid te midden van aanvechtingen en verzoekingen? Luther zegt: we leren onze nood kennen uit het gebed, dat de Heere ons zelf heeft geleerd. Wij beginnen, waar God eindigt. En daarom sluit het gebed niet aan bij gehoorzaamheid en geloof in de belofte. Waaruit kent ge uw ellende? Uit mijn gebed. Uit welk gebed? Uit het allervolmaaktste gebed, waarin wij bemerken, dat Gods Naam, Zijn eer en wil, Zijn Rijk alle voorrang heeft. Wij bidden vaak achterstevoren. En als we de volgorde wel getroffen hebben, zeggen ons de zaken veel te weinig: de broodvraag, de vergeving en de bewaring.
Luther zegt, dat God graag wil, dat we onze mantel uitbreiden om veel te ontvangen. God geeft: in de dag der benauwdheid, mild en overvloedig. 'Wij hebben immers allen genoeg wat ons ontbreekt, maar we voelen en zien het niet'. Daarom wilde de Heere ons ook léren bidden.

Voorbede doen
Een beetje aarzelend kwam hij naar me toe aan het eind van een preekbespreking. Toen kwam het er uit: Ik vind dat uw gebeden in de kerkdiensten te onpersoonlijk zijn, te weinig concreet, het is soms meer een preek vooraf en een preek achteraf. De voorbede blijft vaag, het nodigt niet uit om mee te bidden en kan dat niet anders? Zulk reageren raakt diep en is veelal in de roos geschoten. Want het is vaak waar. Kan dat ook niet een oorzaak zijn voor de klacht, die nogal eens vernomen wordt: er gebeurt zo weinig in onze kerkdiensten, het is zo statisch, zo weinig herkenbaar in ons dagelijks leven? Prof. Van 't Spijker citeert opnieuw Luther over de voorbede van de gemeente. Ik citeer hier de reactie op Luthers woorden.

Opmerkelijk is in dit citaat de betekenis, die Luther hecht aan de voorbede. Er moet voorbede gedaan worden voor predikanten, overheden, buren enz. Het hele leven wordt op deze manier binnen de veiligheidszone van het gebed gebracht. Op dit gebied is het veilig.
Luther zegt: het is er niet zo koud en ruw. Inderdaad, wanneer wij het klimaat onder broeders en zusters van hetzelfde huis zouden afmeten met behulp van deze maatstaf, dan kunnen we wel zeggen: er wordt te weinig gebeden onder ons. Men moet de gesprekken maar eens horen! De achterdocht ten opzichte van eigen geloofsgenoten. Het is zo koud en ruw geworden onder ons!
Daarmee hangt samen, dat het gevoel van veiligheid ontbreekt. We zoeken die te weinig in God en in zijn belofte. Daaraan herinnert Luther ons ook heel welbewust. Waarom voelen mensen zich bedreigd ten opzichte van elkaar? Zou het niet kunnen komen vanwege het gebrek aan vertrouwen in de belofte van God?
De vrijheid van een christenmens is verdwenen. We herinneren onszelf te weinig Gods gebod en belofte omtrent het gebed. Eigenlijk ligt de zaak nog iets dieper. We herinneren Gód te weinig aan zijn gebod en belofte. Dat wil zeggen, dat wij in de omgang met God niet staan in de vrijheid, die het evangelie ons biedt. We hebben niet de beschikking over de kracht van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Daaraan ontbreekt het. Vandaar dat de vrede van de vrijspraak Gods niet gekend wordt en wij zoeken die dan op alle mogelijke manieren ons zèlf eigen te maken.
Geen wonder: de duivel is daar op uit. De duivel weet, hoeveel schade het hèm doet als er goed gebeden wordt. De vaste grond van het gebed ontneemt hij ons: Gods gebod en Zijn belofte. Kan het dan nog goed gaan? Zal er vrede zijn in ons hart?

Hoe waar gezegd: de duivel kent de schade die het gebed aan zijn rijk toebrengt. Vandaar dat er hem alles aan gelegen is om de kanalen van het gebed te laten dichtslibben. Dat betreft ons persoonlijk leven, maar niet minder het leven van de gemeente. Bezondigen ook wij voorgan­gers ons niet aan het 'huilen en murmelen' dat Luther zo hekelde in het vormelijk bidden van de priesters van zijn dagen?

De kracht van het gebed
Luther zegt, aldus prof. Van 't Spijker, in zijn uitleg van het Onze Vader ergens o.a. dit: 'Want als ergens een vrome christen bidt: "Lieve Vader, laat toch Uw wil geschieden", dan spreekt Hij daarboven: "Ja, mijn lieve kind, het zal zeker gebeuren, de duivel en de hele wereld ten trots".'

Luther verwijst in zijn catechismus naar de kracht van het gebed voor het gehele volksleven. Hij schrijft het toe aan het gebed van 'enige vrome mensen', die een ijzeren muur hebben opgericht rondom het evangelie en zijn belijders in de woelige tijd, waarin hij zijn catechismus opstelde. Het waren de jaren van de revolutie, die duizenden slachtoffers eiste. Ieder was verschrikt, vanwege het vele bloed dat vloeide. En, zegt Luther, dat het goed gegaan is, is te danken aan het gebed van een paar vrome mensen. Zij hebben gebeden. En daardoor zijn zulke grote dingen gebeurd.
Opvallend is het kinderlijke geloof, dat in deze passage over het gebed naar voren komt.
'Lieve Vader', zegt het geloof 'Lief kind', zegt God. En in deze Vader-kind verhouding schuilt de kracht van de voorbede. We mogen ons dit wel te binnen brengen. De meest intieme verhouding tussen de hemelse Vader en het kind van God hier op aarde wordt in het gebed van de binnenkamer beleefd. Is die kamer er nog in onze moderne huizen? En als ze er nog is, is er dan ook het geloof, dat vanuit de, binnenkamer een ijzeren muur, een veilige wal van gebeden wordt gelegd rondom het werk van God in de wereld? Geloven we, dat er een verborgen relatie bestaat tussen onze binnenkamer en, laat ik zeggen, onze tweede kamer?

Luther keert zich sterk tegen wat hij noemt het 'onnut gehuil en gemurmel', tegen de omhaal van woorden die Jezus bij zijn tijdgenoten hekelt. Prof. Van 't Spijker sluit het hier geciteerde artikel tenslotte af met:

Gehuil en gemurmel: Luther denkt aan het onbegrijpelijke liturgische gebruik van het kerklatijn, onverstaanbaar voor het volk in de kerk. De verplichte liturgische nummers werden volgens rooster afgewerkt. Wauwelen is iets geheel anders dan waarachtig bidden. Men behoeft niet in de kerk te zijn, om dit onderscheid te leren maken. Ieder die weet wat bidden is, kent ook het gevaar van de omhaal van woorden, het zinloze gebrabbel, dat geen gebed mag heten. Luther waarschuwt daartegen. En wie zou niet gewaarschuwd willen wezen, die begeert in oprechtheid te leven? Heere, leer ons bidden! Dat is een zaak van 'gebedsgestalte'.

Bidden uit verlangen
Mij trof één regel uit een artikel van de hand van dr. J. van Oort in een aflevering van NCRV's Theologische etherleergang Rondom het Woord (jrg. 33 nr. 1). Het betreft hier een bijdrage over leven en werk van Augustinus. Deze beschrijft de wereldgeschiedenis als een strijd tussen de stad van God en de stad van de duivel. Een christen is daarbij iemand die streeft in zijn leven naar het Rijk van God. God schept een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dat Rijk komt en dat verwachten wij met verlangen. En dan komt de regel, die me in dit verband trof. Augustinus zegt ergens: 'Waarom bidt een mens? Je bidt uit verlangen naar die stad van God'. En in het blad van de Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge 'Ecclesia' van 19 april 1991 kondigt dr. J. van Oort een boek aan van een Leuvense hoogleraar en Augustinuskenner dr. T.J. van Bavel, met de opmerkelijke titel: 'Verlangen bidt altijd. Bidden met Augustinus.' En dr. Van Oort sluit de aankondiging van dit geschrift af met een fragment uit één van Augustinus' preken, waarboven staat: 'God wenst te geven aan wie verlangt'.

De reden waarom God wil dat wij bidden, is:
dat Hij wenst te geven
aan iemand die echt verlangt.
Anders zou Zijn gave gemakkelijk
waardeloos worden in onze ogen.
Trouwens, dat verlangen
heeft Hij zelf ons ingegeven.
En de vorm van onze verlangens is ons gegeven
in de woorden die onze Heere Jezus Christus
ons leerde in het Onze Vader.
Het staat ons niet vrij
iets anders te vragen
dan wat daar geschreven staat.

Opmerkelijk: èn Augustinus èn Luther achten de betekenis van het gebed, dat Jezus ons leerde bidden daarom zo groot, omdat daarin onze verlangens, onze nood ons worden bekendgemaakt.
Zo vlak voor de herdenking van de uitstorting van de Pinkstergeest sluiten we af met een gebed om de Heilige Geest van Maarten Luther, geciteerd voor u uit: J.W. Schulte Nordholt, Een duif daalt neer, Amsterdam 1964, blz. 36.

Wij bidden U, o Heilge Geest,
om een recht geloof het allermeest:
dat het ons geleide en ons bevrijde
aan het eind uit alle aardse lijden.
Kyrieleis

Geef, kostbaar licht, ons helderheid,
dat wij Christus kennen voor altijd.
Leer Gij ons te bouwen op dien Getrouwe,
die ons 't vaderland zal doen aanschouwen.
Kyrieleis.

Geef, heilge liefde, ons uw gloed,
doe ons hart ontvlammen, geest en bloed,
dat wij een van zinnen elkaar beminnen,
alle haat en tweedracht overwinnen.
Kyrieleis.

Geef, hoogste troost in alle nood,
dat wij nimmer vrezen schande of dood,
dat wij niet versagen ten laatsten dage,
als de vijand zelf ons komt belagen.
Kyrieleis.

Maarten Luther

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's