Uit de Pers
Kerk en muziek
Over doel en betekenis van muziek wordt heel verschillend gedacht. In 'De Reformatie' van 1 en 8 juni 1991 wijdt drs. J. Smelik daar heel interessante artikelen aan, vooral vanuit de geschiedenis van de muziek. Tot aan de 18e eeuw had de kerk een sterk overheersende invloed op de muziek. Daarna neemt de wereldlijke muziek die rol over. Dit had weer, aldus drs. Smelik, vergaande konsekwenties voor de visie op muziek, die overheersend werd in de Westerse wereld. Smelik schrijft dan: 'In de christelijke kerk tot en met de Reformatie werd vanuit de theologie nagedacht over muziek, haar functies en doelen. De inhoud en vorm van muziek waren dan ook in belangrijke mate gestempeld door theologische visies. Ook inzake muziek gold, dat "de leer het leven bepaalt" en niet andersom'. Via de opvattingen van Augustinus en de Middeleeuwen komt drs. Smelik in zijn verhaal terecht bij de Reformatie. Hoe werd door hen over muziek gedacht en geschreven?
Omdat muziek een gave en een geschenk van God is, wisten de reformatoren dat muziek daarmee positief benaderd en gewaardeerd moest worden. Immers, God heeft de schepping goed geschapen. En alles wat God geschonken heeft, is goed.
Omdat muziek een scheppingsgave Gods is, staat bovendien het doel en de bestemming van muziek vast. Want muziek bestaat dan tot lofprijzing van God en om zijn grootheid op aarde te verkondigen. Daartoe dient immers de hele schepping. Alles wat geschapen is, alles wat klinkt, geurt en kleurt bestaat tot meerdere glorie van God. Want — zo staat in psalm 19 — 'de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde.'
Of zoals Calvijn het zegt in een preek over psalm 148:
'De zon en de andere creaturen kunnen geen geluid van zichzelf geven, die wij kunnen horen. Zij hebben geen verstand om te begrijpen wat God in hen gelegd heeft. Maar voor onze ogen zijn ze als een liedboek, waarin zangnoten staan. Het boek zelf is stom; het kent de kunst van muziek niet, maar ons dient het boek om uit te zingen. Wij hebben in het boek de woorden en noten waardoor wij kunnen zingen. Zo houdt God wijd en zijd het boek aan ons voor, opdat wij met het schone lied instemmen kunnen en Zijn kracht samen met de engelen verkondigen.
In een noot bij dit laatste citaat merkt Smelik op, hoe treffend de overeenkomst is met artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Muziek en lofprijzing
In het Reformatorisch Dagblad van 10 juni 1991 stond een kort verslag te lezen van de jaarvergadering van de HGJB. Op deze dag werd gesproken naar aanleiding van het thema 'Waarom blijven jongeren bij de kerk?' Uit dit verslag bleef de opmerking haken, door dhr. Belo gemaakt naar aanleiding van groepsgesprekken met jongeren, dat jongeren meer dan vroeger elementen als verootmoediging en schuld, maar ook lofprijzing zichtbaar willen zien worden in de gemeente. Met deze vraag en met dit verlangen staan ze in de traditie van de Reformatie, als we het volgende citaat van drs. Smelik lezen.
Volgens Calvijn mag de kerk samen met de engelen en de hele schepping Gods heerlijkheid verkondigen. En hier zien we dus de Middeleeuwse gedachte van het instemmen met de lofprijzing van de schepping en de hemelse muziek ook bij Calvijn te vinden is.
Naast verschillen tussen Augustinus en de reformatoren, blijkt dat de theologische bestemming van muziek gelijk blijft. Muziek is hecht verweven met de schepping en is bestemd voor de lofprijzing en moet met heel de schepping resoneren tot glorie van God.
Het was dan ook vanzelfsprekend, dat muziek gebruikt werd in dienst van het christelijke leven. Want waar God wordt geprezen, wordt de gemeente opgebouwd en komt de mens tot zijn oorspronkelijke doel en bestemming. Muziek bestaat allereerst voor de lofprijzing.
Dat betekent uiteraard niet dat muziek niet voor 'ontspanning' of dergelijke zaken gebruikt zou mogen worden. Het is zoals met onze stem. Wij hebben de stem van God allereerst gekregen om God en de naaste te dienen, God te loven en Zijn Naam groot te maken op aarde. Dit sluit niet uit, dat we onze stem ook gebruiken (en dikwijls misbruiken) voor andere doeleinden. Het gaat echter om het door God bedoelde primaire doel van zijn scheppingsgave.
Muziek primair voor de lofprijzing van God, ook en juist in de samenkomst van de gemeente. Dus niet primair voor de streling van ons gemoed of het bespelen van onze gevoelens en sentimenten, maar tot verheerlijking van de Schepper en Verlosser. Wie zichzelf zo gaarne reformatorisch noemt, dient dan ook aan dit aspect van het reformatorisch erfgoed eens meer aandacht te schenken, zoals jongeren onder ons dat kennelijk beter aanvoelen.
Muziek en duivel
Muziek heeft invloed op de mens. Drs. Smelik releveert de visie van de wijsgeer Plato, waarin hij stelt, dat muziek een machtig middel is om de mens op te voeden. Maar je kunt hem er ook verkeerd mee opvoeden. Muziek is een zaak van ethiek. Het heeft te maken met goede en verkeerde zeden. Smelik citeert dan Calvijn uit diens voorrede van het kerkboek La Forme des Prières uit 1543, waarin hij heel positief schrijft over muziek. In een noot merkt hij erbij op, dat Datheen deze voorrede integraal heeft overgenomen in diens kerkboek, doch dat Calvijns opvattingen verder in de Nederlanden onbekend zijn gebleven.
Bekend is, hoe Luther de muziek zag als middel voor de gelovigen zich de boze van het lijf te houden. Maar ook bij Calvijn komen dergelijke gedachten voor.
De gezongen lofprijzing is een machtig wapen tegen de duivel en de duivelse machten. Daarom is muziek in de lofprijzing volgens de reformatoren van grote waarde voor het geloofsleven. Waar gezongen wordt, gaat de satan op de vlucht. Want waar de mens Gods Naam verheft, is hij er zeker van dat God hem verheft en de overwinning geeft. Al lofprijzend wordt een mens herschapen. In verband met dat 'herscheppen' is de volgende passage uit Calvijns voorrede uit 1543 van belang:
'Onder alle andere dingen die geschikt zijn, de mens te recreëren en genot te verschaffen, is de muziek of de belangrijkste of in ieder geval één van de belangrijkste, en we moeten erop bedacht zijn, dat deze gave Gods voor dit doel gebruikt wordt.'
Calvijn ziet muziek als een scheppingsgave die de mens gegeven is om zich te recreëren. Het woord 'recreëren' wordt hier niet gebruikt in de betekenis die wij eraan geven: vrije tijd en ontspanning.
Calvijn bedoelt hier letterlijk re-creëren, dat wil zeggen: her-scheppen. In de alinea vóór de regel die we zojuist citeerden, zegt Calvijn namelijk, dat de Schrift leert, dat we ons in God moeten verheugen en dat alle vreugde daarop gericht moet zijn. Hij zegt dat de Here ons alle mogelijke middelen heeft gegeven om ons met de geestelijke vreugde bezig te houden. Daarna volgt dan de regel, waarin staat dat muziek de belangrijkste of één van de belangrijkste gaven voor de mens is om herschapen te worden.
Muziek en herschepping
Muziek is dus gericht op het re-creëren, het her-scheppen van de gelovigen. Ook Johann Sebastian Bach kent deze visie op muziek, aldus drs. Smelik. Alle muziek dient dan ook tot Gods eer en tot 'Recreation des Gemüts' te zijn. Als het dat niet is, is muziek niet veel meer dan 'duivels geblèr en gedreun'. Hierachter steekt de reformatorische gedachte, dat muziek altijd dienen moet tot verheerlijking van God. De lofprijzende mens geraakt zodoende weer tot zijn oorspronkelijke bestemming. Het loven van God hoort tot het wezen van de nieuwe mens, gelijk Zondag 33 van de Heidelberger belijdt.
Deze gedachte vinden we ook min of meer bij Calvijn. We hebben reeds gezien, dat Calvijn zegt dat we de muziek als gave van God goed moeten gebruiken, dus tot ons heil en tot Gods eer. Bovendien moeten we niet alleen met de mond zingen, maar ook met ons hart. Een verschil met Luther is nu, dat Calvijn erg beducht was voor het negatieve gebruik.
De angst voor misbruik was zo groot bij Calvijn, dat hij — in tegenstelling tot Luther — stelt, dat er verschil moet zijn tussen hetgeen men in de kerk zingt en hetgeen men thuis zingt. De reformator maakt hier dus een sterk onderscheid tussen wereldlijke en geestelijke muziek. Als argument hiervoor noemt Calvijn niet alleen dat muziek misbruikt kan worden, maar ook dat we in de eredienst voor God en zijn heilige engelen verschijnen. Een heilige samenkomst vraagt om een heilige muziekstijl, dus: een muziekstijl die afgezonderd is van de wereld en toegewijd is aan God.
Nu doe je Calvijn sterk tekort, wanneer je stelt dat hij het positieve gebruik van muziek niet gehonoreerd heeft. Hij mag dan angstig geweest zijn voor misbruik, maar het feit dat je muziek ook positief kunt aanwenden, heeft hem ertoe gebracht om muziek in de eredienst toe te laten. Het is onjuist te stellen, dat hij de gemeente enkel weer aan het zingen heeft gebracht omdat men dat in de vroeg-christelijke kerk nu eenmaal ook deed. De reformator was zich er ook terdege van bewust, dat muziek in de liturgie uitermate nuttig is. In de al eerder aangehaalde voorrede uit 1543 staat:
'Maar als ik nu van muziek spreek, dan bedoel ik twee dingen: woord, onderwerp of inhoud enerzijds en anderzijds het gezang of de melodie. Het is correct dat alle slechte teksten (zoals de heilige Paulus zegt) de goede zeden verstoren, maar wanneer daarbij een melodie is, wordt het hart zeer veel sterker getroffen en dringen de woorden dieper naar binnen. Zoals men wijn door een trechter in het vat giet, zo wordt het gif en verderf door de melodie tot op de bodem van het hart gebracht. Wat moeten wij nu doen? We hebben liederen nodig, die niet alleen eerlijk, maar ook heilig zijn. Liederen die ons prikkelen en aansporen God te bidden en te loven, zijn werken te overdenken, met als doel Hem lief te hebben, te vrezen, eren en prijzen.'
Muziek en verkondiging
Calvijn liet muziek toe in de eredienst. Waarom deed hij dat? Waarom kennen wij nog altijd zodoende orgel en gemeentezang? Welke functie diende muziek volgens Calvijn in de eredienst te hebben?
Naar aanleiding van deze passage is het zinvol, twee dingen naar voren te halen. Allereerst het gegeven, dat Calvijn niet alleen de gesproken verkondiging kent, maar ook de gezongen. Kerkmuziek is bij Calvijn niet tegenover de gesproken verkondiging geplaatst, maar is onderdeel van de verkondiging. Bij ons leeft de gedachte, dat het lied alleen 'antwoord' is en dus geen verkondiging kan zijn. Het lied van de gemeente heeft bij Calvijn een duidelijk verkondigende functie. Er zouden veel argumenten hierbij te noemen zijn. We noemen slechts dat Calvijn in de voorrede het lied duidelijk ziet als instrument ter versterking van het geloof en dat kan alleen door de verkondiging plaatsvinden.
Uit de zojuist geciteerde passage is al op te maken, dat het niet gaat om woorden die vanuit de mens zelf naar buiten komen. De tekst, de boodschap bereikt de mens juist van buitenaf. Vandaar ook de beeldspraak van de trechter en de wijn. Zou Calvijn het lied van de gemeente primair als 'antwoord' en niet als verkondiging zien, dan zou het een vreemde zaak zijn, de melodie als een trechter voor het woord te zien. Een 'antwoord' hoeft immers niet bij een mens naar binnen gegoten te worden, maar moet juist de omgekeerde richting volgen.
Tenslotte heeft Calvijn — zo staat in de voorrede — een voorkeur voor het zingen van psalmen, omdat 'wij er dan verzekerd van zijn, dat God ons de woorden in de mond legt, alsof Hijzelf in ons zingt om Zijn eer te verbreiden.' Kortom: Calvijn kent geen tegenstelling Woord (= gesproken) — antwoord (= gezongen). Vandaar ook dat hij bijvoorbeeld de Wet door de gemeente liet zingen.
Het tweede wat dan door drs. Smelik naar voren wordt gebracht vanuit de opvattingen van de Geneefse hervormer, is dat volgens hem een gezongen tekst grotere invloed heeft op de kerkganger dan een gesproken tekst. In een noot tekent Smelik hierbij aan, dat we met zo'n opmerking geen theologische uitspraak doen, maar ons begeven op het veld van de muziekpsychologie. Vanwege genoemde invloed acht Calvijn het nut van de muziek voor de verkondiging heel erg groot. Hij schat haar bereik hoger in dan die van het gesproken woord. En juist omdat muziek zo'n grote uitwerking heeft op de mens, kan deze binnen de verkondiging haar nuttige diensten bewijzen. Waarin ligt dan dat grotere bereik en waardoor wordt deze dan veroorzaakt? Wel, omdat muziek het woord intensiveert. Dat wil zeggen, door de muziek wordt de mens met verstand èn gevoel bij de verkondiging betrokken. In de eredienst mogen en moeten ook de affecten, de gevoelens van de mens aan de orde komen. Niet louter uit gevoelsmatige overwegingen, maar omdat het geloof ook alles te maken heeft met ervaring, met bevinding.
Wij vragen ons weleens af, waarom de samenkomsten van b.v. evangelische christenen zoveel aantrekkingskracht blijken te bezitten op onze jongere en oudere gemeenteleden. Heeft dat niet o.a. ook hiermee te maken, dat in die samenkomsten veel meer de affectieve kant van de mens aandacht krijgt, juist ook in de manier waarop in de diensten wordt gemusiceerd en gezongen? Bevinden onze eigen kerkdiensten zich niet veel te veel in de intellectualistische sfeer ondanks alle getamboer onder ons over bevinding en 'religie van de belijdenis'? En waar dan het 'bevindelijk element' in de prediking heel sterk aanwezig zou zijn, blijkt het dan in werkelijkheid niet een sterk verintellectualiseerde bevinding te zijn, een verstandelijke beschouwing over een bepaalde vorm van bevinding zonder dat werkelijk de mens ook in zijn gevoelens bij de verkondiging betrokken raakt? Ligt ook hier niet de achtergrond van de vraag van jongeren al eerder in deze persschouw verwoord naar het zichtbaar zien worden van elementen als verootmoediging en lofprijzing in de eredienst? Muziek kan ons heipen in de impasse, waann we ons bevinden als het gaat om een levende overdracht van het christelijk geloofsgoed. Om het met de woorden van drs. Smelik te zeggen: 'Muziek staat in dienst van de Woordverkondiging om de mens met verstand èn gevoel bij het Woord te betrekken'. Maar voordat dit inzicht breed onder ons doorbreekt, zal er wel eerst een diepgaande geestelijke herleving nodig zijn om de bevroren kaders enigszins tot ontdooiing te brengen. Immers wie, hoe voorzichtig ook, slechts gewaagt van enige liturgische vernieuwing binnen de kaders van de Schrift of in ieder geval bezinning daarover vraagt, om juist tegemoet te komen aan de noodzaak, mensen ook in hun affecten te hulp te komen, wordt fors afgeblazen. Dáár zou het immers niet in liggen, dat jongeren en ouderen afhaken. Horen we het dit keer ook nog eens van een ander.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1991
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1991
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's