Wijzelf in onze gereformeerde belijdenissen
Depressiviteit in de gemeente
We leggen nu ons oor te luisteren aan onze gereformeerde belijdenissen. Konkreet dus de drie formulieren van enigheid. Ook nu stellen we de vraag naar de waardering van ons menselijk bestaan.
Verschil met de Bijbel?
Maar moet er niet eerst een andere vraag voorafgaan, namelijk of het wel nodig is hier nog apart over te schrijven. De gereformeerde belijdenissen willen zich toch geheel en al laten leiden door de Bijbel. Heeft het dan nog wel zin om als je over de Bijbel geschreven hebt, het nog apart over de Belijdenissen te hebben. Je loopt kans in herhaling te vervallen, of anders de suggestie te wekken, dat er tussen die twee heel wat ruimte zit. We kunnen hier op de verhouding van Schrift en Belijdenis niet uitvoerig ingaan, maar het is wel zeker, dat onze belijdenissen vertolkingen zijn van het Schriftgetuigenis onder bepaalde omstandigheden. De konfrontatie met andere vertolkingen vroeg om uitdieping en toespitsing van bepaalde motieven.
Reformatie
Het meest bepalende voor onze belijdenissen is dat ze in de tijd van de Reformatie zijn ontstaan. Dat was voor alles een religieuze beweging. Het ging bijvoorbeeld niet allereerst om een nieuwe methode voor de theologische wetenschap, het ging om de religie, om de persoonlijke verhouding van een mens tot God. Theologie leer je op je knieën, moet Luther eens gezegd hebben. Juist aan zijn leven wordt duidelijk, dat het ging om de vragen: Wie ben ik voor God en Wie is God voor mij? En dat de antwoorden daarop radikaal bepaald worden door zonde en genade. Op dat thema variëren ook de drie sola's van de Reformatie.
We zullen dat goed in het oog moeten houden als we ons afvragen, wat de belijdenissen over ons menselijk bestaan betuigen. Zij bedoelen ook daarbij niet anders dan de soevereine genade Gods te verheerlijken. Het gaat nooit over het verschijnsel mens in het algemeen, maar over wie hij is in zijn verhouding tot God.
Het negatieve van de zonde
Heel indringend, in krachtige radikale bewoordingen wordt de mens aangewezen in zijn verdorven en schuldig bestaan voor God. In artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we dat de mens zijn gehele natuur verdorven heeft door de zonde, dat hij in al zijn wegen goddeloos en verkeerd geworden is. Hij is duisternis geworden en een slaaf van de zonde. In dezelfde lijn vinden we in Zondag 2 en 3 van de Heidelberger Catechismus, dat we van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten. Dat we boos en verkeerd zijn, dat onze aard verdorven is, en wel zo, dat we gans onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. In hoofdstuk 3.4 sluiten de Dordtse Leerregels zich daarbij aan. In artikel 1 wordt de mens getekend in zijn totale verdorvenheid, naar de klassieke indeling van verstand, wil en gevoel. Blindheid verschrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid van oordeel regeert zijn verstand, weerspannigheid en hardheid is er in zijn wil, onzuiverheid in zijn genegenheden. Door de voortplanting van deze verdorvenheid worden alle mensen onbekwaam tot enig zaligmakend goed geboren. Ze zijn dood in de zonden, en willen noch kunnen tot God wederkeren, evenmin hun verdorven natuur verbeteren en zich ook niet tot zulke verbetering schikken.
Deze trieste tekening van ons natuurlijk menselijk bestaan staat tegen de lichtende achtergrond van Gods goede schepping. Onze belijdenisgeschriften laten zien, hoe God de mens bedoeld heeft als mens voor Zijn aangezicht en tot Zijn eer, versierd met de gaven, die daartoe dienden. Ware kennis, gerechtigheid, zuiverheid en heiligheid zijn de termen, die daarbij vallen. Deze gaven hadden dus geen enkele betekenis in zichzelf, maar waren geheel gericht op God. Het ging om de kennis van Hem. Hij mocht gediend worden, met Hem mocht er geleefd worden in de eeuwige zaligheid om Hem te loven en te prijzen.
Resten
De zondeval maakte daar echter wat ons betreft voorgoed een eind aan. Er zijn wel resten van de genoemde gaven overgebleven, maar zij leveren ons geen gerechtigheid op voor Gods Aangezicht.
Integendeel, we staan er alleen maar des te schuldiger door. De Dordtse Leerregels belijden zelfs, dat wij ook in natuurlijke en politieke zaken het overgebleven licht niet recht gebruiken.
Kritiek
Wie dit alles op zich in laat werken, kan zich voorstellen, dat zulk spreken over de mens onze belijdenissen niet altijd in dank is afgenomen. We kunnen wel heel vroom allerlei gereformeerde waarheden naar voren brengen, maar het is nog wat anders om die werkelijk te beleven. Steigert dan ons aller natuurlijk hart niet tegen zo'n vernedering? Ook al zijn we het met het verzet tegen deze belijdenissen niet eens, we hoeven ons er niet boven te verheffen.
Ik geef een enkel voorbeeld: In een boek over de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit 1948 schrijft prof. dr. C.J. Bleeker naar aanleiding van de mensleer, dat deze wel theologisch is, maar erg eenzijdig. Hij schrijft letterlijk 'Het vrij sombere beeld van deze artikelen (art. 14 en 15), waarin de verdorven aard en de onmacht van de mens zo breed uitgetekend worden, heeft niet altijd een gunstige en verheffende uitwerking op bepaalde naturen. Het werkt deprimerend en kan een ongezond zondebesef kweken. Het verzwijgt de gunstige mogelijkheden in de mens. Er gaat geen opvoedende en stimulerende werking van uit. Dit zijn bedenkingen van praktische aard, die ons moeten nopen om na te gaan of dit mensenbeeld ook theologisch wel juist is. 'Prof. Bleeker wil dan vanuit de schepping toch nog een goed woord voor de mens en zijn mogelijkheden doen. Het treft, hoe hier eigenlijk al het verwijt klinkt over een ziekelijk onmachts- en schuldbesef, dat onlangs door Aleid Schilder is gedaan naar de kant van de gereformeerde leer.
Toch klinkt hier bijbelse ernst en radikaliteit. We kunnen en mogen deze krachtige toon niet verzwakken. Wel is het goed om te bedenken, dat ook voor de belijdenis het zondaar-zijn niet met schepsel-zijn is meegegeven. Het hoort er niet wezenlijk bij, maar is er bij gekomen in de geschiedenis. Zou het er wezenlijk bij horen, dan zou verlossing betekenen, dat we van de schepping bevrijd moeten worden. Min of meer in de lijn van Indische godsdiensten. Dat historische van de zonde betekent niet, dat het daarom minder ingrijpend zou zijn. Niet voor niets hebben onze belijdenissen het telkens over een verdorven aard en natuur. Dat mogen we wel niet zo uitleggen, dat de mens als mens tot een duivel geworden is, maar houdt wel in, dat het wezen van zijn bestaan voor God gekarakteriseerd wordt door de zonde.
Het positieve van Gods heil
Maar dat historische van de zonde houdt wel in, dat er in diezelfde geschiedenis verandering mogelijk is.
Deze mogelijkheid heeft gestalte gekregen in het verlossende werk van God in Christus door Zijn Heilige Geest. In de gereformeerde belijdenissen ging het er eigenlijk om, daarvan zo getuigenis te geven dat God op het hoogst wordt verheerlijkt. Men achtte de eer van God aangetast door het halve pelagianisme van de Roomskatholieke kerk van toen, dat aan de vrije wil van de mens te hoog waardeerde. Bovendien zag men zo terecht de zekerheid van het heil op losse schroeven gezet. Wat was er van een zondig mensekind immers anders te verwachten dan verzet tegen de genade Gods?
Verwijt
Rond die onwederstandelijke genade Gods is de laatste tijd nog al wat gesprek. De Dordtse Leerregels wordt verweten toch ergens over mensen als over dingen te spreken. Bij mensen, personen breng je op een andere manier veranderingen te weeg dan bij dingen, met name als het gaat over de verhoudingen, waarin mensen staan. Als de opstellers van de Dordtse Leerregels dat hadden beseft, zouden ze anders gesproken hebben over de genade van God. Ik weet dat nog zo net niet. Er blijft in Gods heilswerk aan ons hart en leven altijd iets 'vreemds'. Iets wat zonder ons en over ons geschiedt. Iets waar ik niet eerst mee instem. Zoals Van Ruler eens zei: Eén moment zijn we er niet bij. We worden omgezet. Zoals een trein, die van de rails gelopen is, er zelf niet meer op komt. We worden 'gemanipuleerd'. Ondanks onszelf en tegen onszelf in, herschapen en vernieuwd tot mensen Gods.
De gereformeerde belijdenis gaat het niet om een negatief zelfbeeld. Veel meer wil het wonder beleden worden, dat deze geschonden mens ondanks alles door God aanvaard wordt om Christus wil en vernieuwd door Zijn Heilige Geest. We hoeven niet in oppervlakkig humanisme de ogen te sluiten voor de werkelijkheid van ons bestaan voor God, maar mogen tegelijk weten, dat dat niet het laatste is. De gerechtigheid van het geloof in Christus doet ons zien op onszelf, zoals God op Christus ziet. Dan bloeit er een positiviteit open, waaraan alle trots en verdienste vreemd is maar, waarin ik dankbaar en verwonderd mijn God en Vader mag dienen met de gaven, die Hij mijzelf gegeven heeft.
Geloof
Deze positiviteit is allereerst en fundamenteel een zaak van het geloof. Het geloof omhelst Christus en al Zijn verdiensten, zoals ze ons in het evangelie worden gepredikt. Heel centraal staat dat in artikel 21 tot en met 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In de Catechismus vinden we hetzelfde in de zondagen 7, 23 en 24. Terwijl daar ook bij de behandeling van de sacramenten telkens weer gesteld wordt, dat ons geloof en betrouwen zich richt op Christus. In de Dordtse Leerregels wordt ten aanzien van het geloof de oorsprongsvraag gesteld, maar ook daar is het geloof dat de prediking van Gods beloften aanneemt, de weg tot het heil en zo tot vertrouwen aangaande onszelf. Vergelijk I.2.3.12.14, II.5, III.IV.8.
Niet ongebroken
Rest ons tenslotte nog te vermelden, dat deze op de genade Gods stoelende zelfaanvaarding ook voor de gereformeerde belijdenissen niet ongebroken is. Zij blijft onder de spanning staan van het 'ten dele'. We worden wel van de heerschappij en slavernij van de zonde verlost, doch niet geheel van het vlees en het lichaam der zonde. Dordtse Leerregels V.1. Wie zich in zichzelf in dit leven al als volmaakt beschouwt, lijdt aan een te vroeg gegrepen triomf. Daarom blijft de nederige belijdenis van zonde en tekort de christen vergezellen en blijft hij geroepen tot de strijd ook tegen zichzelf. Maar die strijd is niet wanhopig of krampachtig, ze is koninklijk. Ze wordt gestreden met een goed geweten ten aanzien van onszelf en in het vertrouwen, dat de overwinning vastligt in onze getrouwe Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's