De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

Verwerking van zelfmoord
Er wordt de laatste tijd veel aandacht besteed op het pastorale vlak aan wat heet rouwverwerking. Groepen gemeenteleden, die eenzelfde lot delen, komen bij elkaar, kunnen hun verhalen kwijt aan elkaar, vinden een luisterend oor en een begrijpend hart. Rouwverwerking kost tijd. Er moeten soms diepe zeeën van leed doorwaad worden. Wie veel met mensen in leed en verdriet praat, weet ervan, hoe diep het er in een mensenleven soms door kan gaan. Een heel speciaal veld van verdriet komt op mensen af, die in hun directe omgeving te maken krijgen met zelfmoord. Ik weet, dat dit een heel teer onderwerp is voor mensen die het in hun gezin of familie hebben meegemaakt. Maar juist daarom komen mensen na zulk een machteloze daad van een familielid vaak in zo'n grote eenzaamheid terecht. In het 'Centraal Weekblad' van 21 juni 1991 schrijft de huisarts Doeke Post over rouwverwerking na zelfmoord. Hij begint zijn artikel met een verhaal van een man, die na vele pogingen om boven zijn depressies uit te komen, er niet weet uit te komen en voor de trein springt. Bij familieleden blijft schuldbesef achter, maar ook boosheid op hulpverleners, die niet bij machte zijn gebleken, doeltreffend hulp te verlenen. Op deze gevoelens gaat hij in zijn artikel dan als volgt in.

Zelfmoord is in onze maatschappij een daad die allerlei gevoelens van schuld, schaamte en agressie teweegbrengt. Het zal duidelijk zijn, dat de rouwende na een zelfmoord een hele grote moeite zal hebben om weer in evenwicht te komen.
Men heeft veel vragen en die vragen hebben vaak te maken met het zich schuldig voelen. Met name als men een kind door zelfmoord verliest, is de schuldvraag erg groot. Hebben wij iets fout gedaan als ouders? Hebben we hem of haar verwaarloosd?
Sommige ouders komen nooit weer over het verdriet heen. Het beeld, dat men van zichzelf als ouders heeft, is volkomen in duigen gevallen en het duurt jaren, voordat dit zelfbeeld weer enigszins bevredigend herwonnen kan worden. Naast de schuld is er ook een zekere schaamte. Men durft zich in de omgeving niet meer te laten zien. Vaak is het zo, dat de begrafenis in besloten kring plaatsvindt, om maar niet de gezichten van de anderen te hoeven zien. Men heeft een grote mate van gêne.
Ook de agressie is vaak erg groot. Ik sprak al over de agressie tegenover de hulpverlener. Men wil de schuld schuiven naar degene, die de patiënt behandeld heeft. Deze had toch moeten zien aankomen, dat de betrokkene zelfmoord zou gaan plegen? Deze had toch moeten verhinderen, dat het plaatsvond? Het is voor de huisarts, die de agressie over zich heen krijgt, vaak moeilijk om hulp bij het verwerken van het verdriet te geven.

Met name christenen komen veelal vast te zitten in het netwerk van de 'waarom-vragen'. We kunnen misschien begrijpen, wat daarmee bedoeld wordt.

De vraag: waarom
Doeke Post stelt in genoemd artikel deze vragen ook aan de orde. Een kluwen vra­gen, waarop het zo moeilijk, eigenlijk onmogelijk is, een recht antwoord te geven.

Meer nog dan bij een gewoon overlijden, komen de waarom-vragen. Hoe kon het zo gebeuren, dat hij dat ooit heeft kunnen doen? Wanneer hadden we toch nog het kunnen verhinderen? Had God niet kunnen ingrijpen? Waarom laat God zoiets toe? Heeft dit nu iets met de liefde van God te maken?
Men probeert almaar de gebeurtenissen te reconstrueren en ontbrekende schakels te zoeken. Het verhaal moet telkens weer worden verteld om maar die schuldgevoelens kwijt te kunnen en om maar het verdriet van zich af te praten. Uit een onderzoek in Amsterdam onder nabestaanden van mensen die zichzelf van het leven hebben beroofd, bleek dat men contact met een pastor of huisarts erg waardeert, maar dat men ook behoefte heeft aan contact met mensen uit de omgeving. Uit dit onderzoek bleek ook, dat er bij de nabestaanden erg vaak de gedachte opkwam, om ook een eind aan het leven te maken. Het is zinloos geworden en bovendien is zo de schaamte op te lossen.

Gezamenlijke zorg
Terecht stelt Doeke Post in zijn artikel, dat als gemeenteleden zulk verdriet te verwerken krijgen, we hen niet aan hun lot mogen overlaten. Het verdriet na zelfdoding is veelal zo diep en intens, dat mensen dit onmogelijk alleen kunnen dragen.

Een zelfmoord maakt veel indruk. Toen jaren geleden een vriendin van ons zichzelf verhing, zijn we maanden uit het evenwicht geweest. Ze was al een hele tijd somber en we wisten dat ze met zelfmoordplannen rondliep. Ze meende dat haar man en kinderen een betere toekomst tegemoet zouden gaan, als zij er maar niet meer was. Ze voelde zich een belemmering voor de ontplooiing van de anderen in het gezin, toen ze op een gegeven moment de daad bij het woord voegde, waren we verslagen. We hadden het toch eigenlijk niet verwacht en voelden ons zeer schuldig dat we het niet hadden kunnen voorkomen. Het gezin dat overbleef was totaal ontredderd en had veel hulp nodig.
Het is voor omstanders vaak erg moeilijk om die hulp te geven. Men voelt zich niet capabel, weet vaak niet wat men moet zeggen en komt daarom maar niet. Toch is er zo'n grote behoefte aan belangstelling uit de omgeving. Het helpt de achterblijvenden om de realiteit van het verlies te aanvaarden. Men draagt met hen de pijn van het verlies. Juist de achterblijvenden na een zelfdoding hebben een grote moeite met het zich weer aanpassen aan de omgeving zonder de overledene. De echtgenote van de man die ik in het begin van dit artikel beschreef, durfde maandenlang de deur niet uit. Ze was bang dat men naar haar keek en met beschuldigende vinger zou nawijzen.
Rouw na een zelfdoding is intens en heeft in ve­le gevallen nog een veel langere tijd van verwerking nodig, dan na een ander verlies. We dienen ons dit goed te realiseren. Gelukkig komt zelfdoding niet zoveel voor. Als het echter in onze omgeving voorkomt, als het in de gemeente voorkomt, zullen we met elkaar om de nabestaanden, de rouwenden moeten staan, om met hen het verwerkingsproces door te gaan. Samen kan men het beter aan dan alleen.

Moeilijk kan het voor veel mensen intussen zijn, deze aandacht te geven aan een gezin of persoon, die met zelfdoding te maken kreeg. Gevoelens van onmacht kunnen een voorname rol daarbij spelen. Hoe praatje over zoiets pijnlijks en smartelijks met mensen? Zwijgen ze er niet liever over? Kom je niet over als een mens, die de schijn op zich laadt, nieuwsgierig te willen zijn naar eventuele motieven, die tot de aangrijpende daad hebben geleid? Kortom, de aandacht, waartoe Post oproept, veronderstelt wel een goede relatie, open verhoudingen binnen de christelijke gemeente. Die zijn er helaas niet altijd, zodat mensen nog meer in de knel raken. Intussen ligt hier wel een opdracht voor ons.

Wat is: troost?
In samenhang met het bovenstaande komt de vraag op: wat is naar de Schrift de betekenis van troost? In 'Woord en Dienst' van 8 juni 1991 schreef de ziekenhuispredikante van het Academisch Ziekenhuis in Leiden, ds. M.W. van Beinum daarover een artikel onder de titel 'De troost waar Rachel op wacht'. Ze stelt de vraag aan de orde: wat is nu naar de Schriften troost? Is dat zoiets als nabijheid, een arm om je heen, waardoor je er niet helemaal alleen voor staat in je leed? Is je verdriet dan ineens een beetje minder erg? Duidelijk is, dat de bijbel anders over troost spreekt. Rachel weigert zich te laten troosten. Daar komt méér voor kijken dan een arm om je heen.

Je krijgt de indruk, dat in onze dagen de inhoud van het bijbelse begrip 'troost' wat uit het woord is weggelopen en is verschraald tot onvolledige, halve troost. Of heeft het met onze eeuw van secularisatie te maken, met het levensgevoel van deze tijd, waarbij wij het leven zelf in de hand willen nemen en zijn problemen willen oplossen? Wat pijn doet, wordt verdoofd. Wat problematisch is, mag niet bestaan. Wat hard en pijnlijk is, wordt versluierd. Verdriet wordt ingedamd.
Tegen die achtergrond is 'troost' het werk geworden van professionelen, van deskundigen. Van groepen ook, waar men elkaar begrijpt en begrepen wordt. Waar jouw isolement wordt doorbroken. Waar geen dam wordt opgeworpen tegen jouw verdriet door anderen die er bang voor zijn, maar waar je veilig huilen mag, omdat anderen ook, van binnen uit, verdriet kennen. Waar het niet wordt gebagatelliseerd, maar wegen mag in al zijn zwaarte. Een groep als een arm om je heen... Als iemand dat zo meemaakt, dan zijn dat grootse dingen! Maar toch, troost als emotionele nabijheid, als een psychologisch, een tussenmenselijk gebeuren, is dat de troost waar Rachel op wacht?

Het is duidelijk, wat mevr. Van Beinum wil aangeven. Bijbelse troost is veel meer dan alleen maar een gebeuren tussen lotgenoten of mensen, die bereid zijn zich tot deelgenoten van anders leed te maken. Je hebt in onze tijd in elk ziekenhuis bijna een pijnbestrijdingsafdeling, compleet met pijnbehandelende artsen. En in dat kader wordt zelfs in onze geseculariseerde tijd ruimte gecreëerd voor 'beroepstroosters' om zielepijnen te behandelen en zo mogelijk grondig te verdoven. Maar is dat de troost, waar Rachel op zit te wachten?

Als een mens geconfronteerd wordt met een gebeuren, dat hem verplettert, waar hij geen antwoord meer op heeft, dan komt de vraag naar troost op. Als er iemand is overleden. Een been wordt geamputeerd. Iemand zijn werk verliest. Van zijn geliefde wordt gescheiden. Dan duikt dat woord 'troost' op. Troost en onmacht komen blijkbaar tegelijk. De machteloosheid van de persoon zelf. De onmacht van anderen om er iets aan te veranderen. Het is opmerkelijk, hoe vaak er over pastoraat in het ziekenhuis opmerkingen worden gemaakt in de trant van: 'Een troostend woord kunnen ze hier (!) wel gebruiken'. Troost wordt verondersteld òp te beuren, iets weg te nemen van datgene waar we geen raad mee weten. Het suggereert dat leed is op te lossen. Als je maar de juiste hulp hebt, verstandig te werk gaat, de krachten van het leven kent. Beschikt over het juiste inzicht. En wat we zo niet kunnen oplossen, schuiven we weg. Verdriet mag, maar het moet niet te lang duren. We weten een heleboel argumenten: het leven gaat verder, je moet jezelf aanpakken, je hebt toch je kinderen nog. Je bent nog jong. Of de 'troost-prijs': mongooltjes, ze zijn altijd zo lief.
Verdriet kan misschien slijten, maar leed is niet oplosbaar. Het slaat een wond die aan de oppervlakte dichtgroeit, maar daaronder blijft het gevoelig. De plaats blijft leeg, al zet je de stoel weg. Het 'lieve mongooltje' wordt het 'probleem van de bejaarde mongool'. Wie zal er dan voor hem zorgen, van hem houden? Rachel kan zich niet laten troosten. Leed is niet een steen die kan worden opgetild en weggeruimd. Het is er en gaat mee. Het werkt op mensen in en werkt jaren in hen door, verandert hen, duikt soms na jaren weer op, onverwacht. Er is verdriet dat nooit overgaat, leed dat niet op te lossen is. Er zijn dingen waar geen menselijke troost voor bestaat.

Aan het slot van haar artikel geeft mevr. Van Beinum dan aan, waar volgens haar de bijbelse troost uit bestaat. Troosten is geen geestelijke verdoving toedienen via een enkele bijbeltekst of geestelijk lied, ook al kan een Schriftwoord soms mensen opbeuren en het (horen) zingen van een lied hem of haar diep aangrijpen. Er is echter veel meer aan de hand in het bijbels spreken over troost.

Het bijbelse begrip 'troost' heeft niet veel met op-beuren te maken. 'Troosten' heeft in het Oude Testament een element van 'recht doen', 'wraak'. Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten. (Je hoort 'ze' zeggen het is al weer zo lang geleden, je hebt nu wel lang genoeg getreurd.) Maar Rachel zegt door haar weigeren: dit is ònrecht! Haar klacht is een aanklacht tegen de hemel. En Job, volhardend in zijn 'klacht', zegt: 'Ik wil het woord van de Allerhoogste Zelf hierover horen'. En zo ook al die anderen. In hun weigeren zeggen zij: God Zelf zal mijn zaak beslechten, dit is niet ongezien door Hem, dit blijft niet zonder een woord van Hem. Hun weigeren is belijden: dit is niet het laatste, niet alles wat wij hebben te verwachten, er is meer. Hun weigeren is ook bidden: doe mij recht God, judica me, kom mijn geding beslechten.
Waar Rachel op wacht, waar in het Oude Testament naar wordt uitgekeken, wordt in het Nieuwe Testament ingelost: het erbijkomen van God die mijn zaak tot Zijn Zaak maakt. 'Troost' hangt in het Nieuwe Testament samen met het woord 'erbij roepen'. De Trooster, de Parakleet, die erbij geroepen is. Die niet toedekt, maar ontdekt en toedeelt wat hier en nu in het bijzonder nodig is.
God is de enige die troost. Die onze zaak beslecht. Hij plaatst ons leven met alles wat ons daarin overkomt in het verband van Zijn Werk en Hij zal ons dat ook duidelijk maken. Opdat wij onderscheiden, wat bij de voorlaatste en wat bij de laatste dingen hoort. De dood hoort bij het voorlaatste en ook de rampen van de natuur horen bij de voor-laatste dingen die overwonnen zijn. Troosten is het werk van God die mijn leven plaatst in het perspectief van Zijn Rijk.
Als iemand onrecht lijdt, dan mag hij weten dat er uiteindelijk Een is die hem recht zal doen. Iemand die een oneerlijk gevecht voert tegen kanker, mag er op rekenen, dat zijn zaak deel uitmaakt van Gods werk, dat Hij dit leven niet als verliezend ziet, maar recht zal doen.
Troost heeft te maken met dàt perspectief. Onze troost mag voor-lopige troost zijn, dienstbaar aan het erbij-komen van God. Daarom mag onze troost ook 'weigeren te troosten'. Want er zijn dingen, er is onrecht, lijden dat niet toegedekt mag worden met voortijdige, halve troost omwille van Gods heil dat déze mens hier wil bereiken.
Als we durven open laten, dan schuilt er ook in onze voorlopige troost als nabijheid en dergelijke de mogelijkheid, dat er daardoor een opening gemaakt wordt, of open gehouden wordt, waardoor de Troost kan komen. Zalig die treuren, want zij zullen vertroost wòrden.
Ik heb geen woord van troost te bieden. Ik weet alleen wat het Woord dat vlees geworden is en van de Trooster daarbij gekomen. Weet dat Hij ook hier en nu kan komen. Daar wacht ik op voor anderen. Dat is alles.

Inderdaad, wij zijn soms veel te snel met onze overigens goedbedoelde troostwoorden. Het kan echter veel schriftuurlijker zijn, om in leedsituaties te zwijgen dan te spreken. Wij weten immers meer niet dan wel. Juist in omstandigheden van aangrijpend lijden ga je het woord van de apostel verstaan: Wij weten niet wat we bidden zullen gelijk het behoort. Waarachtige troost is geen kwestie van: wij lezen iets aan u voor of wij laten wel een plaat voor u draaien met een mooi geestelijk lied en dan gaat het wel weer. Alleen God zelf kan helpen door er bij te zijn. Soms gebruikt Hij daar dan wel mensen voor, mits ze beschikbaar zijn voor Zijn manier van troosten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's