Om de heiliging van de Naam
De kerk in de wereld
In één aflevering plaatsen we een lezing, gehouden door ondergetekende in verschillende gemeenten over 'Het spreken van de kerk over God'. Aspecten van deze lezing kwamen al eerder in bepaalde artikelen aan de orde. Nu gaat het om een meer samenhangende benadering. Omdat volgende week een serie artikelen van prof. Graafland over zijn boek 'Gereformeerden op zoek naar God' geplaatst zal worden, is het goed vooraf ook nog een keer aan de orde te stellen in welk kader 'Godsverduistering' binnen de kerk aan de orde kwam. Aan dat aspect wordt in bijgaand artikel ook aandacht gegeven.
Terughoudendheid
Het is toch een vanzelfsprekende zaak, dat in de kerk over God gesproken wordt? Hoe zou er een kerk zijn, als God er niet was? Als God Zich niet had geopenbaard, als God niet de sprekende God was door Zijn Woord? De kerk kan toch immers alleen maar spreken, omdat God heeft gesproken en spreekt?
Maar de Schrift leert ons nochtans op vele plaatsen, dat God de Heilige is. Als in Exodus 19 de afkondiging van de Wet wordt beschreven, wordt het volk vermaand zich te heiligen, de klederen te wassen. Er is sprake van vuur, van rook. En de berg, waarop de Heere verscheen, beefde. En als God aan Mozes verschijnt bij het brandende braambos, dan krijgt hij de vermaning de schoenen van de voeten te doen, want de plaats, waar hij staat is heilig. Het is de enige keer, dat in de Schrift over heilig land gesproken wordt. Daar moeten de schoenen van de voeten. Om het Nieuwtestamentisch, in Paulinische zin te zeggen: 'Onze God is een verterend vuur'. Daarom is het, dat de joden de eeuwen door de Naam niet hebben uitgesproken. Ze spraken over de Eeuwige. En als vandaag orthodoxe joden hun brieven schrijven en zij de Naam willen aanduiden, dan spreken ze van G-d. Geen uitgesproken naam, daarvoor is God te heilig.
En toch, God heeft Zich geopenbaard. Hij heeft Zich geopenbaard in Zijn Woord en dat Woord is bovendien vlees geworden. De Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, heeft Hem, dat is God, ons geopenbaard. En daarom mogen we toch, nochtans over Hem spreken, omdat Hij over Zichzelf spreekt en gesproken heeft in Zijn Woord en in Zijn Zoon. Maar we spreken dan wel over een Godswónder. God heeft Zich geopenbáárd, kènbaar gemaakt.
Godsverduistering
Nu heet onze tijd een tijd van Godsverduistering. Met die uitdrukking moeten we voorzichtig zijn, want ook vandaag blijft het zo, dat God Zich hééft geopenbaard.
Hij was het, die aan Jacob Zijn wetten gaf Hij was het, die op de pinksterdag de Heilige Geest uitzond, zelf God zijnde, die de wereld doortrok om de landen te kerstenen.
En Paulus heeft op de Areopagus de voor de Atheners onbekende God verkondigd. Zo is het Evangelie de wereld ingegaan, beginnende bij de wereldsteden, Carthago, Rome, Athene. De culturen werden doorademd methet Evangelie. Zo kunnen we in eigen land ook spreken van de doorwerking van het Evangelie in de cultuur, in alle onderdelen daarvan.
Dr. Ph.J. Hoedemaker heeft eens gezegd, dat mensen volksgewijs tot Christus worden gebracht. Hij bedoelde daarmee te zeggen, dat God méér op het oog heeft dan afzonderlijke mensen. Het gaat Hem ook om volkeren en om culturen. De keerzijde is dat mensen volksgewijs van Christus kunnen worden àf-gebracht!
Zo kunnen we duidelijk constateren, dat in onze cultuur de kunst werd gestempeld door het Evangelie, dus door het geloof in God.
Van de literatuur in het verleden kan hetzelfde worden gezegd. Ook van de wetenschap gold dit. We kunnen zelfs zeggen, dat de natuurwetenschap uitgerekend in het christelijke westen, is ontstaan en niet bijvoorbeeld in de Arabische wereld of in China. De natuurwetenschappers van het eerste uur hebben diep beseft, dat de natuur niet tegenover de mens staat, zoals bij de heidenvolkeren het geval is, zodat men deze gunstig moet stemmen door allerlei rituelen. Nee, de natuur is schepping van God en de mens mag bezig zijn in de werken van Gods handen. Alle dingen zijn onder zijn voeten gelegd. De mens mag erin bezig zijn, àls het maar uitloopt op de eer van Zijn Naam.
We denken aan Psalm 8: 'Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde'.
In een gebed van de befaamde sterrenkundige Kepler, dat bewaard gebleven is, wordt gezegd: 'Gij hebt ons Heere dit genot, deze vreugde in de werken van Uw handen geschonken. Waar wij iets hebben gezegd of gedaan, dat Uwer onwaardig is, vergeef het ons genadig.'
En tóch moeten we vandaag spreken van Godsverduistering, juist ook in de wetenschap. De wetenschap, de natuurwetenschap met name, is in de greep van de secularisatie gekomen. Pascal kon nog zeggen, dat het hart zijn redenen heeft, die voor de rede niet toegankelijk zijn. Thans moeten we zeggen, dat de rede het natuurwetenschappelijke denken beheerst. Prof. dr. G.C. van Niftrik heeft eens gezegd, dat vandaag alleen datgene acceptabel lijkt te zijn, wat de moderne wetenschap constateert. Er is een natuurwetenschap ontstaan los van de Schepper. De natuurwetenschap is om zo te zeggen God-loos geworden. En als we verder bedenken, dat natuurwetenschap en techniek nauw met elkaar samenhangen, dan moeten we ook zeggen, dat de techniek God-loos is geworden. Daarom kunnen we met reden spreken over Godsverduistering in wetenschap en techniek.
In bredere zin
Hetzelfde geldt voor de cultuur in bredere zin. In het verleden werden dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur voor een belangrijk deel ook geïnspireerd door het hoogheilig Evangelie. Ook was er in de kunst in het algemeen een afglans van God, zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Zijn Woord. Daarom hadden de cultuurprodukten ook iets van het fraaie, het verhevene, het harmonieuze. Thans moeten we zeggen, dat ook de cultuur m.b.t. de cultuuruitingen God-loos is geworden. In plaats van fraai, verheven, harmonieus zijn de cultuurprodukten van onze tijd vaak chaotisch, disharmonisch, soms grof en plat. Ooit heeft wijlen H. Algra in de Eerste Kamer gezegd, dat veel wat vandaag voor kunst doorgaat — hij zei dit i.v.m. de subsidiëring van kunst — niet anders is dan het met faecaliën werpen naar het kruis van Christus. Juist ook in de cultuur moeten we zeggen, dat we God er niet tegenkomen. Als zodanig is de uitdrukking Godsverduistering op het geheel van onze cultuur van toepassing.
Hetzelfde geldt ook voor de politiek. In politiek zit 'polis', de stad. Maar die 'polis' was ooit in onze cultuur, die door het Evangelie was gestempeld, vooral de stad van God. Het diepe besef leefde, dat het politieke leven zich voor Gods Aangezicht voltrok. Daarom is er sprake geweest van theocratisch besef.
'Alles moet Hem eren,
want het Woord des Heeren, het richtsnoer van Zijn daân,
is volmaakt rechtvaardig,
al onz' achting waardig,
eeuwig zal het bestaan'.
De wet van God heeft juist ook in het politieke leven in ons land een plaats gehad in de loop van de eeuwen. Vanuit de kerk was er zicht op de staat en vanuit de staat was er zicht op de kerk. Thans moeten we zeggen, dat politiek voornamelijk een sociaal-economisch gebeuren is. In plaats van stad van God te zijn, is politiek veel meer gericht op de stad van de mens.
Mensbeeld
En uiteindelijk moeten we zeggen, dat het mensbeeld van onze tijd van dien aard is, dat grosso modo God daar geen plaats in heeft. De mens is zichzelf tot norm. Hij duldt geen normen of gezag van buiten of van bovenaf. De mens beschikt over eigen leven, is baas in eigen huis, buik, tuin. De mens beschikt zelf over leven of dood. En de wet van God is een storend intermezzo geworden voor de mens op weg naar de stad van de mens.
Het 'ni Dieu, ni maître' van de Franse Revolutie heeft het mensbeeld van onze eeuw, met name van de naoorlogse jaren, stevig in de greep. En daarom is er ook de 'hubris', de overmoed van de mens, die in ongebreidelde vrijheid eigen gang gaat.
Hopelijk is met het bovenstaande duidelijk geworden, dat met God-loosheid, met Godsverduistering bedoeld wordt, dat God niet meer past in het moderne denken. We leven in een tijd van diepgaande secularisatie en ontkerstening. De zonen van de verloren zoon weten niet meer, dat er nog een Vader is. En zo is er een ontwikkeling gekomen naar het nihilisme. Voor steeds meerderen is dit nihilisme een feit geworden.
Dan rest uiteindelijk ook de normloosheid. Er is geen wet meer van de andere zijde, van Eén die gezag heeft.
Zo blijft over het jagen naar vrijheid, die nooit tot echte vrijheid leidt. Het woord van Augustinus is dan van toepassing: 'Onrustig is ons hart, totdat (donec) het rust vindt in U, o God'. Maar er is geen 'totdat' meer. De mens leeft bij het heden, want morgen sterven wij: pluk de dag.
We hebben in onze moderne samenleving dan ook geen gemeenschappelijke beleving meer. Het individualisme, de individualiteit viert hoogtij en intussen is eenzaamheid troef. De eenzaamheid wordt juist bepaald door de massaliteit. Waar mensen massaal samen zijn, kan de eenzaamheid zelfs het diepst worden gevoeld. We zouden het Bijbels zo kunnen zeggen, dat de schare, temidden waarvan Jezus vertoefde, wat anders is dan de massa. In de schare is er gemeenschap, gemeenschap juist met die Ene, die de schare bijeenroept. In de massa is er eenzaamheid.
Godsverduistering en privéleven
Het bovenstaande was nodig om enigszins duidelijk te maken wat we moeten verstaan onder Godsverduistering waarvan heden sprake is. De term zelf is van Martin Buber. Deze heeft gesproken over Gottesfinsternis. Met een eenvoudig beeld gezegd: de maan schuift tussen de zon en de aarde en dan is er sprake van zonsverduistering. Zo heeft de zelfbeschikking van de mens zich tussen de mens en God geplaatst. Dat betekent dan Gottesfinsternis, Godsverduistering. In maatschappij en cultuur is geen plaats meer voor God.
Te onzent heeft prof. dr. H. Berkhof deze term van Martin Buber overgenomen en ook verder uitgewerkt. Er is nog wel godsdienst, maar godsdienst is een privézaak geworden. Berkhof heeft op het eind van zijn aktieve leven de alarmbel geluid. Hij heeft gezegd, dat de kerk zich druk maakt om vele dingen. We zijn bezig met de vragen van de tijd, bijvoorbeeld in het conciliair proces. Maar het zwaartepunt, ook van de kerk, is verlegd van de eeuwigheid naar de tijd. De Godsvraag is niet meer aan de orde, zo heeft hij gezegd.
In het verlengde hiervan heeft het moderamen van de hervormde synode een nota het licht doen zien: Kerkzijn in een tijd van Godsverduistering. Daarover heb ik eerder geschreven. Ik ga daarop niet nader in, maar wil nog even de kerntekst aanhalen, die in dit geschrift wordt genoemd, namelijk 1 Samuel 3: 'Het Woord des Heeren was schaars in die dagen. Er was geen openbaar gezicht'. Welnu, dat moeten we van harte beamen. Ook in onze tijd is het Woord des Heeren schaars in het openbare leven. Er is geen openbaar gezicht meer. In onze cultuur is er inderdaad sprake van een scheiding tussen feiten, namelijk wetenschappelijke, economische en politieke feiten, en waarden. In wetenschap en techniek, op fabriek en kantoor, aan de universiteit en in het zakenleven spelen alleen wetenschappelijke en economische feiten nog een rol. En de waarden? Die zijn uitsluitend bestemd voor het privéleven.
Het zou intussen onjuist zijn om te blijven steken in de analyse van de Godsverduistering. Want – zullen we tóch, nòchtans vanuit de kerk zeggen – er is een uitweg! Een uitweg, die lijkt op het intrappen van een open deur, namelijk luisteren naar het Woord. Samuël zei immers in zijn dagen: 'Spreek Heere, want Uw knecht hoort'. Samuël wist er 'nochtans' van te luisteren naar de stem des Heeren, toen het Woord schaars was. En zo moeten en mogen we vandaag zeggen, dat we een wolk der getuigen rondom ons hebben liggen, in het verleden en naar het heden toe. Zij zijn ons voorgegaan in het horen náár en in het ophoren vàn de stem des Heeren. Zij hebben geluisterd naar Christus, waarachtig God en waarachtig mens.
In Psalm 32 lezen we echter deze schuldbelijdenis: 'Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen de ganse dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte. Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Heere en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.'
Maar het blijft niet bij het zwijgen. Er wordt ook gesproken van vindenstijd. 'Hierom zal u iedere heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken'.
En als deze belijdenis is geschied, gaat het niet meer om verberging van Gods Aangezicht, om Godsverduistering, maar juist om verberging in de diepere zin van het woord. Vers 7: 'God is ons een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding'.
God laat Zich vinden in vindenstijd, ook vandaag, na belijdenis van schuld. En het hart, dat door God werd aangeraakt en de gemeenschap met God heeft ervaren, leert zeggen: 'Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest'. Dan wordt beaamd, dat ook in het oordeel Gods Hand is en dat Gods slaande Hand Zijn uitgestoken Hand is.
Ook vandaag, in een tijd, waarin het Woord schaars is wat betreft het openbaar gezicht, mogen we desondanks spreken van de beleving van God. De Heilige Geest, zegt onze Heidelbergse Catechismus onnavolgbaar, is samen met de Vader en de Zoon Eeuwig God, maar is ook mij gegeven. En daarom zeggen we ook vandaag: 'Spreek Heere, Uw knecht hoort'. Spreken en horen heeft betrekking op een relatie. Ook vandaag is er de relatie tussen mensen en de levende God, ook al moeten we spreken van het feit dat het openbaar gezicht schaars is geworden.
Raadselen inzake het Godsbestuur
De vraag is intussen wèl of door die persoonlijke relatie van mensen met hun God het openbaar gezicht terugkomt. Berkhof bedoelde immers te zeggen, dat Godsverduistering niet betekent, dat God er in het privéleven van de afzonderlijke gelovige niet meer is, maar dat Hij niet wordt ontmoet in het leven van wetenschap en cultuur en op al die andere terreinen, hierboven opgesomd.
Wie zal zeggen, wat de worsteling van één kind Gods voor het Aangezicht des Heeren kan voortbrengen aan nieuwe openbaring van Godswege ook in het geheel van samenleving en cultuur! Maar dat betekent dan wèl, dat we als afzonderlijke christenen midden in dit leven gesteld zijn en bezig zullen zijn met datgene, wat zich in de samenleving en in het geheel van de wereld voltrekt.
De oorlog, het leed, het lijden, de discriminatie en de veelvuldige ellende in de wereld zullen toch ook een bevindelijke plaats hebben in het hart van Gods kinderen! Waarom dit alles? Waarom worden kinderen geboren om enige uren later te sterven? Waarom lijdt meer dan tweederde deel van de mensheid honger? Waarom was er Auschwitz met zijn zes miljoen doden? En waarom leven wij in vrijheid en in welvaart? Onze verdrukking is er niet elke morgen, om het woord van de psalmist — Psalm 73 — aan te halen. Integendeel, wij behoren tot een, samenleving, waarvan geldt, dat deze een kleed van geweld draagt, waardoor ànderen worden (zijn) uitgemergeld en verdrukt. En wij behoren tot een samenleving, die God de rug heeft toegekeerd. Wij hebben er recht op als samenleving om elke morgen onze bestraffing te hebben. Maar ze is er niet elke morgen.
Beleving van die bestraffing kan alleen gebaseerd zijn op de ervaring van de afgrondelijke afstand tussen ons en God. Als zodanig kan Godsverduistering, Godsverberging, ook plaats hebben in het leven van Gods kinderen. En daardoor kan de schreeuw naar God worden gewekt: 'Heere, waar zijt Gij? God, waarom verbergt Gij U?' Dat is de diepste bestraffing, die een mens kan ondervinden. Als hij opstaat, wakker wordt, en hij ontmoet zijn God niet. Maar als samenleving moeten wij zeggen, dat wij, méér dan andere samenlevingen in deze wereld, recht hebben op Gods bestraffing, terwijl we van dag tot dag de weldaden uit Zijn Hand ontvangen. Daarin zit iets raadselachtigs, iets van een geheimenis, waarmee wij niet klaarkomen. Ervaring van dit geheimenis bewaart ons in ieder geval ervoor al te gemakkelijke antwoorden te hebben, als het gaat om de relatie tussen de rijke wereld en de arme derde-wereldlanden.
Oordeel
Misschien moeten wij wel zeggen, dat we juist in de westerse samenleving, waar het Evangelie van Gods genade mens- en maatschappij-beïnvloedend gewerkt heeft, de Godsverduistering als een oordeel hebben te aanvaarden. Dit is óns oordeel en het zou er wel eens het meest ernstige oordeel kunnen zijn, dat er is. Méér dan de bestraffing van hen, die elke dag opstaan zonder hoop. We zullen op een nieuwe wijze moeten leren in Gods heiligdommen in te gaan en op hún en ons einde letten.
Juist in gereformeerde kring zijn wij geneigd en bereid om te zeggen, dat wij Gods recht moeten billijken. En dat we de schuld moeten mijnen. Welnu, dan zullen we moeten mijnen de schuld van de hele wereld. Persoonlijke Godsverduistering wordt zo tot een persoonlijke schuldbelijdenis en loopt uit op de belijdenis van de Hebreeënbrief: 'Het ganse schepsel zucht en is in barensnood'. Het verwacht de wederoprichting aller dingen. We zuchten met de ganse schepping mee en we zeggen heel bevindelijk: 'Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat voor Uw aangezicht de bergen vervloten'.
In dat licht bezien, worden veel Schriftplaatsen zeer transparant, tot op het lijden van deze tijd. En àls God dan de tranen van Zijn kinderen in de fles bewaart (en Hij bewáárt ze), dan bewaart Hij misschien in déze tijd juist de tranen, die gestort worden omtrent het lijden van al diegenen, die van de ene dag in de andere leven moeten, zonder enige hoop te hebben. Er werd vroeger wel gezegd, dat de kinderen Gods de kurken zijn, waarop de samenleving drijft. Ik ben er diep van overtuigd, dat dit niet triomfantelijk werd bedoeld. Maar zouden we vandaag niet déze invulling moeten geven, dat de gebeden, de zuchtingen, de tranen van de kinderen Gods het hart Gods zouden kunnen doen breken vanwege de nood der tijd? Dan zou God tòch Zelf terug kunnen komen in de verbanden van onze samenleving, in de krottenwijken van de wereldsteden, maar ook in onze eigen samenleving. Want God laat Zich verbidden.
Getrouw in de verkondiging
We sluiten af Hoe laat God zich kennen? God laat zich niet kennen uit of in de ervaring uitsluitend.
Ooit heeft ds. Barthold van Ginkel gezegd, dat, als men God wilde ervaren, men moest gaan zitten onder een eik. Dan zou men Hem ervaren in het waaien van de wind. Welnu, niet uitgesloten mag worden geacht, dat mensen, in de natuur zittend, iets ervaren van Gods grootheid in de natuur. Ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt ervan, dat God Zich uit twee bronnen laat kennen, namelijk uit Zijn Woord en uit het boek der Natuur. Maar, we zullen God alleen kennen uit 'het boek der Natuur', wanneer we Hem uit Zijn Woord kennen. Anders komen we tot een bepaalde natuurlijke Godskennis, die geen grond heeft in het Woord.
Maar wat heeft de kerk te doen? De kerk heeft de onbekende God te prediken, zoals Hij zich heeft geopenbáárd. De kerk heeft God te prediken als de gans Andere. Als Diegene, Wiens weg is in de zee en Wiens pad is in diepe wateren. Als Diegene rondom Wiens troon wolken zijn en donkerheid. Zelfs van Jezus moeten we in bepaalde zin zeggen, dat Hij een Verborgene is: een wolk nam Hem weg voor de ogen van degenen, die Hem nastaarden. Als zodanig is Hij in diepere zin de Verborgene. En toch: God en Christus, God ìn Christus, geopenbáárd in het Woord! En we weten uit het Woord, dat Hij zal zijn alles in allen.
De kerk heeft te prediken de verborgen en ook voluit geopenbaarde Christus. Hij is verborgen in die zin, dat een wolk Hem wegnam, maar Hij is geopenbaard in die zin, dat Hij ons in het gewaad van het Woord tegemoet treedt. Dan zien we voor ons de blinkende gestalte, die op de morgen der verrijzenis uit het graf naar voren trad, en de vrouwen en de discipelen ontmoet heeft. En juist Hij heeft gezegd: 'Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien'. Wie Hem ooit gezien heeft in Zijn blinkend witte kleed, uitgetreden uit het graf, die heeft God de Vader gezien. Deze ervaring, want een ervaring is het tòch, doorbreekt de Godsverduistering maar leidt wel telkens tot de bede: 'Och dat Gij de hemelen scheurdet'.
Het woord Godsverduistering moeten we in de kerk toch maar niet te gemakkelijk overnemen. Dan liever: mèns-verduistering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's