Schuldbesef en schuldgevoel (1)
Depressiviteit in de gemeente
I De aard van het schuldbesef
Onderscheid
Het zal u allen weleens zijn opgevallen, dat er een geweldig onderscheid bestaat in de rouwverwerking van de een of de andere persoon. Wij hebben nog immer bij ons de gedachte aan de begrafenis van een heel jonge man en vader. Op dit kleine dorp was de begraafplaats vol gestroomd ter gelegenheid van deze zeer bijzondere teraardebestelling. De jonge vrouw en moeder volgde aanvankelijk de baar zeer terneergeslagen. Maar toen de plechtigheid het hoogtepunt naderde en de kist in de aarde zakte, deden zich bij haar hysterische verschijnselen voor. Een zichtbaar beven en trillen, een luid schreeuwen, hier en daar werd de droeve gebeurtenis een soort demonstratie van verdriet. Onmiddellijk had dit gebeuren een verpletterende uitwerking op het publiek. Het werd een massale beweging van zakdoeken, een snikken en roepen. Men sprak nog dagenlang over dit voorval. Men vond een doorsnee begrafenis maar een kille bedoening, maar hier was nu eens echt verdriet getoond. Althans zo luidde het dorpsoordeel. Een scherp mensenkenner, een waardig ouderling van de gemeente daar ter plaatse had evenwel een geheel andere mening. Hij sprak de verwachting uit, dat er spoedig wel eens een bruiloft zou kunnen verwacht worden. Hard gekreten, gauw vergeten — zo was zijn oordeel. En inderdaad, de jonge weduwe trouwde heel spoedig daarna. Het werd overigens een gelukkig huwelijk. Maar deze geschiedenis doet ons de stof aan de hand om na te denken over rouwbesef en rouwgevoel.
Rouwgevoel is de bewogen uiting van een hevig verlies. Het gemoedsleven is er uiterst sterk bij betrokken. Het uit zich in allerlei gevoelige aandoeningen van snikken, luid huilen, beven en trillen, roepen en gillen. Maar in wezen is bij dit overdadig gevoel, dat de diepten van het hart over het verlies niet altijd geraakt zijn. Vanwaar anders die plotselinge omslag van de begrafenis naar een trouwpartij op zeer korte termijn? Rouwbesef daarentegen is de bedaarde erkentenis van ons gemis, het geheiligd inzicht dat wij voor altijd iemand verloren hebben, die ons leven gelukkig maakte. Het is geen kwestie van ons gevoel meer in allereerste zin, hoewel dat erg nawerkt, maar het is een diepe overtuiging van ons gehele ik. Zo is er ook zonder enige twijfel te spreken van bijvoorbeeld weduwen, die reeds lang geleden hun man verloren. Zij schijnen dit gemis te hebben overwonnen. Zij tonen tenminste geen bijzondere aandoeningen en emotionele verschijnselen. Maar wie hen in de diepte leert kennen, ontdekt, dat ze hun man nog nooit echt kwijt zijn. Hij is er nog elke dag, maar het verlies wordt van binnen verwerkt, lang nadat de tranen zijn gedroogd.
Zondekennis
In het licht van het bovenstaande komt het ons voor, dat het beter is van schuldbesef te spreken dan van schuldgevoel. Uiteraard is bij het schuldbesef ook ons gehele gemoedsleven betrokken. Het uit zich naar de aard van onze persoonlijkheid op onderscheiden wijze, maar dit is per slot van rekening maar een begeleidend verschijnsel. Schuldbesef is dieper dan schuldgevoel. Het is niet slechts dat onmiddellijke verwijt, dat zich in tranen uit. Het is een geheiligd inzicht van onze persoonlijkheid, dat ons nog diep nederbuigt voor God, wanneer de tranen reeds lang zijn gedroogd. Het is geen kwestie alleen van ons gevoel, maar een overtuiging van ons gehele ik. Daarom is de uiting van dit besef ook zo rijk gevariëerd. De één zal meer zijn aandoeningen van het gevoel laten blijken, de ander meer door een nieuwe wilsuiting zijn schuldbesef u tonen in de daad. Het kennen van de zonde gaat hierbij zeker voorop, maar het is toch meer dan een zaak van ons verstand. Het is een kennis van het hart. Die werkt de Heilige Geest in ons door het Woord van God, zodat wij zien wie wij zijn tegenover de Heere. Wij komen dan tot onszelf en wij beseffen onze verlorenheid.
Dieptedimensie
Een zekere mate van zondebesef heeft ieder mens. Ieder mens heeft een geweten. Ieder is zich bewust dat hij anders behoorde te doen en te zijn, dan hij in vele gevallen doet en is. Alle mensen kennen onderscheid tussen goed en kwaad, heilig en onrein. Wij hebben in verband daarmee vaak een besef in ons het verkeerde te hebben gekozen en gedaan. En uit dit besef komt nu voort: vrees en angst, zelfbeschuldiging en wroeging.
Desalniettemin komt het rechte schuldbesef nooit uit het geweten voort. En waarom dan wel niet? Wel — in het geweten oordelen wij over onszelf. Wij zijn onze eigen rechter. Onze persoonlijkheid verdeelt zich als het ware in twee delen. Er is een ideale ik en een concrete ik. En nu dagvaardt ons ideale ik het concrete ik en spreekt over hem zijn vonnis uit. Voor een goed verstaander wordt het nu wel duidelijk, hoe de zaak er bij staat. De maatstaf tot deze beoordeling ligt alleen in wat dat ideale ik zelf goed of kwaad acht. Op deze manier valt de beoordeling van hetzelfde feit bij de een heel anders uit dan bij de ander. Wat de één verschrikkelijk vindt, zal de ander als een bagatel beoordelen. Hier gaat het schuldbesef ten diepste onder in een versnippering van diverse waardeoordelen en meningen.
In het ware schuldbesef daarentegen is het God, die ons zijn oordeel over ons leven bekendmaakt. Hij daagt ons voor zich en beoordeelt ons naar zijn maatstaf en doel ons zijn vonnis vernieuwen. Daarbij getuigt dan de Geest met onze geest en met ons geweten, dat God gelijk heeft. Ons geweten kiest voor God en veroordeelt onszelf, zodat het niet alleen waar een medeweten met zichzelf, maar een medeweten met God geworden is. Schuldbesef heeft dus altijd met God te doen en bestaat in een kennen van de zonde in haar wezen van schuld tegenover Hem. God riep ons tot Hem, maar wij wilden niet komen. Wij hebben in het door Hem ons aangewezen bestek niet willen leven. Wij zijn door de omheiningen uitgebroken als wild geworden vee.
Openbaring
De zonde wordt alleen gekend, wanneer God gekend wordt. Hij moet zich dus aan ons openbaren. Hij moet uit Zijn Woord vóór ons komen te staan, als die God, die leeft, die er is, die nooit weg gaat, aldoor en beschouwt, steeds over u oordeelt, immer zijn hand op u leggen kan. Als die God, met wie u te maken hebt, omdat Hij aldoor met u te maken wil hebben, omdat Hij u gemaakt heeft. Dan ziet u de zonde in haar ware aard. Zij is onwil en opstand tegen God. Alleen als God zo zichzelf aan ons openbaart, zien wij onze zonden. Dan zijn ze gedurig present voor ons. Dat is schuldbesef. Wij hebben dan maar niet met enkele zonden te maken. Neen, wij dringen dan dóór tot geheel onze zondigheid. Wij kunnen onszelf niet meer vergelijken met deze of gene. Neen, 't wordt puur persoonlijk. De pijl komt op onszelf aanvliegen. Als God zich aan ons openbaart, duiken wij weg in de duisternis van ons hart. Wij erkennen het volmondig. Wij zijn slecht! Wij erkennen hier de meesterlijke greep van onze Heidelbergse catechismus. Die belijdt ook in de tweede zondagsafdeling: ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Goed — het mag waar zijn, dat Gods algemene genade ons veelal van de haat-daad terughoudt. Door de stem van het geweten, door vrees voor straf, door fatsoen en beschaving wordt de doorwerking van de haat veelszins geremd. Maar er is telkens weer de neiging naar de haat. De Vesuvius barst wel niet immer uit, maar er hangt wel een rookpluim boven de top. Het is wel een waarschuwing: ik kom om zo te zien wel vredig voor de dag. Maar het is van binnen niet pluis. In Gods presentie zien wij onszelf en onze ware aard!
Zondedroefheid
Uit zulk een kennis van zonde en zondigheid komt alleen de ware droefheid over de zonde voort. Ik heb God door mijn boosheid vertoornd en bedroefd. Dat innige gevoel, dat ik door mijn zonden voor Hem mij verwijderde en Zijn toom mij dreigt. Die vrees niet alleen voor alle gevolgen van mijn zonden, maar bovenal voor dit gevolg, dat zijn aangezicht voor mij zal verborgen blijven. Die droefheid is een onszelf mishagen voor God. Het is een verzengend bewustzijn, dat wij voor God niet recht staan. Wij hebben hier heel wat anders dan spijt. Bij spijt zeggen we heel hoffelijk: neemt u mij niet kwalijk. Ik deed het per ongeluk. Het was mijn bedoeling niet u pijn te doen. Bij spijt zijn we even zwak geweest. Hebben ons voor een moment misgaan. Maar in principe achten wij het een incident. De doorgaande toon van ons hart is ongebroken. Wij handhaven ten diepste toch onszelf. Wij gaan dat ongelukje maar weer spoedig voorbij en wij gaan over tot de orde van de dag. U gevoelt het wel — bij spijt verandert wezenlijk niets. Bij spijt zeggen we: dom, dat ik dit gedaan heb.
Berouw gaat veel dieper. Daar zeggen we: Heere, wilt u het mij vergeven? Berouw welt op uit de diepte van het hart. Natuurlijk is iedere zonde tegen de allerhoogste God een misdaad van majesteitsschennis. Maar voor Gods kinderen is de zonde nog ernstiger dan voor de ongelovigen, omdat zij Gods liefde in Christus hebben genoten. Bij spijt zeggen wij voor een moment 'pardon' en marcheren dan weer vrolijk verder. Bij berouw staan wij stil en zien op naar boven. Wij zeggen daar: och, Heere! Ga met ons niet in het oordeel.
Zondebelijdenis
Droefheid over de zonde is dus geheel wat anders. Het is zichzelf in ootmoed buigen voor God en het uit zich in belijdenis van zonden. Uit de droefheid van het hart komt nu vervolgens ook de erkentenis met de mond voort. Wij horen dat in de psalm van David. Mijn zonden maakte ik u bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide, ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Heere. In deze belijdenis stellen wij God in het gelijk en vernederen wij onszelf voor Hem. Daaruit blijkt nu de echtheid van ons schuldbesef en de oprechtheid van onze droefheid. Hart en mond stemmen samen, al is het soms op een zolderkamer of op een eenzame wandeling. Het gaat samen: de beroering van het hart en de uiting van de mond.
Weet intussen wel, dat wij ook met onze zonde kennen, zonder tot belijdenis te willen komen. David heeft zelfs wel een jaar lang zijn zonden willen bedekken voor Gods aangezicht. Hij kende zijn zonde terdege. Maar hij hield zijn hart hoog en wilde niet breken voor God. Het heeft hem diepe moeiten veroorzaakt. Er komt dan een immense strijd in onze ziel. Een ellendig gevoel van eenzaamheid en verlatenheid. God dringt aan en God dringt op. Maar wij persen de lippen op elkaar. Helse kwelling: onbeleden, onvergeven zonden te dragen in opstand tegen God. Bij het ongeloof wordt de klop van het geweten zachter en wijkt weg — bij Gods kind breekt iemand de weerstand door de hamerslag van Gods Woord. In de belijdenis van schuld toont zich deze gebrokenheid. Daarom is het waar, dat wij in de belijdenis van zonde ons losmaken van de zonde. In de belijdenis voltrekt zich de scheiding. Vandaar het heerlijk gevoel van verlichting en opluchting, dat eruit voortkomt.
Gevaar
Nu moeten wij in acht nemen, dat die belijdenis van zonden op zichzelf de zonden niet verzoent. Wij worden niet behouden door ootmoedige schuldbelijdenis, maar door de Heere Jezus Christus. Wij zijn nooit door ons berouw de Heere aangenaam. Maar de schuldbelijdenis is intussen wel het middel, waarvan God zich bedient om voor ons bewustzijn ons innerlijk vrij te maken van de zonde, die Hij ons vergaf om Jezus' wil. Om die reden gaat een oprechte schuldbelijdenis steeds gepaard met gebed om schuldvergeving en gebed om Gods bewaring voor de zonde. In het allervolmaaktste gebed is ook duidelijk deze volgorde te bemerken. Eerst wordt gevraagd om schuldvergeving, maar dat wordt onmiddellijk gevolgd door de bede om niet in verzoeking te worden geleid en te worden verlost van de boze. Wij buigen ons gewillig onder de straffen die de Heere als kastijding over de zonde ons oplegt. Bij de ootmoedige belijdenis van onze zonden zullen wij er veel baat bij hebben zo concreet mogelijk onze zonden te zien en te noemen. In het openbaar is dat niet altijd mogelijk, maar in het particulier doen wij er goed aan de zaken bij de naam te noemen. Niet dat de Heere het ook niet weet. Natuurlijk, de Heere weet alles, maar de concrete erkentenis bewaart ons voor dorre en vage algemeenheden. Wij lijden daar al gauw onder. Het kan ook een sluipweg worden om de ernst van de zonden te ontsnappen. Hoe concreter opbiechten dus, hoe beter het is.
Zondevlucht
Het schuldbesef werkt nu ook in op onze wil. Wij geven de dienst aan de zonde op en dat voert tot een haten en vlieden van de zonde. De breuk met de zonde in de belijdenis voor Gods aangezicht zal zich dan openbaren in de breuk ermee in het leven. Onze besliste innerlijke keuze tegen het kwaad zal zich in onze daden tonen. Allicht moeten wij hier niet op een verbluffende omwenteling rekenen. De wending voltrekt zich in Ideine dingen. Maar die tonen zich aldra in een reeks van veranderingen van dag tot dag. Wij ontkennen niet dat hier strijd mee gepaard gaat. Maar wij weten ook, dat wij in de duisternis niet meer kunnen leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's