Onze tijd vraagt duidelijkheid
Vragen van de jaarvergadering
Een tweetal vragen, die gesteld werden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond en op het eerste gezicht los van elkaar staan, bleven me nog enige tijd bezighouden. Ze werden gesteld naar aanleiding van het referaat over 'de breedte van de kerk' en ze vertolken mijns inziens gedachten, die breder leven, terwijl het anderzijds gaat om zaken, die nogal eens tegen elkaar worden uitgespeeld: leer en leven. Reden genoeg om er nog iets uitgebreider aandacht aan te geven dan op de jaarvergadering mogelijk was.
Lauwheid
De eerste vraag luidde als volgt:
'Is het niet "nood"zaak om naar de kerk en de synode toe uit te spreken, dat er in deze tijd, waarin we heel nadrukkelijk ervaren dat God de lauwheid en halfheid niet verdraagt, noch in ons eigen leven noch in het kerkelijke leven, alleen toekomst is voor onze kerk indien wij ons laten gezeggen door het Woord Gods en dat doen in trouw aan de belijdenis? Derhalve wijze wij het beoogde S.o.W. af.'
Als ik nu inga op deze vraag, dan wil ik dat doen met betrekking tot de algeméne strekking ervan: de Heere God verdraagt geen halfheid en lauwheid. Welnu, dat is rechtstreeks uit de Schriften af te lezen. Aan de gemeente van Laodicea wordt door de verhoogde Christus verweten, dat ze lauw is — nòch koud, nòch heet — en dat Hij haar daarom uit Zijn mond zal uitspuwen (Openb. 3). In zijn verklaring van het boek Openbaring in Tekst voor tekst zegt (wijlen) drs. J.J. de Heer, dat gemeenteleden in Laodicea niet tégen Christus kozen maar ook niet echt vóór de dienst van Christus. Hij voegt er dan tussen haakjes echter veelbetekenend aan toe: 'zoals velen in alle eeuwen'.
Inderdaad, de eeuwen door zijn er geweest (naast de helen) de halven, de lauwen, die het wel niet helemaal koud liet, maar die ook niet warm liepen voor de dienst des Heeren, (naast de lopers in de renbaan) de meelopers of de kijkers op de tribune.
Nu volstaat Christus intussen in dat Schriftgedeelte niet met Zijn vermaning, op afstand. Maar Hij raadt de gemeente aan van Hem te kopen ogenzalf om te zien en witte klederen om bekleed te worden. De witte klederen duiden op de zondenvergeving en de levensheiliging. Op deze wijze doet dit Schriftwoord, in zijn vermaning en in zijn nodiging, een appèl op allen, die tot de gemeente van Christus behoren. Christus verdraagt geen halfheid en lauwheid, in de leer niet en in het leven niet.
Het kerkelijk leven
Dit Schriftwoord is ook zeker van toepassing op het gemeentelijke en kerkelijke leven als gehéél. Daar kan ook lauwheid troef zijn. In de kerk op zondag(morgen) nog trouw, maar verder wordt de hele week vrij algemeen het eigen leven geleefd, zonder beoefening van de gemeenschap. Geen passie voor de dienst aan Christus.
Nog één keer drs. De Heer over Laodicea: 'deze gemeente voelde zich rijk door haar welvaart, en was wellicht ook tevreden met haar kerkelijke leven, en had geen besef van haar ellendige toestand.' Dàt ligt op inderdaad opgesloten in het verwijt, dat ze rijk en verrijkt was en aan geen ding gebrek had.
Kerkelijke zelfgenoegzaamheid, met daarbij grote weelde, zouden wel eens het meest kenmerkende kunnen zijn voor lauwheid en halfheid in de kerk(en). Of we nu zonen (en dochters) der Reformatie willen heten, of zonen (en dochters) der Afscheiding of zonen (en dochters) in de kerk der vaderen, die zich immer op de vaderen beroepen, in àlle malaise, die we ontwaren, kan er intussen nochtans sprake zijn van een dermate grote zelfgenoegzaamheid en kerkelijke zelfingenomenheid, dat men er koud van wordt. Ook vandaag is het 'ik ben heiliger dan gij' —, hoewel zo niet uitgespróken, bepaald niet uitgestòrven. Rijk en verrijkt en aan geen ding gebrek! Maar de verhoogde Christus spuwt ons uit Zijn mond. Dat is de waarschuwing, voor het geval er geen besef is en geestelijke doorleving van de integrale 'ellendige toestand' van het gehéél der kerk.
De vraag is dan maar hóé we in de kerk hebben te staan. Telkens weer als zich zaken voordoen in de kerk, die niet kùnnen, die zich niet verdragen met het Woord Gods — of het nu leringen betreft of levenspraktijken — lopen mensen te hoop en vragen: dit mag toch niet langer?; kunnen we nog langer in de kerk blijven?
Vaak wordt die vraag gesteld vanaf de zijlijn. Het gebeurt maar al te vaak dat mensen, vanuit een beschutte omgeving of vanachter een schrijftafel aangeven hoe het allemaal zou moeten, terwijl ze zelf nergens medeverantwoordelijkheid dragen of zelfs wensen te dragen. Of ook elke confrontatie schuwen met hen, die men op afstand onder schot neemt.
Soms zien we ook gebeuren dat, wanneer we zelf zaken aanroeren uit de praktijk van ons (hervormd) kerkelijk leven, die zich niet verdragen met de heiligheid van het huis Gods, door anderen de draad wordt opgepakt en verder wordt gesponnen, maar dan in verwijtende zin: 'hoe kunnen ze nog langer....?'
Om alle lauwheid af te leggen dáár, waar de zaken echt spelen, is wat anders dan heetgebakerd reageren op de dingen en verder de zaken de zaken laten, zonder metterdáád te lijden aan de kerk.
Profeten hebben altijd midden onder het volk gestaan. En dan praktiseerden ze inderdaad: 'hier sta ik, ik kan niet anders'. Ze hebben overigens enerzijds soms scherp vermanend gesproken. Ze hebben anderzijds echter ook winnend, uitnodigend, lokkend, wervend gesproken, om het volk mee te krijgen op het heilzame spoor van Gods geboden en beloften. Ze hebben opgewekt tot een leven in de vreze des Heeren. Daarbij gebruikten ze bestraffende taal èn lokkende taal.
Nu zijn er vandaag dingen te over, waartegen we ons – als we willen leven bij het Woord Gods – met kracht moeten keren. Maar het maakt verschil hoe het gedaan wordt. De Schrift zelf legt ons de woorden op de lippen, dat wij en onze vaderen hebben gezondigd. Profeten spraken in en vanúít de gemeenschap (in nood en schuld) met hun tijdgenoten en het voorgeslacht. Vandaag vertoont het kerkelijke leven over de gehele linie — de goede dingen in Juda ten spijt — trekken van verval en ingezonkenheid. Dat moeten we niet overschreeuwen door louter tegen anderen te zeggen (of in het slechtste geval ècht te schreeuwen), dat ze het anders moeten doen. Maar dat dringt ons sámen, tot gemeenschappelijke verootmoediging.
Heiliging
Dat brengt me op de tweede vraag, die gesteld werd op de jaarvergadering. 'Moeten we... ook niet ons richten op woord èn daad, leer en leven, een zoutend zout zijn, leesbare brief van Christus zijn?... De prediking moet landen in deze wereld, in deze tijd, in de problematiek (opdracht) waar we voor staan, een prediking waar ook onze gezinnen mee vooruit kunnen.'
Hier gaat het dus om de praktijk van het leven, naast, liever sámen met de leer, die zuiver gehouden moet worden. Het kan inderdaad zijn, dat geijverd en gevochten wordt voor de zuiverheid van de leer, dat dogmatiek het enige is, dat in de belangstelling ligt (tot de laatste punt en komma), terwijl de praktijk van het alledaagse leven (ook in dienstbetoon en onderlinge liefde) nauwelijks aandacht krijgt; zeker niet in de bredere levensverbanden, waarvoor de vraagsteller ook pleitte. Of dat de ijver voor de zuiverheid der leer niet jaloers maakt op het leven daarachter.
Soms zien mensen, die zich met grote ijver hebben ingezet om de dingen in de kerk en de gemeente zuiver te houden, de dingen in eigen directe omgeving bij de handen afbreken. Dat geeft in sommiger leven gevoelens van vertwijfeling, soms ook van diepe verootmoediging en van nieuw-geleerde mildheid naar buiten.
In genoemde verklaring over de brief aan Laodicea werd ten aanzien van de witte klederen opgemerkt, dat deze niet moeten worden opgevat 'als de hemelse heerlijkheid' maar als de rechtvaardigmaking (zondenvergeving) èn heiligmaking, die Christus geeft.
De gemeente van Christus zal in haar handel en wandel openbaar komen. In de praktijk van het leven zal blijken of er sprake is van een binnenkamer. De levensheiliging bepaalt of we, als christenen afzonderlijk en als gemeente en kerk in haar geheel, leesbare brieven van Christus zijn. Daar blijkt of we lauw zijn — noch koud, noch heet — of dat we de warmte uitstralen, die uit de innige verbondenheid met Christus voortkomt.
Het is de verhoogde Christus zelf, die ons aanraadt van Hem te kopen goud, komend uit het vuur (de geestelijke goederen); witte klederen (vergeving en heiliging) en ogenzalf om te zien.
Dat laatste brengt ons op de gave van de onderscheiding. De Geest leert zien, opent ogen voor wat er aan kwaad schuilt in het hart en in het leven. Kennis van de misstanden in de kerk begint bij het (er)kennen van de misstanden in het eigen leven. Want de kèrk, dat zijn we zèlf! Maar dat onderscheidingsvermogen betreft dan wel de onderscheiding der geesten. Of het daarover altijd gaat in allerlei concrete strijd in gemeenten vandaag kan gevoegelijk van een vraagteken worden voorzien.
Wie door de Heilige Geest op de weg van Christus wordt geplaatst, verdraagt geen lauwheid en halfheid, in eigen leven niet en vandaaruit niet in het leven van de gemeente.
Gevaar
Het zij dan nog eens gezegd: de wekroep aan de kerk, om niet in lauwheid maar in beslistheid de weg van de verhoogde Christus te gaan, wordt niet uitsluitend in de binnenkamer of in besloten kring uitgezègd, maar ter plaatse, waar het nodig is, uitgeroepen. Dat is net zo min eenvoudig als om in een werksituatie, waar het bepaald niet altijd christelijk toegaat, op elk moment in woord en daad getuige van Christus te zijn. Er kan zelfs sprake zijn van gewenning aan situaties, die eigenlijk voor het aangezicht des Heeren niet kùnnen. Zo kunnen we ook in de kerk gaan wennen aan situaties, die niet kunnen. We gaan dan marchanderen met de praktijk van het gegevene. Daarom is telkens weer ogenzalf nodig, om onderscheidingsvermogen te ontvangen en om helder te blijven zien. Maar bij alle scherpte, om situaties te ontmaskeren en te ontrafelen, is nodig, dat in het oog gehouden wordt, dat het in de kerk gaat om mènsen en hun behóúd; en daarbovenuit ook om mensen en hun behoud ook búíten de kerken.
Er is helaas zo weinig echt getuigenis. Getuigenis waar men stil van wordt. En dan gaat het het me er nog niet eens in de eerste plaats om, dat er kerkelijke vergaderingen zijn, waar het gebed ontbreekt of nog nauwelijks over de Schriften wordt gesproken. Nee, het gaat om het getuigenis vanuit het ambt aller gelovigen. De kerk zal alleen geloofwaardig zijn als ze, in haar léden, herkenbaar is aan bewogenheid en barmhartigheid, rechtvaardigheid en onkreukbaarheid, eerlijkheid en eenduidigheid, als gaven van Christus, in het leven der heiliging.
De ark
Toen David de ark ooit terugvoerde naar Jeruzalem en Uzza de ark voor omvallen trachtte te behoeden, werd deze zelf dodelijk getroffen. Maar de ark werd intussen drie maanden ondergebracht in het huis van Obed Edom. En diens huis werd gezegend. Het kan wel eens anders lopen dan wij mensen willen.
Zo kan de heilige God ook vandaag ingrijpen en vanwege de lauwheid en halfheid de kandelaar wegnemen. Het oordeel begint bij het huis van God. Om leer en leven.
Dus altijd nee zeggen? Onze tijd vraagt inderdaad om duidelijkheid. Nee zeggen dus op de vitale punten, op de snijlijnen van de Schrift en de praktijk van het kerkelijk leven! Maar vervolgens in alle diepten met de kerk meegaan, om telkens wèèr nee te zeggen als het geboden is, maar vanuit een ja-zeggen tegen de kerk omdat ze des Heeren is en Hij tot heden de kandelaar nog niet heeft weggenomen. Ons nee staat als het goed is altijd in het kader van een mee-gedragen verantwoordelijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's