De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

'Breedte van de kerk' – Perspectief of verlegenheid?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'Breedte van de kerk' – Perspectief of verlegenheid?

19 minuten leestijd

De Nederlandse Hervormde Kerk is van origine een brede kerk. Het Gemenebest in de zestiende eeuw is zelfs ontstaan in de worsteling om de Gereformeerde Kerk hier te lande. De kerk werd een brede, nationale kerk. Daarom is er altijd een nauwe band geweest tussen kerk en staat, totdat de Franse Revolutie een scheiding tussen kerk en staat bracht. Maar ook daarna is er nog lange tijd sprake geweest van een bepaalde wederkerigheid tussen de Nederlandse Hervormde Kerk en de overheid hier te lande.
In ieder geval was de Hervormde Kerk volkskerk. Daarmee wil gezegd zijn, dat de eeuwen door de Hervormde Kerk het ganse volk omvatten wilde. Dat betekent, dat het volk in brede lagen behoorde tot of op enigerlei wijze betrokken was bij de kerk, zoals die hier vanuit de Reformatie gestalte had gekregen. Eén en ander betekende echter ook, dat de kerk altijd breder is geweest dan binnen de grenzen van haar belijden, liever nog van haar gereformeerde belijdenis, tolerabel was of gewenst werd. Daarom is eigenlijk van meet af strijd gevoerd binnen de kerk, eerstens om de kerk gereformeerd te doen wòrden en zíjn, vervolgens om de kerk ook gereformeerd te doen blíjven. Er is dan ook geen enkele reden om het gereformeerd karakter van de kerk, ook in haar bloeitijd, wat het totále kerkelijke leven betreft, te idealiseren. Het percentage van ons volk, en daarin ook het percentage binnen de kerk, dat werkelijk gereformeerd mocht heten, heeft nooit een meerderheid op het totaal uitgemaakt. Dat op de Nationale Synode van Dordrecht de Remonstranten al moesten worden uitgewezen spreekt boekdelen. Al moet er direct worden bijgezegd, dat dit dan ook metterdaad gebéúrde. Maar verder, een beweging als de Nadere Reformatie zou niet nodig zijn geweest als de kerk in haar breedte en diepte ook voluit gereformeerd zou zijn geweest.


Hoewel in 1795 de scheiding tussen kerk en staat tot stand kwam, heeft de Hervormde Kerk sindsdien méér dan ooit, méér dan een eeuw lang, gezucht onder het juk van de overheid, middels de Reglementenbundel van Koning Willem I. En intern waren intussen de grenzen van de tolerantie fors verlegd. Op vele plaatsen werd het modernisme méér getolereerd dan die stroming, die echt gereformeerd was, conform de belijdenis. De kerk der vaderen was breed geworden als het ging om tolerantie ten opzichte van niet-rechtzinnige stromingen en bepaaldelijk smal als het ging om de plaats voor de rechtzinnigen.

1951
Genoeg hierover. Onze kerk is in 1951 uitgekomen van onder het gehate juk van de Reglementenbundel. Ze bleef evenwel de pretentie houden volkskerk te zijn. Dat betekende niet alleen, dat ze het hele volk omvàtten wilde, maar ook, dat ze op het hele volk gericht wilde zijn. Dat laatste zou worden gepraktiseerd door het uitgeven van herderlijke schrijvens, gericht ook tot volk en overheid.
Intussen koos de kerk, met haar kerkorde van 1951, ook voor een principiële breedte. De Hervormde Kerk zou weliswaar Christusbelijdende volkskerk zijn, die weren zou al wat haar belijden weersprak. Maar dat betekende niet, dat ze zó belijdende kerk zou zijn, dat ze weren zou alles wat met haar gereformeerde belijdenis in tegenspraak was. Er was wel de hoge pretentie, dat de richtingen zouden verdwijnen en zouden worden omgedoopt in modaliteiten, wijzen van kerk zijn binnen het zelfde belijden. Maar richtingen verdwijnen niet door te zèggen, dat ze verdwijnen móéten.
Ik heb er geen moeite mee hier nog eens te zeggen — ik heb dat in verschillende toonaarden eerder, ook recent nog, betoogd — dat de discussie rondom de Nieuwe Kerkorde van 1951 een hoogtepunt is geweest in ons kerkelijke leven, na meer dan anderhalve eeuw ballingschap van de Hervormde Kerk. En op zich was de formulering 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' best een hoge greep, namelijk om te verwoorden, dat de kerk niet alleen een belijdenis hééft maar ook daarmee hartelijk, van harte zou instemmen en eruit zou leven. Maar die greep was te hoog. Nadat de vrijzinnigen met name hun veto hadden uitgesproken over een al te stringente binding áán of zelfs verwijzing náár de belijdenisgeschriften, die immers —zo stelde men — historisch waren bepaald, werd al direct de kloof zichtbaar tussen diegenen, voor wie gereformeerd betekende 'conform de belijdenis' en diegenen, die vooral gereformeerd wilden 'wòrden', ongeacht de traditie van de gereformeerde vaderen; áls men al prijs stelde op die benaming.
En als we daarbij nog voegen, dat het apostolaat vooraf gesteld werd aan het belijden, omdat de kerk, al gáánde en vóórtgaande in de wereld, belijdende kerk zou zijn, dan was daarmee in principe een verder afgroeien van de gereformeerde belijdenis gegeven.

Hoe breed?
Hoe breed is de Hervormde Kerk nu na 1951 geweest? In feite bleef ze even breed als ze meer dan anderhalve eeuw was geweest. Het zij toegegeven, dat de principieel-vrijzinnigen, zoals die vandaag met name in de Zwinglibond verenigd zijn, zich onder de nieuwe formulering inzake het belijden ook niet happy voelden. De kerkorde was hen te gereformeerd. Maar feit is wel, dat de vigerende middenorthodoxie de lakens bleef uitdelen en haar stempel bleef zetten op het hervormde kerkelijke leven. Dat is gebleken in tal van geschriften, die werden uitgegeven en die slechts zelden voluit congruent waren met de inhoud van de belijdenis. Het duidelijkst is dat gebleken in het geschrift over de Uitverkiezing, waarin de leer van Dordrecht in feite terzijde werd geschoven. Maar ook een geschrift over de Verzoening, hoezeer ook bedòèld en ook inderdaad gegéven als weerlegging van de geruchtmakende uitspraak in deze van prof. dr. P. Smits 'geef mijn portie maar aan Fikkie', ontmoette verzet van hervormd gereformeerde zijde. Ds. G. Boer schreef toen een minderheidsnota, omdat dit geschrift toch niet integraal spoorde met de gereformeerde belijdenis.
We moeten ons vandaag, veertig jaar na de invoering van de Nieuwe Kerkorde, dan ook wel realiseren, dat de kerkorde van 1951 werd aanvaard met de stemmen van dertien hervormd gereformeerde synodeleden tegen. Dat laatste was met name daarom, omdat de overtuiging leefde, dat een kerk, die niet duidelijk haar affiniteit en congenialiteit met de belijdenis der vaderen uitsprak, in de praktijk moeilijk zou kunnen weren wat haar belijden weersprak. De grote vraag was en is immers wat we onder het belijden (maar dan wel in relatie tot de belijdenis) moeten verstaan.

De praktijk van het hervormd kerkelijk leven van de laatste veertig jaar heeft te zien gegeven, dat ieder, die zègt zich binnen de grenzen van artikel X te bewegen, ook geacht wordt zich te bewegen binnen de grenzen van het belijden der kerk. Er is geen enkele duidelijkheid omtrent de graag wat we vandaag onder het belijden der kerk verstaan. Niet in het minst komt dat tot uitdrukking in bepaalde apostolaatsorganen der kerk. Juist daar is manifest geworden dat het voortgaand belijden, in de apostolaire context, als er überhaupt nog raakpunten zijn met de gereformeerde belijdenis, dit nog slechts marginaal het geval is. Het apostolaat in gereformeerde zin is bankroet. Het belijden, dat door het apostolaat is gemodelleerd, is in de val van het apostolaat meegesleept.
Het lijkt mij om meer dan een reden gewenst deze kwestie van de kerkorde van 1951 hier nog eens aan de orde te stellen. In het Samen op Weg-proces is de laatste tijd de tendens waarneembaar om in het ontwerp voor een kerkorde te koersen in de richting van de Hèrvormde Kerkorde. In hervormde kring wordt dat — begrijpelijkerwijs — met instemming begroet. Mij dunkt echter, dat we ook hier en daar in hervormd-gereformeerde kring — en ik bedoel dan preciezer in de kring van de Gereformeerde Bond — dreigen te vergeten, dat de invoering van de kerkorde van 1951 juist onzerzijds op sterk verzet is gestuit.
Nu maakt weliswaar een kerkorde de kerk niet. Maar anderzijds is het wèl zo, dat de praktijk van het kerkelijk leven heeft uitgewezen, dat de theologische wortels, waaruit de kerkorde is opgebloeid, niet uit echt gereformeerde bodem opkwamen. En daarom moeten we niet denken, dat een Samen op Weg-kerkorde van echt gereformeerd gehalte is, wanneer zonder meer in de richting van de Hervormde Kerkorde wordt gekoerst. Dan zou de kwestie van 'gemeenschap' met de belijdenis der vaderen, alsook de volgorde van apostolaat en belijden opnieuw fundamenteel aan de orde moeten komen.
Maar afgezien nu van Samen op Weg: zolang de Hervormde Kerk voortbestaat zal er een hervormde kerkorde zijn. Veertig jaar na datum is het, dunkt mij, goed eraan te hennneren, dat we als hervormd-gereformeerden in 1951 deze kerkorde niet toereikend hebben geacht als het gaat om het gereformeerd karakter van de kerk. Dit zeg ik hoezeer ik ook besef, dat die kerkorde een monumentaal stuk mag worden genoemd, voortgekomen uit de worsteling om de crisis van meer dan anderhalve eeuw te boven te komen.

Versmalling
Intussen moeten we zeggen, dat de Hervormde Kerk op zich een geweldige smal-deling heeft ondergaan in de laatste tientallen jaren. De kerkelijke kaalslag deed zich het sterkst gevoelen in de grote steden. Maar de middelgrote steden volgden en ook het geheel van de kerk heeft de gevolgen van de ontkerstening en secularisatie in sterke mate ondervonden. Daarom is er vandaag weinig reden meer voor apostolaire triomfantelijkheid en voor grote woorden inzake de volkskerk. Naar búíten bezig zijnde, zijn we naar bìnnen al maar armer geworden.
Als we vandaag dan ook de benaming volkskerk nog willen bezigen, dan toch uitsluitend in die zin, dat de kerk profetisch gericht dient te zijn op het hele volk, om het volk te betuigen, dat buiten het leven naar de heilzame geboden Gods er ook voor land en volk geen dageraad is en om haar de beloften te betuigen, dat in het onderhouden van Gods geboden groot loon is. Maar dat zal alleen dàn geloofwaardig overkomen, wanneer de kerk zèlf, naar binnen toe, ook aan die profetische boodschap herkenbaar is.
Het is bepaald ook niet triomfantelijk bedoeld, als ik vervolgens zeg dat, mede door de sterke ontkerkelijking, het gereformeerde deel van de kerk relatief sterker is geworden. Dat er geen reden is tot triomfantelijkheid is dáárom gezegd, omdat vandaag geen enkele gemeente buiten de stormvang van de tijd staat. Ook in hervormd gereformeerde kring is vandaag veel aan de orde, dat zorgen baart, en waarin zich verschijnselen van desintegratie aandienen. Maar in het geheel van de kerk is de gereformeerde sector feitelijk in betekenis toegenomen. En moeten we niet eerlijk zeggen dat in confessioneel opzicht de kloof tussen het confessionele en het niet-confessionele deel is verbreed en dieper is geworden?
Dàt nu is de reden, dat de laatste jaren de uitdrukking 'breedte van de kerk' telkens valt. Ooit heeft prof. dr. H. Berkhof gezegd, dat de hervormd-gereformeerden in de loop der jaren dóór moesten onder het juk van repressieve tolerantie van de Middenorthodoxie. Dat is een feit. Marginaal slechts werden hervormd gereformeerden bij het beleid betrokken. Het beleid op zich moest echter bij voorbaat worden 'veilig' gesteld door samenstelling van commissies en organen, die het stempel droegen van de Middenorthodoxie. Daarin is de laatste jaren in zekere zin — ik zeg: in zékere zin — een kentering gekomen, een duidelijke kentering zelfs. De 'breedte van de kerk' moet bij alle kerkelijke arbeid betrokken worden, zo heet het dan. Niet dat dit betekent, dat men ook vandaag ooit zou komen tot samenstelling van commissies of organen, die in meerderheid bestaan uit personen, die zich gebonden weten aan de Schrift en de belijdenis der kerk. De 'anderen' zùllen de meerheid behouden. En het zijn ook vandaag nog telkens weer de gereformeerden in de kerk, die zich moeten verantwoorden ten aanzien van het spoor, dat zij gaan en dat afwijkt van de weg, waarlangs de karavaan voorttrekt, terwijl de middenorthodoxie — bepaalde innerlijk vermolmde instituties ten spijt — langs die karavaan voorttrekt, zonder zich wat het belijden betreft te verantwoorden en te behoeven verantwoorden.
Samen-op-Weg lijkt deze tendens vooralsnog niet af te zwakken. Integendeel!


Mij dunkt dan ook, dat de uitdrukking 'breedte van de kerk' in feite een verlegenheidsuitdrukking is. Ze heeft haar achtergrond in de grote verlegenheid van de ontkerkelijking. Door de smaldeling van de kerk moeten we, veelmeer dan in het verleden, rekening houden met de breedte van de kerk, zoals die zich vandaag manifesteert. Maar als we eerlijk zijn moeten we zeggen, dat deze uitdrukking niet opkomt uit een echt verlangen, een echte begeerte om als kerk in het geheel een voluit gereformeerde kerk te zijn...

Gevaar
Ik wil niet verhelen, dat hier gevaren liggen — niet-geringe gevaren zelfs — als het gaat om de doorwerking van de gereformeerde beginselen. Gevaren met name ook naar onszelf toe, als hervormd-gereformeerden. We lijken immers serieus te worden genomen! Serieuzer althans dan in het verleden wel eens het geval was. Er wordt rekening gehouden met de breedte van de kerk. Maar dat kan levensgevaarlijk zijn. Het kan betekenen, dat we zelf pit en merg verliezen om de zaak van de gereformeerde belijdenis onomwonden, helder en klaar — en niet bij compromis — aan de orde te stellen. Dat we zelf ook ingeweven raken in een zekere grauwsluier, die het hervormd kerkelijk leven vandaag kenmerkt. Dat we zelf ook bevangen raken door de gedachte, dat het in de kerk toch democratisch moet toegaan en dat we elkaar ruimte, dè ruimte moeten geven.
Ik noemde al, dat ook in hervormd-gereformeerde kring van een zekere gewenning aan de kerkorde en derhalve een zekere aanpassing aan de theologie achter de kerkorde sprake is. Maar ik noem verder drie concrete voorbeelden.


We hebben in de afgelopen tijd de kwestie gehad van de geruchtmakende uitspraken van prof. dr. F.O. van Gennep inzake de Opstanding. Het gevolg is geweest: een kerkelijke commissie, die vier keer over zich gebogen heeft over de tekst van een geschrift, dat als herderlijk schrijven bedoeld was. Wat er nu uitgekomen is, is een 'tussenrapportage'. Een tùssenrapportage (N.B.) over het hart van het belijden van de kerk. De benaming alleen al duidt erop, dat alle pit en merg eruit is. De oorzaak is: breedte van de kerk. We moeten nu eenmaal met alle opvattingen rekening houden. Dan — zeg ik, al moet men mij goed verstaan — nog liever een duidelijk rapport, dat weerspróken moet worden vanuit het gereformeerd belijden, dan een stuk, waarmee niemand gediend is, gediend in de geestelijke zin van het Woord. En waarvan 'wij' óók intussen zouden gaan zeggen: het valt nog niet tegen. Over het belijden van de Opstanding kan men niet bijbels en niet-bijbels denken. De Opstanding kan niet tegelijk lichamelijk en niet-lichamelijk zijn.
Breedte van de kerk — zo wil ik maar zeggen — kan gaan ten koste van duidelijkheid.


Het tweede voorbeeld is de kwestie van de homofilie. Ik duid dit alleen kortheidshalve aan. Vanwege de breedte van de kerk hebben we samen een modus gevonden om verder te leven en elkaar niet het mes op de keel te zetten. Maar feit is intussen wel, dat in het ene deel van de kerk homosexuele praxis valt onder opzicht en tucht van de kerkeraad, terwijl in andere delen homosexuele relaties worden ingezegend, of daarvoor pleidooien worden gehouden.


Het derde punt is de benoeming enkele jaren geleden van een kerkelijk hoogleraar in Groningen. Dat moest een vrouw worden. Daarover gaat het me niet in de eerste plaats. Het werd mevrouw R. Bons-Storm. Ik kijk nu ook kritisch naar eigen kring. Ze werd in de synode met algemene stemmen benoemd. Waarom? Wel omdat vanwege de breedte der kerk een deal was getroffen. Dr. W. Balke zou óók in Groningen worden benoemd. Zulks geschiedde. Maar de afloop was anders. Balke's benoeming ging niet door, vanwege politieke criteria. Mevrouw Bons-Storm zat intussen op haar leerstoel. En haar Godsleer, haar Christusbeeld ook — is bepaald niet conform de gereformeerde belijdenis. En we nemen als kerk niet eens meer de moeite om die leer te toetsen aan de Schriften. Zo diep is het feminisme als ideologie ook binnen de kerk doorgedrongen. Datzelfde kan trouwens gezegd worden met betrekking tot de opvatting van ds. J.H.C. Stolp — de IKON-pastor — inzake reïncarnatie.


Wat ik met dit alles zeggen wil is, dat de breedte van de kerk vooral een uitdrukking is, die voortkomt uit kerkelijke verlegenheid. Ze dreigt een alibi te worden voor kerkelijke armoede. We gaan daardoor ook als kerk duidelijkheid missen. En we lopen als hervormd-gereformeerden zelf de kans meegetrokken te worden in die sfeer van onduidelijkheid.
De kerk is echter geen democratie. En waar de profetie gaat ontbreken, wordt het volk ontbloot, zegt de spreukendichter (Spr. 29 : 18). Profetie verdraagt geen halfheid en onduidelijkheid.

Perspectief
We kunnen ons dan nu tenslotte afvragen of verlegenheid het enige trefwoord is, dat we gebruiken moeten, als we spreken over de in zwang zijnde uitdrukking 'breedte van de kerk'. Dat zou niet verantwoord zijn. Er is ook perspectief. Ik denk niet, dat we dat perspectief zo mogen invullen, dat we met dankbaarheid gaan constateren, dat we als gereformeerden in de Nederlandse Hervormde Kerk, als hervormd-gereformeerden, meer mogelijkheden, meer kansen, misschien ook meer ruimte krijgen; serieuzer genomen worden. Nee, het perspectief ligt in de verlegenheid zèlf. Onze verlegenheden zijn Gods gelegenheden. Wat zou het een zegen zijn als we als kerk der hervorming, in de diepe dalen waar we doorheen gaan, alle kerkelijke, ook alle gereformeerd-kerkelijke triomfantelijkheid zouden afleggen en samen ons zouden verootmoedigen voor Gods Aangezicht, om zo Zijn zegen, een nieuwe zegen in te wachten. De Heere laat de profeet Hosea zeggen: 'Ik zal heengaan en weerkeren tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig zullen kennen en Mijn Aangezicht zoeken' (Hos. 5 : 15).
Als zodanig past ons allen, samen, verootmoediging. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. En we gáán vandaag door diepe crises heen. Ook in de beste gemeenten is het geen tijd van geestelijke hoogconjuctuur, al mogen we dankbaar zijn om de vele goede dingen, die er nog zijn in Juda, om met één van onze oud-voorzitters (ds. W.L. Tukker) dit Schriftwoord nog eens te noemen.


Maar intussen behoeven we er ons ook niet voor te schamen te zeggen, dat wie het breed heeft, het breed laat hangen. Ik bedoel daarmee, dat we als Nederlandse Hervormde Kerk in een rijke, gereformeerde traditie staan. Met de erfenis der vaderen, samengevat in onze belijdenis, hebben we als hervormd gereformeerden. de jaren door de Nederlandse Hervormde Kerk ook willen dienen. Dat is geschied in tijden, waarin grote afscheidingen toesloegen. Dat is geschied in tijden, waarin oud of nieuw modernisme huis heeft gehouden. Als we dan ook vandaag in de breedte van de kerk geroepen worden, dan zullen we ook onze roeping verstáán. Niet vanuit een democratisch recht. Ook niet om te komen tot een machtpositie, waarin wij stuivertje wisselen met de middenorthodoxie en lakens willen gaan uitdelen. Ooit heeft dr. Ph.J. Hoedemaker, aan het eind van de vorige eeuw, in het geding met Kuyper, de verzuchting geslaakt bewaard te mogen blijven voor een orthodoxe synode. Hij bedoelde daarmee een machtspositie van gereformeerde belijders. Ook dat zal de kerk geen geestelijke winst brengen. 'Allen zijn wij afgeweken, samen onnut geworden.'
Wij worden geroepen ook vandaag gestalte te geven aan de doelstelling van de Gereformeerde Bond, namelijk de verbreiding (voorop) en de verdediging van de waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk. Ook wij kunnen dat niet anders doen dan in grote verlegenheid, namelijk als we zien op de tekenen van de tijden, op de geestelijke en kerkelijke crisis, die gaande is, op de ontwrichting van ons volksleven in geestelijk en zedelijk opzicht. Maar die verlegenheid neemt de beslistheid van onze gereformeerde overtuiging niet weg. Als de kerk toekomst heeft, dan heeft ze die als ze gehoorzaam is aan de Schriften, in de traditie van de kerk der eeuwen; in het spoor, waarop de vaderen zijn voorgegaan, eerbiedig buigend voor het gezàg van die Schriften, zich afhankelijk wetend van de leiding en de doorleiding van de Heilige Geest. Wanneer een kerk een belijdenis, als accoord van kerkelijke gemeenschap heeft, dan heeft ze die ongeacht de subjectieve beleving vanwege een bepaald tijdsbeeld of een bepaalde tijdgeest. De belijdenis spreekt op een bepaalde toonhoogte, vanuit de Schriften. We mogen er ons aan optrekken, in de wetenschap dat ook het voorgeslacht eruit heeft geleefd, met vallen en opstaan. Groen van Prinsterer heeft gezegd, dat voor de waarheid uitkomen altijd plicht is, zelfs als men haar miskent: 'de uitkomst gaat de mens niet aan wanneer zijn plicht hem voorgetekend is.'

Volle breedte
Met de waarheid van de gereformeerde belijdenis en de religie ervan zal onze kerk in haar volle breedte gediend zijn. Daarom zùllen we haar ook in haar volle breedte dienen. Het gaat niet om de Gereformeerde Bond en de organisatie daarvan of om een kerkje in de kerk. We bewegen ons in het geheel van de kerk om ons, samen met haar, te laten terugroepen tot de gehoorzaamheid aan het volle Woord Gods. Juist nu we als kerk in de smeltkroes gaan zal blijken, dat alleen datgene overblijft wat naar het Woord Gods is, hoe gesmaldeeld de kerk dan ook zijn zal.
Helaas zien we onder ons ook ongeestelijke symptomen van versmalling. We laten de kerk de kerk en achten ons tevreden met een voor onszelf afgeschermde plaats. We zien helaas soms de symptomen ervan reeds tijdens de studie in de theologie. Eén stap verder en we verheffen ons boven hen die zo rechtzinnig niet zijn als wij, waarbij het steeds smaller toegaat. Het voorgeslacht — ook ons hervormd-gereformeerde voorgeslacht — heeft geleden áán en gestreden vóór de kerk, om haar gereformeerd zijn in de volle breedte en diepte. En daarom bidden wij dat 'de breedte van de kerk' toch perspectief biedt, dwars door onze verlegenheden heen, om de kerk te doen zijn wat ze van origine is: een gereformeerde kerk.
We weten van de tekenen van Gods trouw in de geschiedenis. Er is alle reden om vandaag — hoewel altijd — alle kerkelijke triomfantelijkheid af te leggen en te bidden of de Heilige Geest de hof van de kerk wil doorwaaien en haar in alle waarheid leiden wil. Uiteindelijk zal de kerk zo breed zijn als ze smal is. Ik bedoel daarmee: naarmate ze meer binnen de bedding van het Woord blijft en naarmate ze meer praktiseert smalle gemeente te zijn in een duistere wereld, zal ze ook breder uitstraling hebben. Dan zal ze ook karakter hebben: hier staan we, we kunnen niet anders. De kerk in haar volle breedte zal het meest gediend zijn als we staan mogen in de vrijheid en de ruimte — misschien moet ik ook zeggen in een zekere weerloosheid — van de Heilige Geest.
Breedte van de kerk? Ja, verlegenheid èn, maar óók perspectief!

Referaat, gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, op woensdag 29 mei 1991 te Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

'Breedte van de kerk' – Perspectief of verlegenheid?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1991

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's