Schuldbesef en schuldgevoel (2)
Depressiviteit in de gemeente
II. De plaats van het schuldbesef
Bij niet weinigen heerst de gedachte, dat een mens zich pas dan iets van Gods genade mag toeëigenen, wanneer hij een algehele verslagenheid over de zonde kent. De gemeente-opinie is zo hier en daar deze, dat wij eerst bijna tot zelfmoordpogingen moeten komen, voor en aleer de deur des heils in Christus Jezus opengaat. Men moet een lange lange tunnel doorkruipen, dan eerst gaat het verlossende licht op. Wie niet veel smartelijke angstervaringen heeft doorgemaakt en dodelijk werd getroffen door de donder der wet, kan zijn ogen niet opslaan op het kruis der verzoening. Wie weet te luisteren naar de uitingen van de gemeentetheologie, kijkt van deze gedachten niet vreemd op. Integendeel, hij ziet met ontzetting hoe menig ernstig gemeentelid hierdoor wordt heen en weer gedreven. De sterken in de genade worden wel van deze waanideeën genezen: de zwakken daarentegen blijven er soms levenslang mee worstelen.
Op dat punt is het een zegen, wanneer wij van jongsafaan onder een heldere leer en prediking werden opgevoed. Dan immers is het ons klaar geworden, dat deze gedachten buiten de Waarheid zijn. Nooit komt enig mens tot volkomen bewustzijn van àl zijn zonden. Hoe nauw mijn zelfonderzoek bij het licht van Gods wet ook mag zijn, nooit kom ik dáár, dat ik zeggen kan: nu zie ik al mijn zonden en buig ik mij diep genoeg voor de heilige God en versta ik heel de verschrikkelijkheid van mijn verdorvenheid in zijn rechtvaardig oordeel. Als wij daarop moeten wachten, voor wij tot Christus mochten vluchten, zou nooit iemand tot de ruimte der vergeving komen. Immers: wie zou de afdwalingen verstaan en wie heel de verdorvenheid van zijn boos hart peilen? Daar is bovendien nog een argument. Hoe licht maakt iemand zijn diep schuldbesef tot een grond, menend daardoor bij God aangenaam te zijn. Zij, die eerst zulk een diep schuldbesef willen, zeggen aldoor tegen de zondaar, dat hij op zijn verbrijzeling en tranen letten moet, of hij daar reeds is, dat hij zien mag op Christus. Heel bedekt, wordt hier toch weer de grond in de mens gelegd. Terwijl het juist zo is, dat wij onmiddellijk beide ogen alleen op Gods barmhartigheid moeten vestigen. Jonge kinderen zouden dan nooit tot Christus kunnen komen, want zij doorzien de diepte van hun zonde nog maar zeer ten delen, laat staan dan dat zij de afschuwelijkheid van hun verdorvendheid ook maar enigermate kunnen doorzien. Neen, de Heilige Schrift kent geen bepaalde maat of duur voor de droefheid over de zonde. God wil alleen, dat er oprechtheid en waarheid in het fundamentele is en dat men zich tot de Heere keert met het hart en niet alleen maar met de lippen.
Juiste licht
Wij moeten het zo zien, dat er is een aanvankelijk schuldbesef vóór het gelovig komen tot Jezus en een verdiept schuldbesef daarna. De Heidelbergse Catechismus stelt in de Tweede Zondag de vraag: waaruit kent gij uw ellende? Het antwoord luidt dan: uit de wet Gods. In het gehele verband van het eerste stuk bezien, kan men stellen dat hier gedacht wordt aan het aanvankelijk schuldbesef. Evenwel – men moet dat nooit losmaken van het naderen tot Christus. Maar het is wel zo, dat in dit aanvankelijk schuldbesef de trots van ons menszijn wordt gebroken in principe om dan vervolgens hoe langer hoe dieper te worden verbrijzeld. Voorzichtig vertolkt zou men het kunnen vergelijken met Zachëus. Toen hij in de boom zat begerig om Jezus te zien. Toen was daar in zijn hart een diepe onvrede, een ongestild verlangen. Een ernstig tekort. Een schuldbesef. De heiligheid van Jezus staat daar voor hem als een contrast met zijn onzuiver bestaan.
Maar dezelfde Heidelbergse Catechismus stelt dan in de vierenveertigste Zondag de vraag: waarom laat ons dan God alzo scherp de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dat leven houden kan? Wij zijn daar in het stuk der dankbaarheid. De wet heeft daar niet meer alléén de taak van schuldontdekking, maar vooral van schuldverdieping. Wij moeten door dezelfde wet ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid van Christus te zoeken. Wij hebben daar het verdiepende schuldbesef. En dit is ook bij Zachëus het geval. Hoe kon hij anders beloven het ontvreemde door bedrog vierdubbel weer te geven?
Reformatoren
Luther leefde lange tijd in diep schuldbesef en lange gewetensangst. Hij gevoelde jaren aaneen de vloek der wet en de toorn Gods op zich rusten en vond eindelijk vrede in de genadige vergeving der zonden door het geloof alleen. Luther wist dat het aanvankelijke berouw nog niet altijd het waarachtig leedwezen is, dat uit het geloof voortkomt. Luther wist ook dat het ware berouw geheel het leven voortduren moet. Maar toch legde hij aldoor grote nadruk op de noodzaak van een voorafgaande strenge wetsprediking en noemde deze schrik het eerste moment in de bekering.
Calvijn was heel anders geleid. Hij werd geleidelijk aan van de waarheid der Reformatie overtuigd. Toen kwam ineens zijn bekering, waarin alle aarzeling en twijfel overwonnen werd en hij zich onvoorwaardelijk en volkomen nieuw aan Gods wil overgaf. Hij leerde gehoorzaamheid aan wat hij reeds lang als Gods wil had leren kennen. Hier geen plotselinge ervaring der genade, als wel het vaste besluit en de besliste daad der gehoorzaamheid aan Gods wil. Calvijn legt de nadruk op het schuldbesef, hetwelk uit het geloof voortvloeit en alleen in de gemeenschap met Christus mogelijk is. Het schuldbesef functioneert bij hem in het christelijk leven.
Door de verschillende levensleiding van Luther en Calvijn kan worden verklaard hoe zij de wet bezien. Luther ervoer de verdoemende kracht der wet en achtte de gelovigen van de wet volkomen bevrijd. Calvijn hechtte nog steeds waarde aan de normatieve betekenis van de wet en ontleende aan haar de prikkel om tot het doen van goede werken aan te sporen. Geen wonder, dat Calvijn op de bekering in voortgaande zin de nadruk legt.
Wie te sterk de nadruk legt op het aanvankelijk schuldbesef, moet wel weten dat angst van het geweten volstrekt niet altijd tot het geloof leidt, maar ook na korter of langer tijd kan voorbijgaan en geheel verdwijnen. Er zijn in de Heilige Schrift voorbeelden van gegeven. Met name van Kaïn, Ezau en Judas.
Tweeërlei droefheid
Er is een droefheid naar de wereld. Deze komt niet voort uit kennis van God, maar is naar de wereld en kan dus ook in de kinderen der wereld voortkomen. De Heilige Schrift geeft ons daarvan de afschrikwekkende voorbeelden van een Kaïn en een Judas. Ze schreeuwden het uit om wat ze gedaan hadden en niet meer goed te maken was. Hier is evenwel geen berouw voor Gods aangezicht, door schuld verslagen. Integendeel, zij worden bedolven onder de puinhopen van hun eigen levensidealen, die zijzelf vernietigd hadden. Er is wel een huiver voor de straffen van God, maar geen haten en verfoeien van de zonden. Menigmaal beschuldigt men hier uit zichzelf, maar diep in het hart krijgen de omstandigheden en de leidingen Gods de schuld. Wij peilen op de bodem van de droefheid naar de wereld een zekere wrevel tegen God en Zijn Woord. Ons verrast dikwijls een merkwaardige openheid in het bekennen van de verkeerde daden, maar ten diepste geen treuren over de diepe bron, waaruit die voortkomen. Er blijft iets van koud glas omheen.
De droefheid naar God staat van meet af aan in de presentie Gods. Er is een gedreven worden naar Christus alleen. De doorwaakte nachten en de angsten zijn er wel, maar ze leiden tot Christus. Er is hier wel voorafgaand schuldbesef, maar dit besef staat nooit los van het geloof. Het is er altijd mee vermengd, ja, het is er in zekere zin de vrucht reeds van. De Heere ontdekt door Zijn Geest en Woord ons aan onszelf en trekt ons daardoor tot Christus. Op dat beweend aanvaarden in geloof van Gods genade in Christus volgt dan een schuldbesef, dat veel dieper is. Wij buigen al dieper ons in ootmoed voor Hem neer. Wij leren onze onmacht en onwil al dieper kennen. De Heere ontneemt ons door de wet al onze eigen gerechtigheid, maar Hij bindt ons ook al vaster aan Christus alleen. Wij gaan met verwondering erkennen met welk een diepe geestelijke kennis onze catechismus deze dingen heeft uiteengezet.
Waar de catechismusprediking wordt nagelaten, ontbeert men op de duur de kennis van de hoofdlijnen der Heilige Schrift. Daar verschrompelt ontegenzeggelijk het leven der gemeente, niet omdat de Schrift weg is, maar omdat de gemeente geen doorzicht in de Schrift meer heeft!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's