Globaal bekeken
In De Schakel (binnenkort gefuseerd met De Gezinsgids) schreef Cornelis Lambregtse twee artikelen over Petrus Datheen, de bekende berijmer van de psalmen, waarvan het rijm 'kreupel' te noemen is. Hij laat Datheen, samen met enkele anderen aan het woord over psalm 104:
'Ik zat in de natuurpsalm 104 te lezen en wat mijn lachspieren gaande maakte waren de laatste twee regels van vers 9. Dit berijmt de verzen 17 en 18 in de Statenvertaling: "Waar de vogelkens nestelen; het huis van de ooievaars zijn de dennebomen. De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen". Laten wij eens zien wat Datheen, Revius, Het Genootschap Laus Deo, Salus Populo (1773) en G. Kamphuis (Liedboek) daar vervolgens van hebben gemaakt.
Datheen:
Daar maken de vogelkens haren nest,
En generen hen (= zich) een ieder om best:
Op de hoge dennen, tot elke jaren,
Nestelen de wijd vliegende ooievaren.
De bergen vol van allerlei gerucht
zijn den geiten en hinden een toevlucht.
In holen, waar de zonne niet kan schijnen;
Behelpen hen (= zich) de hazen en konijnen.
Het zijn deze twee regels die me deden lachen. Je bent haast geneigd een lampje in die donkere holen voor hen aan te brengen.
Revius:
Daer sietmen doen de vogelkens haer best
Om aerdichlijck te maken elck haer nest
Hooch op den top der dennen sich vergaren.
Ter somer-tijt de lichte oyevaren.
Den steen-bock tot de cloven van 't gebercht
Neemt sijn vertreck wanneer hij wert (= wordt) getercht.
In rotsen daer de sonne niet can schijnen
Onthouden haer (= zich) de vluchtige conijnen.
Laus Deo, Salus Populo:
Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof.
En vormt zijn nest uit zijn vergaârden roof;
De dennen zijn, daar z'opgaan als pilaren,
Het steil verblijf der kleppend' ooievaren;
De steenbok springt en klautert, van den to
Des heuvels, tot de kreun der bergen op,
De hoge rots houdt, in verborgen holen,
Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.
En dan G. Kamphuis in Liedboek: de eerste helft van vers 5:
Daar nestlen vogels in de hoge kruin,
bewonen eibers een cypressentuin.
De steenbok klautert op de hoge toppen,
in holen kan de klipdas zich verstoppen.
(...) zo, literair beschouwd, vind ik de mooiste en welluidendste van de vier de weergave van Revius, ondanks de verouderde spelling en taal. Het heeft de onmiskenbare kenmerken van gevoelige en echte poëzie.
Maar Datheen dan? Zoals reeds gezegd, ik ben er mee groot gebracht en werd door zijn verzen het eerst aangesproken. Niet zo zeer verstandelijk, maar geestelijk. Ik heb net gezegd dat ik bij een paar regels heb gelachen, doch dat was de eerste keer. Maar ik heb veel vaker bij het lezen of zingen van bepaalde verzen stille tranen geschreid, omdat Gods Geest ondanks die kreupele woorden en in die kreupele rijm ook mijn ziel aansprak. Ik zou daar verscheidene voorbeelden van kunnen geven, maar laat ik me beperken tot enkele:
Waarom wilt gij u zoo kwellen
En beroerd zijn, o ziel mijn?
Wil gansch uw hoop op God stellen,
Van u zal Hij gedankt zijn,
Als Hij door zijn aanschijn klaar,
Zal wegnemen uw kruis zwaar.
Dies, o God, van mij niet wijket,
Want mijn hart mij gansch bezwijket.
En dan ook nog maar een anders vers in dezelfde psalm (42):
Al de grote waterstroomen
Zijn, Heer, over mij gegaan,
En mij over 't hoofd gekomen;
Maar Gij hebt mij bijgestaan.
's Daags toont Gij mij Uw goedheid;
En 's nachts Uw barmhartigheid;
Dies zal ik U, Heer, belijden;
Gij hoedt mijn ziel t'allen tijden.
Dezer dagen vond ik een boekje 'uit de oude doos', ooit uitgegeven (zonder jaartal) bij J.M. Bredée's boekhandel en uitgeverij te Rotterdam, getiteld 'De dominee en zijn gemeente', een uit het Engels vertaald geschrift van lan Maclaren (zonder vermelding wie dat wel geweest moge zijn). Het volgende laat zien dat er niets nieuws onder de zon is:
• 'Er zijn ook in Engeland pogingen aangewend om het kerkelijk leven werkelijk populair te maken, en in zekere stad, die de schrijver kent, zijn die pogingen in een eigenaardige richting niet geheel mislukt. Een der Kerken schafte zich een nieuwe verzameling nachtmaalschotels aan door de alledaagsche kunstgreep van een danspartij; onderscheidene Gemeenten gaven liefhebberij-tooneelvoorstellingen en een zeer ondernemend lichaam had een eigen schouwburgzaal. Bijbellezingen werden besloten, aan het einde van den cursus, met een souper; met Goeden Vrijdag maakte men landelijke uitstapjes, begeleid door een militair muziekkorps en een belangrijk deel van de inkomsten der Gemeente was afkomstig van gezellige vergaderingen van allerlei aard. Deze bijzondere stad is niets dan een staaltje van den algemeenen geest, langzamerhand opkomend in de Kerk in Engeland. De eene dominee gebruikt een tooverlantaam om kracht bij te zetten aan zijn preek; een anderheeft een kroeg bij de inrichting van zijn Kerk; een derde behandelt het laatste moordenaarsschandaal; een vierde heeft een dienst met zang een zigeuner of een gewezen bokser om de belangstelling in het Evangelie te doen herleven. Als het zoo voortgaat, dan zullen weldra een schouwburg en andere vermakelijkheden aan de Kerk worden toegevoegd, als aantrekkingsmiddel voor de jongelieden en om te voorkomen, dat de oude menschen zich gaan vervelen bij de godsdienstoefening.
Misschien is het door de boosheid van 's menschen natuur, die ons er toe brengt op nieuwe dingen te vitten en te hunkeren naar den goeden ouden tijd – die niet altijd goed was in alle opzichten – maar men is toch niet zeer ingenomen met de nieuwe verschijnselen en in het geheel niet overtuigd, dat het candy-pullstelsel in eenig opzicht een verbetering van het verleden is.
Na een weinig ondervinding van aangename sprekers en spreekvertrekken en soupers met roomijs en landelijke partijtjes, herinnert men zich met vernieuwden eerbied en diepe waardeering den dominee van den vroegeren tijd, met zijn eenvoudige kleeding, zijn waardige houding, zijn gevoel van verantwoordelijkheid, zijn beschaafd voorkomen, en wien men het aanzag, dat hij in stilte leefde in gemeenschap met God, terwijl hij sprak als een overbrenger van een boodschap van den Eeuwige. (...)'
Maar ook het volgende is leerzaam:
'Indien een predikant vervuld is van een hoog Ideaal en een ijzeren wil heeft, dan zal hij zich zelf tot volmaking brengen in spijt van de meest ontmoedigende omstandigheden en ofschoon de lieden vragen om goedkoope knapheid, zal hij volhouden hen te voeden met de krachtigste spijzen. Doch vele verdienstelijke mannen zijn noch bijzonder sterk noch geestelijk en indien hun menschen geen lust hebben in stevig voedsel, dan voldoen zij hen met het armzaligste van alle kunstgrepen – godsdienstige liflafjes. Soms is het een evangelisch praatje, soms maatschappelijke bombast of diepzinnige wartaal, altijd is het een bijproduct van den geest des mans en minder dan waardeloos voor de lidmaten zijner Kerk.
Het dient den dominee duidelijk gemaakt te worden, dat zijn Gemeente verwacht te deelen in de rijpste vruchten zijner kennis en zijn meest zorgvuldige overdenkingen zal op prijs stellen. Wanneer hij bij een of andere gelegenheid zijn toppunt bereikt en een "groote" preek preekt, dan komt het er niet op aan of iedere persoon elk woord heeft begrepen of dat wellicht eenigen maar ongeveer de helft gevat hebben. Men behoort hem te zeggen, dat al de leden der Kerk trotsch op hem zijn en God voor hem danken en dat, indien hij misschien door sommigen niet bijgehouden is, dit niet een gevolg was van duisterheid, maar van verheffing, en dat men blij is een dominee te hebben, die op zulk een hoog peil staat.
Hij moet niet tot hen nederdalen, maar zij moeten trachten tot hem op te klimmen. Het is een onwaardige zaak voor een dominee om de gewone praatjes van de gemeenteleden in een toonbaar kleed te steken, zoodat de mindere man naar huis gaat zich zelf gelukwenschend omdat hij zijn armzalige denkbeelden netjes aangekleed en opgedirkt heeft herkend. Het is profetentaak zijn kudde hemelwaarts te leiden zelfs niettegenstaande de weg soms door de woestijn voert en die kudde behoort te volgen dicht achter den profeet en hem te doen weten, dat zij er zijn en dat zij niet zullen ophouden te volgen, totdat hij hen gebracht heeft midden in het Land van Belofte.
In die omstandigheden zal een man zich verplicht gevoelen de beste boeken te lezen en door te dringen tot het hart van elke zaak; hij zal noch verstandelijken arbeid, noch eenige aandoening der ziel schuwen om te gemoet te komen aan de verwachting van een ernstig, ontwikkeld gehoor en indien hij er ten laatste in slaagt een leider te worden, wiens woorden tot in de verte doorklinken, dan zal aan deze Gemeente de eer daarvan toekomen, die in hem geloofde en groote dingen van hem verwachtte en meer van hem maakte dan hij ooit, in zijn eerzuchtigste oogenblikken, gemeend heeft te zullen bereiken.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's