Globaal bekeken
Toen enige weken geleden de heer J. Bout – drukker van het in hervormd-gereformeerde kring verschijnende Gereformeerd Weekblad – overleden was, stond in de Huizer Courant onderstaande brief uit de oude doos:
Waar komt de drukker en uitgever van het Gereformeerd Weekblad en van verschillende organen van Hervormd-Gereformeerde organisaties vandaan?
Uit Huizen, zal iedereen zeggen, die een beetje bekend is op het erf van de Hervormd-Gereformeerde richting in de Hervormde Kerk. En die nóg beter met de familie Bout bekend is, zal zeggen: Het is van oorsprong een vissersfamilie langs de oude trouwe blauwe Zuiderzee, die al weer vele jaren IJsselmeer is.
Ze hebben gelijk: de vader van drukker Bout, oprichter van drukkerij-uitgeverij J. Bout en Zonen, heeft in zijn jongensjaren gevaren op een vissersboot. Maar hij werd drukker – en wel met name drukker van kerkelijke, theologische lectuur. En zo werd hij in zekere zin visser van mensen. Zijn zoon Jakob Bout, mocht dit werk en het bedrijf voortzetten.
Maar na langdurige onderzoekingen is het voor mij komen vast te staan, dat de oorsprong van het geslacht Bout niet in Nederland, doch in Frankrijk ligt. De voorvaderen van "onze" Bout schijnen uit Champagne te komen, waar Frans van Guise te Vassy een moordpartij liet plaatsvinden onder daar wonende Protestanten, die de naam Hugenoten (waardeloos geldstuk) gekregen hadden. Dat was in 1562 – en het was in dat jaar, dat een groep Hugenoten, uit Vassy gevlucht zijnde, in Zeeland aankwam. Daaronder waren ook enige mannen die zich Bout noemden, of zo genoemd werden. Het is onzeker, maar het ligt wel voor de hand, dat de benaming Bout in het Frans te maken heeft met: eind. Zo spreekt de Fransman van: aller juscu au bout, dat wil zeggen: tot het eind volhouden.
De gezinnen Bout bleven niet in Zeeland; enkele jaren later vertrokken ze naar Haarlem. We verliezen dan een tak van de familie uit het oog, maar spoedig blijkt een zekere Bout zich in Amsterdam te vestigen, waar hij als drukker van "geestelycke liedtboeckens" opduikt. De tijd van de zware straffen voor het drukken van verboden boeken was toen reeds voorbij; de hervorming had in Nederland zijn loop genomen en onder Oranje was men begonnen aan de worsteling om onder het Spaanse juk uit te komen: de tachtigjarige oorlog was begonnen. Een zekere Bout behoorde tot de drukkers die in deze begintijd van de Hervorming de Bijbel vermenigvuldigden. Daar was veel vraag naar van hen die de leeskunst machtig waren. De zestiende-eeuwse drukker Bout wordt dan uit het oog verloren, doch dan komt de naam van een drukker in Vianen te voorschijn, die zich ook Bout noemt. Zal het dezelfde zijn? Het is zeer waarschijnlijk. Vianen was, evenals Culemborg, een vrijstad. Naar die stad waren veel anonieme drukkers getrokken toen hun vanwege de censuur en de inquisitie de grond te warm onder de voeten geworden was in de zuidelijke en noordelijke Nederlanden. Het ligt voor de hand, dat de Amsterdamse Bout met het drukken van geestelijke boekjes en van de Bijbel toch nog moeilijkheden had gekregen met de rooms-katholieke geestelijkheid van Amsterdam en dat hij zijn bedrijfje daarom verplaatst heeft naar Vianen. Later horen we nooit meer over deze drukker; wellicht is het hem in Vianen niet gelukt, drukker te blijven. Het feit dat in die jaren de naam Bout ook voorkomt onder zalmvissers te Vianen, geeft te denken. Van één van deze zalmvissers is bekend, dat hij in het eind van de gouden eeuw naar Muiden verhuisde. Hij zal daar visserij op de Zuiderzee uitgeoefend hebben, nemen wij aan. Later treft men in Huizen wel drie takken van een familie Bout aan. Uit één van die familievertakkingen is de drukker en uitgever Bout voortgekomen.
Omdat er perioden in de familiegeschiedenis zijn, die gehuld blijven in het duister van het verre verleden, is het niet met zekerheid te zeggen, dat Bout een verre voorvader had die reeds Bijbels drukte, – maar het is wel heel aannemelijk.'
In de Gezinsgids troffen we het complete gedicht 'De rijke bedelaar' van Hieronymus van Alphen aan, waarvan i.h.a. slechts enkele regels bekend zijn:
• 'Hieronymus van Alphen kennen wij vooral als kinderdichten In 1778 publiceerde hij zijn Kleine gedigten voor kinderen met gemakkelijk opzegbare gedichtjes als "Jantje zag eens pruimen hangen". Van Alphen had deze versjes gemaakt toen hij na het overlijden van zijn vrouw alleen voor de opvoeding van zijn drie kinderen stond. Zowel Van Alphen als zijn vrouw waren in Utecht, waar hij zich als advokaat gevestigd had, trouwe bezoekers van de godsdienstige gezelschappen. Minder bekend is dat Van Alphen met het oog op die gezelschappen al in 1781 samen met Pieter Leonard van de Kasteele een bundel Proeve van stichtelijke mengel-poëzij publiceerde. Daarmee plaatsten deze dichters zich in de traditie van gezelschapsdichters als Van Lodenstein, Lampe, Schutte en Voet. Een lied uit deze bundel dat vooral door de beginregels erg bekend werd, is De rijke bedelaar. Daarin laat Van Alphen zien dat de geestelijke levensgang van een kind van God als een pelgrimsreis is. Ds. Ledeboer had bewondering voor Van Alphens poëzie. Latere predikanten haalden graag verzen uit zijn gedichten aan, soms door de overlevering iets gewijzigd. Meestal wist men niet dat Van Alphen de dichter was. Daarom krijgt het volledige gedicht op deze pagina een plaats.'
• Roem, wereld! uw schatten!
Gij kunt niet bevatten,
Hoe rijk ik wel ben.
'k Heb alles verloren;
Maar Jezus verkoren,
Wiens rijkdom ik ken.
Nu ben ik de Zijne;
Zijn goed is het mijne;
Dat maakt mij zo rijk;
En zo zal ik blijven,
Als gij met uw schijven
Verzinkt in het slijk.
'k Had, armer dan allen,
In schulden vervallen,
Geen penninkje meer.
Die arremoe griefde
Mijn Schuldheer. O liefde!
Wat geve ik U weer?
Geen recht te verzaken,
Mij schatrijk te maken,
Is de eer van mijn God.
Door niets te betalen
Een kwijtbrief te halen,
Is 't heil van mijn lot.
Mijn rijkdom was boven,
Toen God door beloven
Mijn schuldenaar was;
Eer Jezus op aarde
Een schat mij vergaarde,
Die de armoe genas.
Toen Jezus ten hemel,
Van 't aardse gewemel,
Verwinnende steeg;
Een voor Zijne broedren
De hemelse goedren
In eigendom kreeg.
Toen heb ik ontvangen,
Zou 'k meerder verlangen?
't Geen god had beloofd,
'k Zal 't alles eens erven;
Maar, wijl ik moet zwerven,
Bewaart het mijn Hoofd.
Dies moet ik nu leven
Van 't geen hij wil geven;
En dat is genoeg.
Van alles versteken,
Blijft niets mij ontbreken:
'k Heb meer dan ik vroeg.
'k Mag juichende roemen,
Den rijksten mij noemen;
Wijk, werelds goed, wijk!
Mijn schat is geborgen!
Ik heb niet te zorgen!
'k Ben bedelend rijk!
Bewaart Ge, mijn koning!
Mijn schat in Uw woning...;
'k Moet in de woestijn
Bij rovers verkeren...
Ai! wil me dan leren
Uw bédelaar zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's