Overpeinzingen op de valreep
Met de vakanties in zicht
Het is een aantal jaren geleden met een klein bericht in deze kolommen begonnen. Ds. C. den Boer zou in de vakantietijd in een middagdienst voorgaan in het Zwitserse Krattigen. Later volgden aankondigingen van morgendiensten in Spiez. En vervolgens zijn de Nederlandstalige vakantiediensten in het buitenland (in Europa en zelfs daarbuiten) zich als een olievlek gaan uitbreiden. Op zich is het verheugend, dat mensen ook in vakantietijd de gelegenheid hebben in eigen taal het Woord Gods te horen. Als we dan maar niet vergeten, dat de Heere ook elders zijn gemeente heeft en dat men het daar ook waardeert wanneer 'de vreemdeling' deelneemt aan de diensten.
Wie nu de jaarlijks langer wordende lijst in ons blad op zich laat inwerken, moet wel tot de conclusie komen, dat het interkerkelijkheid is wat de klok slaat. Als Nederlanders met vakantie gaan nemen ze alles uit Nederland mee, zelfs dus de kerk. Maar intussen laat kerkelijk Nederland, ook gereforméérd kerkelijk Nederland, het breed en ruim hangen. Men neemt nog niet de eigen kerk mee. En bij thuiskomst zijn de verhalen niet van de lucht hoe heerlijk het was eens echt samen met 'anderen' onder de verkondiging van het Woord Gods te zijn. De kerkmuren vallen eens even weg, al moet worden gezegd, dat sommigen ook over de grenzen die muren meetorsen. Maar niet zelden wordt onjuiste beeldvorming van de ander door ervaringen onder de prediking toch ook bijgesteld.
Intussen is de ervaring in het buitenland vaak ver verwijderd van de realiteit dicht bij, als de mensen weer thuis zijn. Al spoedig betrekt ieder het eigen kerkelijke winkeltje en de concurrentie en derhalve de onderlinge bestrijding is dan weer spoedig 'normaal' geworden. De kerkelijke organen en andere periodieken bijvoorbeeld houden de kerkelijke strijd wel levend. Maar uit de wijze, waarop mensen de gezamenlijkheid in vakantietijd beleven mag wèl worden geconstateerd, dat er bij velen toch een stil verlangen is naar meer eenheid, naar meer samengaan. Niemand weet een oplossing voor de nood van de gescheurdheid van het Lichaam van Christus. We tobben kerkelijk gezien vaak verder zonder echte hoop op betere tijden. Maar het heimwee is nog niet weg.
Gesprek
Dit alles gezegd hebbende zet ik mij met enige schroom aan een gesprek met een broeder uit een andere kerkformatie, t.w. prof. J. Kamphuis (Gereformeerde Kerken vrijgemaakt). Die schroom komt alleréérst voort uit het bovenstaande, maar verder ook uit het feit, dat ik een aantal jaren geleden ooit samen met prof. Kamphuis deelnam aan een dubbelinterview voor een jongerenblad uit vrijgemaakt-gereformeerde kring. In die ontmoeting konden we elkaar — hoe zou het ook! — niet overtuigen van de noodzaak om díé kerkelijke weg te gaan, die ieder van ons meende te móéten gaan in gehoorzaamheid aan de Heere der kerk. De argumenten pro en contra zijn immers telkens weer uitputtend aan de orde geweest. Maar in zo'n ontmoeting kijk je elkaar wel in het hart. En ook dan worden beelden opgeruimd of bijgesteld. Vanaf dat moment had ik de idee nog slechts met prof. Kamphuis voortaan in gesprèk te kunnen zijn, zelfs over de diepe dingen, die ons scheiden.
Mij dunkt, dat wat de kerkelijke weg betreft, die we gaan en ons gewézen achten, o. a. het verstaan van (ook) de geldigheid van het Oude Testament voor de kerk vandaag ons parten speelt en scheiding maakt. De profeten van het Oude Verbond stonden midden onder het volk van het Verbond, hoezeer dat volk ook aan de dienst van God vaak ontrouw was geworden. Vandaar!
De reden, dat ik nu toch ook publiekelijk met prof. Kamphuis in gesprek treed is, dat hij misverstanden heeft opgeroepen in het blad De Reformatie, toen hij recent inging op het referaat, dat ondergetekende hield over 'de breedte der kerk' op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond. De teneur van mijn betoog was — ieder heeft dat kunnen nalezen in deze kolommen — dat 'breedte van de kerk' onduidelijkheid kan betekenen en dat we zelf als hervormd-gereformeerden op onze hoede moeten zijn onze van Godswege opgedragen kritische positie niet te laten afzwakken door ons inhoudelijk in die breedte te laten meetrekken. Als voorbeelden noemde ik een bloedloos rapport (een 'tussenrapportage') over de Opstanding. En verder noemde ik de 'deal', die enige tijd geleden werd gemaakt met betrekking tot de benoeming van mevrouw Bons-Storm als (feministisch) kerkelijk hoogleraar te Groningen, waarbij dr. W. Balke eveneens een hoogleraarsbenoeming kreeg.
Het door mij gestelde over de Opstanding, roept bij prof. Kamphuis waardering op. Hij spreekt over 'kostelijke woorden'. Maar op het tweede voorbeeld gaat hij dóór, in kritische zin. Wat hij zegt ontleent hij intussen aan een verslag in het Nederlands Dagblad, dat, zegt hij, 'zó duidelijk is, dat ik er m.i. op af mag gaan'. Ook anderen deden dat reeds (o.a. dr. M.J. Arntzen, en ook enkele briefschrijvers).
Welnu, het genoemde verslag op zich vecht ik niet aan. Maar een verslag is wel een verslàg en geeft nooit de totale teneur van een betoog weer, doordat veel weggelaten moet worden.
Misverstand
Welk misverstand — wat mij betreft zelfs een píjnlijk misverstand — roept prof. Kamphuis nu op? Wel, hij doet het voorkomen alsof ik nu (pas) genoemde 'deal' aanvecht, omdat het resultáát anders uitpakte dan werd gehoopt (de benoeming van 'de voortreffelijke theoloog' dr. Balke, aldus prof. Kamphuis, ging niet door).
Wie echter mijn hele verhaal heeft gelezen, kan niet anders dan de conclusie trekken, dat ik niet de mislukking van de 'deal' onder kritiek stelde maar de 'deal' op zich. Prof. Kamphuis mag er zich nog eens van vergewissen, dat ik in het referaat op de jaarvergadering niet alleen de breedte van de kerk zelve onder de loep nam maar een poging deed onszelf (als hervormd-gereformeerden) ook een spiegel voor te houden. Laten wij op onze zaak, liever op de gereforméérde zaak letten en niet terwille van de breedte van de kerk afgaan dingen op duidelijkheid.
Als u het nog eens concreet wil horen prof. Kamphuis: de benoeming van mevrouw Bons-Storm had niet gemógen, om des beginsels wil niet. Dat het gegaan is, zoàls het is gegaan, betekent voor mij niet, dat ik personen, c.q. synodeleden in staat van beschuldiging stel. Maar al te zeer weet ik ervan hoe het dragen van (mede)verantwoordelijkheid, inderdáád in de breedte der kerk (dat wel!), altijd weer de vraag doet opkomen of we wel trouw genoeg waren en zijn; of we gespróken hebben, waar het móést, en gezwégen hebben, waar dat raadzaam was.
Mijn oprechte bedoeling was onszelf de spiegel voor te houden, nu we aan invloed lijken te winnen (getalsmatig), hetgeen ten koste van de gereformeerde identiteit zou kunnen gaan.
Prof. Kamphuis heeft nu m.i. echter dat zelfbeeld uitvergroot en intussen vertekend.
Het was een merkwaardige ervaring te moeten bemerken hoe anderen (vanaf de zijlijn) het beeld van de 'deal' — ik gebruikte dat woord om veel woorden uit te sparen en maar recht-toe-recht-aan te zeggen wat ik bedoelde — oppakten om vervolgens duidelijk te maken hoe erg het allemaal wel was met betrekking tot onze kerkelijke positie.
Welnu, los van de kwestie Bons-Storm, dragen wij op véle vlakken, louter door ons behoren tot de Nederlandse Hervormde Kerk, mee de làst van veel wat niet is naar de Schriften. En nochtans drágen we die last mee. In de breedte van de kerk, inderdaad.
Zou het daarom niet veel eenvoudiger zijn om deze last los te laten? Om des gewetenswil, nee! Nochtans, nee!
Profetie
Het zou evenwel ontoelaatbaar zijn als we, ter plaatse waar we zijn en waar we ons geroepen weten, de Naam zouden verloochenen in plaats van die te heiligen. Maar we zijn op die plek niet omdat er nog 'een' plaats voor de waarheid is (ik citeer prof. Kamphuis). We zijn op die plaats, omdat we ons daar geroepen weten om van die (dè) waarheid getuigenis te geven, met insluiting overigens van onszelf als het gaat om de kritische functie van het Woord (alléén!).
We weten ons daartoe ook vandaag geroepen, juist nu (N.B.!) de nazaten van de Doleantie 'en masse' zich bij ons voegen en nu derhalve opnieuw de kerk een weg dreigt te gaan — zoals in de dagen van de Doleantie — die een breuk met de historische kerk der vaderen dreigt te betekenen. Intussen gaat het ons niet om een spanningsloos zijn in een historische kerk. En verder hebben wij die kerk ook niet gekozen omdat we er nog 'een' plaats in mochten hebben. Ons is in die kerk een plaats gegeven in de geschiedenis van land en volk hier in dit deel van Europa. En we hopen van heler harte, dat prof. Kamphuis en andere gereformeerde belijders ons tot de bijbelse orde zullen roepen als we zèlf, in wat we zeggen over God en Zijn Woord en Zijn dienst, ongehoorzaam zijn aan de belijdenis der vaderen en daarom en daarbovenuit aan het getuigenis der Schriften.
Ooit heeft prof. Kamphuis ook gesteld, dat de Gereformeerde Bond de lijn van dr. Ph.J. Hoedemaker heeft gekozen en dus 'om' is gegaan. Zonder de totale erfenis van Hoedemaker tot de onze te maken, moet worden gezegd, dat het profetisch zicht, dat Hoedemaker op de hele kerk had inderdaad de 'onze' is. Ook wijlen ds. I. Kievit heeft daarvan, kort voor zijn overlijden, nog getuigenis gegeven, gezien de ontwikkeling van de kerk in Nederland in haar geheel (1948). Maar dan wel (ook) zó, dat in 'heel de kerk en heel het volk' ligt opgesloten wat één der eerste bestuurders van de Gereformeerde Bond in het begin van deze eeuw zei: 'genéés de kerk, genéés het volk'. En die genezing is alleen te verwachten van het profetische Woord. Zonder ons nu te willen meten aan de profeten van het Oude Verbond, hùn profetische woorden en positie willen ook vandaag worden uitgezegd en gepraktiseerd, temidden van een volk, dat Gods inzettingen verlaat, temidden ook van het volk des Verbonds, dat eigenwillige wegen gaat.
We zullen het niet verdrágen (kunnen en mogen), dat de Naam des Heeren ontheiligd wordt, ook in wat zich theologisch aandient. We zullen van de Hoge Naam getuigen ter plekke waar we geroepen zijn.
Moeilijker
Het wordt weliswaar allemaal moeilijker, ook in de kerk der vaderen. Na wat op de laatste synodevergadering aan de orde was, inzake de knelpunten in het Samen op Weg-proces, is van buiten deze kerk weer her en der gesuggereerd, dat een breuk heilzaam zou zijn.
In het nummer van De Reformatie, waarin prof. Kamphuis zijn beschouwingen gaf over mijn referaat, ging nog een ander scribent (dr. W.G. de Vries) in op mijn uitspraak, dat er momenteel geen enkele duidelijkheid is omtrent de vraag wat we vandaag onder het belijden der kerk moeten verstaan. Ik heb geen reden om op die uitspraak terug te komen, want 'in de breedte van de kerk' weten we vaak niet meer wat 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' in concreto vandaag voor inhoud moet krijgen.
Gezegd wordt dan vervolgens: 'Hoe graag zagen we alle gereformeerde belijders bijeen in de kerk waarvan onze belijdenis spreekt.'
Hier zijn we weer terug bij het begin van deze overpeinzingen. Hoezeer kunnen we daar immers niet àllen naar verlangen. Maar wij (voor ons) zouden zo graag àllen daarbij willen hebben, die vanwege Gods gang in onze geschiedenis bij elkaar zijn gebracht.
We zouden zo gaarne willen, dat ons hele volk weer terugkwam op de weg van de heilzame geboden Gods.
We zouden zo graag willen, dat allen, die vandaag tot de kerk der vaderen behoren en die afvallig zijn geworden wat betreft de gereformeerde religie, alsook de nazaten van Afscheiding en Doleantie (óók die afvallig zijn geworden) weer zouden terugkeren op die weg van de ene kerk des verbonds, van Godswege hier gesteld in de geschiedenis, die tevens een kerk van gereformeerde belijdenis is.
Ik ben echter sceptisch inzake die éne (begeerde) kerk van gereformeerde belijders vandaag. Discussiëren we vandaag niet over de kerk, dan doen we het morgen wel weer — die éne belijdenis ten spijt — over de aard van de spiritualiteit. Terzijde van de heirbaan, waar de kèrkelijke discussie zich voltrekt, voltrekken zich niet minder heftige twistgesprekken over de toeëigening des heils. Men denke aan de zogeheten 'Pniëlpreek' van de Chr. Geref. ds. J. Westerink of aan de boeken van prof. dr. C. Graafland en prof. dr. W.H. Velema over (gereformeerde) spiritualiteit. Of over wat bevinding heten mag (of mystiek). En als er enerzijds al onduidelijkheid is over de vraag wat de kerk der vaderen is, dan is er anderzijds tussen gereformeerden van allerlei snit minstens zoveel onduidelijkheid over de vraag wat de kerk des verbonds is.
Dè kerk is naar mijn overtuiging dan ook niet gered met een breuk binnen wat nu de Nederlandse Hervormde Kerk is. Niemand heeft ter hervormde synode gelukkig op zo'n breuk gepreludeerd, al moeten ook wìj oppassen voor de psychologische gevolgen van wat we zeggen. Er is alleen voor gewaarschuwd, omdat eerder in de geschiedenis ontwikkelingen een onvoorziene of niet-gewenste afloop hebben gekregen.
De kerk is — God geve het — gered, als voor Gods Aangezicht inderdaad de breuk van de gànse kerk in Nederland wordt ingeleefd en als wordt beleefd en beleden hoe we de erve der vaderen, ons gegeven in de gang van Gods handelen in deze landen, hebben prijs gegeven voor een schotel linzenmoes van kerkelijke verdeeldheid.
Maar laten we — als 't u belieft! — proberen, in deze tijd van Godsverzaking en afval, elkaar te sterken op de plek waar we zijn gesteld en in gehoorzaamheid aan de Schriften onze roeping gestalte trachten te geven.
Marge
Als we de lijst met kerkdiensten in het buitenland zien, lijken we een aardig kerks volkje te zijn en schijnen we het met elkaar goed te kunnen vinden. Moge het inderdaad zo maar zìjn in de tijd van vakantie, die aanbreekt. Maar hopelijk mogen de ontmoetingen onder de dienst des Woords signalen van herkenning zijn en momenten van bemoediging om, teruggekeerd van weggeweest, elkaar ook in het oog te hebben en te houden als gereformeerde belijders in de worsteling om het gereformeerde leven vandaag in eigen land. Want de gereformeerde zaak staat er niet florissant voor. We worden meer en meer gedrongen naar de marge van de samenleving en zelfs van het kerkelijke leven.
En het zal er toch om gaan, dat het vòlk het Evangelie van vrije genade blijft horen, her en der, in de kerken en daarbuiten. 'We mogen de kerk niet verlaten omwille van het vòlk in de kerk', zei dr. J.G. Woelderink bij de herdenking vaa de Afscheiding in 1934. Ook dat is waar. Maar tegelijkertijd verliezen we elkaar hopelijk niet uit het oog.
Nochtans, maar dan ook alleen nòchtans is er hoop. Zolang het Woord er is, is er hoop. Dat is wel een profétisch Woord. Laten we dat erin werpen en er zal zegen zijn (Kohlbrugge).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's