Zelfwaardering in bijbels perspectief
Depressiviteit in de gemeente
In het kader van onze bezinning over depressiviteit, willen we nu zien, wat de Bijbel over de mens zegt. Daarbij stellen we vooral belang in de vraag, hoe we het menselijk bestaan waarderen moeten of mogen.
Met opzet heb ik in de titel niet het algemene woord 'mens' gebruikt. Het is altijd al zo, dat als het over de mens gaat, het over onszelf gaat. Maar dat geldt helemaal als we het over de mens willen hebben in verband met depressiviteit. We zijn dan immers met onszelf in de knoop geraakt. En de vraag weegt: Hoe mag of moet ik mijzelf beleven?
De mens en God
Wie de Bijbel alleen maar oppervlakkig doorbladert naar een eerste antwoord op deze vraag, valt het onmiddellijk op, dat de Bijbel geen algemene beschouwingen geeft over ons menselijk bestaan. Ze vertelt over de mens, klaagt over hem, bewondert hem, maar theoretiseert niet over hem. En altijd beziet ze hem in zijn verhouding tot God. Los van God heeft de Bijbel over ons menselijk leven eigenlijk niets te zeggen. De eerste bladzijde van de Bijbel begint ook niet met de mens, maar met God. Hij schiep de hemel en de aarde. Hij schiep ook de mens. Voor onze zelfbeleving is dat van direkte betekenis. De vraag, hoe ik tegen mijzelf aankijk, hoe ik mijzelf beleef en waardeer, kan bijbels gezien niet losgemaakt worden van hoe God tegen mij aankijkt en mij beleeft. In zijn richtend en reddend oordelen over ons, hakt Hij de knoop door, waarin we met onze zelfbeleving waren verstrikt.
Maar met dat laatste lopen we op de dingen vooruit. We zouden eigenlijk eerst de Bijbel moeten doorkruipen om van tekst tot tekst na te gaan, wat er over de mens te vinden is. Daar is in een kort bestek als dit natuurlijk geen kijk op. Ik kies een paar motieven, waarvan ik meen, dat ze belangrijk zijn.
Onze waardigheid
Eerst Psalm 8. Wie dat een psalm zou willen noemen over de glorie van de mens zit er naast op de manier van de halve waarheid. De dichter zingt allereerst het hoge lied van Gods lof. Hij verwondert zich over de majesteit Gods. Maar minstens even wonderlijk is, dat God, die zijn glorie doet oplichten in het grote en wijde heelal, zoveel waardigheid aan de mens heeft gegeven. Hij die de maan en de sterren bereid heeft, wil een nietig mensenkind gedenken. Ja, heeft Hem bekleed met eer en heerlijkheid en doet hem heersen over de werken van zijn handen. De dichter beleeft zichzelf temidden van de grootsheid en wijdsheid van het bestaan als een klein en nietig mensenkind. Maar dat kleine en nietige mensenkind is wel tot hoge waardigheid verheven. Voor hem is dat geen reden om trots op te zijn. Hij verwondert er zich over en ziet daarin juist temeer de heerlijkheid Gods oplichten.
In deze psalm klinkt duidelijk Genesis 1 mee. Als kroon op Zijn schepping heeft God mensen gemaakt, naar Zijn beeld en gelijkenis om heerschappij te hebben over al het werk zijner handen en om vruchtbaar te zijn en de aarde te vervullen.
Dat 'naar Zijn beeld en gelijkenis' maakt het unieke van de mens uit. Boeken zijn er over vol geschreven. Veelal wordt daarbij een tegenstelling gemaakt tussen funktie en wezen. De vraag is of dat nodig is. De mens mag als beeld van God diens representant, diens vertegenwoordiger zijn, en daartoe krijgt hij ook het benodigde mee. Zo betekent beeld van God ook, dat hij aanspreekbaar is op zijn taak en roeping. Aan het eind van Genesis 1 lezen we het ook in dit verband zeer opmerkelijke zinnetje: En God zag al wat Hij gemaakt had en ziet, het was zeer goed.
Deze en dergelijke bijbelwoorden leiden zonder meer tot een zonnige kijk op onszelf. Heel anders dan bijvoorbeeld bij de gnostieke gedachtengangen. Daar klinkt altijd een tragische toon. De mens is losgeraakt uit zijn goddelijke bron. Hij voelt zich in dit bestaan vreemd en ver. Het is zaak om maar zo gauw mogelijk tot de bron terug te keren. De Bijbel betuigt ons, dat we schepselen zijn. We komen uit de hand van God. Hij heeft ons bedoeld en gewild. Wij mogen er zijn in de verwondering en de vreugde om de goedheid van het bestaan.
Onze ellende
Toch is dat 'zonnige', dat blijde, dat positieve van de Bijbel lang niet alles. Wat wordt er ook niet geklaagd en gezucht over het menselijk bestaan. Job roept uit: De mens van een vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem, ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet – Job 14 vers 1 en 2. Job heeft het zo moeilijk gehad met zijn bestaan, dat hij wenste wel niet geboren te zijn. En hij is echt niet de enige, die zo zucht. Geplaagd door een ernstige ziekte klaagt ook de dichter van Psalm 39 over de vergankelijkheid van het leven. Tegen ieder, die roemen wil op macht of rijkdom, wordt in Psalm 49 heel indringend gezegd: De mens nochtans, die in waarde is blijft niet, hij wordt gelijk de beesten, die vergaan. En hoe aangrijpend klinkt niet Jeremia's klacht in Klaagliederen. Bij de Prediker lijkt dat tragisch levensgevoel helemaal de overhand te hebben als hij verzucht: IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.
Schuld
Deze donkerheid in ons menselijk leven is bijbels gezien geen tragiek, maar schuld. Niet alleen Genesis 1, maar ook Genesis 3 is bepalend voor onze zelfbeleving. In onze zelfwaardering wilden we over de grens reiken, die ons was gesteld. Beeld van God was ons niet genoeg, als God Zelf wilden we zijn. In die hoogmoed zijn we ten val gekomen. De zonde heeft zijn intrede gedaan in het menselijk leven en met de zonde, de dood en alle ellende vandien – Rom. 5 vers 12. Die zonde was bovendien geen incident. Zij heeft zich diep in het menselijk bestaan genesteld. In Gen. 6 vs. 5 vinden we als tegenhanger van Gen. 1 vs. 31, dat de HEERE zag, dat de boosheid van de mens menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel van de gedachten van zijn hart te allen dage alleen boos. Van zijn plaats en taak in de schepping als beeld is niets terecht gekomen. Hij heeft zijn doel gemist.
Genade
Opmerkelijk is, dat Psalm 8 gezongen wordt na Genesis 3. In de genade van Gods verbond mag ondanks alle verderf toch weer iets oplichten van de oorspronkelijke waardigheid en heerlijkheid van Gods mensenkind. Psalm 8 zingt van de heerlijkheid van de Naam des HEEREN. Niet zonder reden wordt hier Gods verbondsnaam genoemd. In Zijn onveranderlijke trouw en genade laat God Zijn mensenkind niet aan eigengekozen verderf over. In Zijn verbond met Abraham en Israël mag ondanks alles de mens weer tot zijn bestemming komen.
We hebben dus geen gesloten mensbeeld in het Oude Testament. Wij zijn van hoge kom-af, we hebben een bijzondere plaats gekregen in Gods schepping, maar in de praktijk heerst de zonde. We leven in de verscheurdheid van een mens-zijn, dat zondaar-zijn is. Slechts in de goede verhouding tot God kan er iets van heelheid gevonden worden. Iets van sjaloom, ook in verhouding tot onszelf.
De Heere Jezus Christus
In het Nieuwe Testament vinden we dat niet anders. Gods genadeverbond vindt er zijn vervulling in de ware mens: Jezus Christus. Bij de instelling van het Avondmaal horen we de Heere Jezus Zijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament noemen – Mk. 14 vs. 24 en Mat. 26 vs. 28. In het offer, dat Hij gaat brengen is er vergeving van zonden en zo werkelijk herstel van de goede relatie tussen God en mens.
Tegelijk laat Hij ook zien, wat de mens naar Gods bedoeling mag zijn. Psalm 8 wordt opmerkelijk genoeg door de schrijver van de Hebreeënbrief op Hem toegepast. Hij wordt ook telkens weer het Beeld van God genoemd - 2 Kor. 3 vs. 18, 2 Kor. 4 vs. 4.
In geloofsverbondenheid aan Christus mogen zondige mensenkinderen weer in de rechte relatie staan tot God. We mogen weer gelden als mensen Gods tot alle goed werk volmaakt toegerust. De apostel schrijft in 2 Kor. 5 vs. 17: Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Naar Zijn beeld vernieuwt de Heilige Geest allen, die in Hem geloven – Kol. 3 vs. 10, Ef. 4 vs. 24. Bij dat laatste Bijbelwoord valt op, hoe we daarbij zelf aktief betrokken dienen te zijn.
Maar de Heilige Geest is eerstelingsgave – Rom. 8 vs. 23. Dat wil zeggen voorschot op, of voorproef van het volmaakte dat komen gaat. Het nieuwe is er, maar moet tegelijkertijd ook nog komen. Datgene, wat we ervan mogen kennen door het geloof in Christus en wat er in beginsel ook is door de Heilige Geest, richt ons in volhardende hoop en verwachting op de toekomst van Gods koninkrijk.
Spanning
Dat betekent, dat de spanning er in blijft. Ook in het Nieuwe Testament wordt ons geen gladgeschaafd mensbeeld getekend. Paulus' zelfwaardering is tekenend. In Romeinen 7 ontmoeten wij een mens, die worstelt met de tweespalt in zijn leven. Radikaal eerlijk belijdt hij van zichzelf buiten Christus: maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Het goede, dat hij wil, dat doet hij niet, maar het kwade, dat hij niet wil, dat doet hij. Een nogal negatief zelfbeeld dus. Een pessimistische kijk, die echter alleen geldt in zijn relatie tot God. Zo moet God over hem oordelen buiten Christus, en zo heeft hij vandaaruit ook over zichzelf leren oordelen.
Wat we ook van onszelf willen vinden, bijbels gezien komen we nooit onder deze negativiteit uit. God is immers te rein van ogen om het kwade te aanschouwen, laat staan, dat Hij het zou goed praten.
Maar voor de apostel is dat bepaald niet het laatste wat er over zijn bestaan te zeggen valt. God heeft er in Christus immers Zelf Zijn positieve. Zijn aanvaardende ja over uitgesproken. Door het geloof in Christus mag hij zich aangenomen en vernieuwd weten tot Gods kind en erfgenaam. Niet meer hij leeft, maar Christus leeft in hem. Zo kan hij ook heel positief over zichzelf spreken. Van ziekelijke minderwaardigheidsgevoelens is bij de apostel geen sprake. In 1 Kor. 15 betuigt hij spontaan, dat hij overvloediger gearbeid heeft dan alle andere apostelen. Dat is allerminst een staaltje van hoogmoed, maar van dankbaar weten, door Gods genade te zijn, die hij is. In die lijn belijdt hij ook in Fil. 4 vs. 13 alle dingen te vermogen door Christus, die hem kracht geeft.
Samenvattend mogen we zeggen, dat de Bijbel ons geen ruimte laat voor een hoge dunk van onszelf, maar ons wel vertrouwen wil geven in de Heere Jezus Christus en Zijn Geest. En vandaaruit ook vertrouwen in onszelf. Door Zijn genade mag ik mens zijn, met alle gaven, die Hij mij gaf. Mens voor Zijn Aangezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's