Globaal bekeken
In een bij De Vuurbaak te Barneveld uitgegeven boekje met columns van de vrijg. geref. predikant ds. C. van der Leest ('Het spreekt niet vanzelf') troffen we het volgende over rouwmuziek:
'Hoe staan gereformeerden tegenover rouwmuziek? Op deze vraag heeft de musicoloog Casper Höweler een beslist antwoord gegeven: "Het is tekenend voor het Protestantisme, dat het de troost van de muziek in uren van rouw afwijst. Naast de talloze Requiem-komposities van Katholieke meesters staat '"Ein Deutsches Requiem'" van Brahms als een merkwaardige uitzondering". Sinds ik meer dan twee decennia geleden deze dubbele bewering in een van Höwelers inspirerende boeken over muziek las, is die me bijgebleven: het stak me dat Höweler dit kon zeggen.
In m'n onwetendheid ging ik ervan uit dat hij met beide uitspraken gelijk had. Wat de tweede uitspraak betreft weet ik intussen dat er meer werken zijn te noemen. Zo heeft Schütz speciaal voor een rouwplechtigheid "Musikalische Exequien" gecomponeerd, terwijl bovendien verschillende cantates van Bach goed bij een begrafenis zouden passen. De totale oogst aan protestantse rouwmuziek blijft ook dan nog uiterst schraal. Maar hoe bemoedigend zijn de bijbelse composities van Schütz (1585-1672), Bach (1685-1750) en Brahms (1833-1897) niet. Qua inhoud krijgt een meelevend christen niets nieuws te horen: de componisten hebben voor het grootste deel met bekende bijbelteksten gewerkt. Maar door de manier waarop die teksten muzikaal vertolkt worden, dringt het troostende ervan zich met grote zeggingskracht op aan de luisteraar. Dit maakt de vraag extra dringend: waarom is het bij deze enkele werken gebleven? Moet ter verklaring hiervan inderdaad op Höwelers eerste uitspraak gewezen worden, dat protestanten afwijzend staan tegenover rouwmuziek?
Jaren terug had ik geen verweer tegenover deze vraagstelling. Toen kon ik alleen maar met spijt constateren dat wij als protestanten op dit gebied blijkbaar arm zijn aan cultuur. Tegenwoordig kan ik het pijnlijke van dit feit voor mezelf verzachten, want door het persoonlijk bijwonen van begrafenissen ben ik tot de ontdekking gekomen: dat protestanten gebrek aan aparte rouwmuziek hebben, is in een bepaald opzicht een bewijs van hun rijkdom. Dit gebrek is namelijk vooral hieruit te verklaren dat zij de gelovige niet als leek zien, maar hem erkennen als Geestelijke, als iemand die dank zij Gods Geest in allerlei opzicht mondig is in de kerk. Als gevolg daarvan hechten protestanten in de kerkdienst aan het zingen van de gewone kerkleden en wijzen ze plaatsvervangend-zingende solisten en koren af. Hiermee gaat samen dat ze gecompliceerde composities laten liggen en zich beperken tot liederen in coupletvorm die meteen voor ieder te zingen zijn. Het is waar, de luthersen zijn hierin nooit zo stringent geweest; dit blijkt alleen al uit de ruimte die zij in de kerkdienst aan cantates hebben geboden. Ook valt toe te geven dat het principe van de zingende gemeente de inschakeling van solisten en koren niet vollédig hoeft uit te sluiten – als zij met hun plaatsvervangende zang maar niet zo overheersen dat ze de kerkleden wegdringen.
Dit alles neemt niet weg: protestanten, en zeker de gereformeerden onder hen, vertrouwen de zang in de kerkdienst voornamelijk toe aan de kerkgangers zelf, met alle beperkingen daarvan voor het repertoir. In de lijn hiervan ligt dat tijdens een rouwsamenkomst het zingen evenmin aan routiniers wordt overgelaten. Naar mijn inschatting heeft vooral deze omstandigheid het veroorzaakt dat protestantse componisten het nagelaten hebben rouwmuziek te vervaardigen: er bestond gewoon geen behoefte aan apart geschreven stukken die bij de eigenlijke begrafenissen dienst konden doen.
Zo is meteen duidelijk waarom Höweler kon beweren dat het protestantisme in uren van rouw de troost van de muziek afwijst: hij is eraan voorbijgegaan hoe reformatorische christenen in de praktijk van alle dag van hun psalmen en gezangen gebruik maken. Door z'n gereformeerde afkomst had hij beter kunnen weten. Toch is het kennelijk onvoldoende tot hem doorgedrongen dat de genoemde christenen muziek terdege een grote plaats geven bij het omgaan met verdriet, zeker in hun rouwsamenkomsten. Hoe kan dat ook anders? Een gelovige als David is ons hierin immers voorgegaan. Oog in oog met zijn onvoorstelbaar lijden heeft ook Christus nog gezongen. En hoe groot was niet de betekenis van het lied in het aangevochten bestaan van mensen als Ambrosius en Luther. Protestanten wijzen rouwmuziek af? Ze zouden de hele oudtestamentische kerk tegen zich krijgen en veel uit de nieuwtestamentische kerkgeschiedenis verloochenen. De waarde van het zingen in tijden van verdriet is te groot dan dat we onze mond kunnen houden: al zingend helpen we onszelf om in de chaos van onze emoties greep te krijgen op de realiteit van Gods vaderschap.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's