Uit de Pers
Over toeëigening gesproken
Wie min of meer nauwlettend de kerkelijke pers volgt, weet dat onlangs de verhouding tussen Christelijk Gereformeerden en Vrijgemaakt-Gereformeerden een forse deuk heeft opgelopen door de befaamde Pniël-preek van ds. J. Westerink, Chr. Gereformeerd predikant in Bunschoten-Spakenburg. Kern van de rel was de problematiek rond de toeëigening van het heil. Nu is dit geschil tussen beide kerken niet nieuw. Ik las in 'De Wekker' van 7 juni 1991 dat er reeds in 1974 door Chr. Gereformeerde deputaten een verklaring werd opgesteld die de besprekingen met de Vrijgemaakt-Gereformeerden zou helpen bevorderen. De synode van de Chr. Geref. Kerken aanvaardde genoemde verklaring als hulpmiddel voor de onderlinge besprekingen. Onderwerp van bespreking was de toeëigening van het heil. Deze verklaring bleek binnen de Chr. Geref. Kerken geen eenstemmig onthaal te vinden, aldus prof. dr. W. van 't Spijker die in 'De Wekker' aan een reeks artikelen over deze thematiek is begonnen en waaruit we deze gegeven hebben gelicht. Gevolg: de besprekingen tussen de beide kerken, waarbij ook de Ned. Gereformeerden betrokken raakten, verlopen uiterst moeizaam. De genoemde preek leek bijna de deuren te sluiten tot elkaar. Is het wel de moeite waard om voor dit geschilpunt kerkelijke verdeeldheid in stand te houden waar zoveel confessionele overeenstemming is? Is de toeëigening van het heil een middelmatige kwestie of betreft het hier één van de hoofdzaken van het geloof? Ik citeer uit het eerste artikel van prof. Van 't Spijker de volgende regels.
En daarmee zal ook de vraag omtrent de toeëigening van het heil van wezensbelang blijven. Immers een gereformeerd belijder zal zich juist daarin van andere christenbelijders onderscheiden, dat hij niet alleen uitspreekt, dat het heil des Heren is, door Christus verworven. Hij zal ook zeggen, dat het tot het heil zelf behoort, dat de Here het ons door zijn eigen Geest laat weten en ons er in doet delen. We zijn geen remonstranten, die zeggen dat het heil er is, en zie maar hoe je er in deelt. Maar we willen, luisterend naar de Schrift belijden, dat het werken en het lopen om het heil te ontvangen evenzeer een zaak is van de ontfermende God: 'Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods', of in de vertaling van het NBG: 'Het hang dus niet daarvan af of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die zich ontfermt' (Rom. 9 : 16), of om het eenvoudig met Luthers vertaling te zeggen: 'Zo ligt het nu niet aan iemands willen of lopen, maar aan Gods erbarmen'. Wordt er niet gewild? Wordt er niet gelopen? De Schrift predikt niet de lijdelijkheid. De wil wordt omgebogen. Het lopen begint. Maar het is alles Gods ontferming.
We hebben in deze kwestie maar niet te doen met een Gereformeerde specialiteit maar met een voluit bijbelse werkelijkheid. Wel gaat het er om, aldus prof. Van 't Spijker dat we onze (gereformeerde) belijdenis op dit punt recht verstaan.
Verwerving en deelachtigmaking
In een volgend artikel ('De Wekker' 14 juni 1991), noemt prof. Van 't Spijker een 3-tal plaatsen in de Heidelberger waar nadrukkelijk van de toeëigening des heils wordt gesproken. Om te beginnen Zondag 17 waar als eerste nut van Christus' opstanding wordt gezegd dat Hij de door Hem verworven gerechtigheid ons als de Levende nu ook deelachtig kan maken. Christus maakt deelachtig. Zo komt Zijn opstandingskracht openbaar. Vervolgens is er Zondag 20 over persoon en arbeid van de Heilige Geest. In deze zondag valt het accent op de activiteit van de Heilige Geest die door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt. Hier is het dus de Geest die deelachtig maakt. Tenslotte is er dan Zondag 23 waarin zuiver reformatorisch aan het geloof in Christus een centrale rol wordt toebedeeld als het gaat om de toeëigening van het heil. Ik kan niet anders dan alleen door het geloof Christus' gerechtigheid aannemen en mij toeëigenen (antw. 61). Prof. Van 't Spijker rondt dan deze leerzame opsomming van dit drieërlei gezichtspunt o.a. met deze woorden af:
Zo zijn er drie, die ons toeëigenen: Christus maakt deelachtig wat Hij verworven heeft. De Geest maakt mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig. En ik zelf kan mij het heil alleen deelachtig maken door het geloof. Maar deze drie aspecten mogen nimmer van elkaar losgemaakt worden. Het werk van Christus en dat van de Geest zijn op elkaar betrokken. En beider activiteit treedt aan het licht in mijn eigen toeëigenende daad, die ik in het geloof verricht: het aannemen van de weldaden van Christus. En dit aannemen van zijn weldaden kan nimmer geschieden los van het aannemen van Hem zelf. Zo velen Hem aangenomen hebben, die heeft hij macht gegeven om kinderen van God genaamd te worden. Christus. De Geest. Het geloof. Zij zijn alle drie op hun eigen manier subject in het 'onderwerpelijke werk' dat onderscheiden moet bijven van de verwerving van het heil, en dat er nochtans zo nauw mee verbonden is en blijft.
Werk van Christus en de Geest
Prof. Van 't Spijker wijst er in een derde artikel op ('De Wekker' van 21 juni 1991) dat we niet mogen vergeten dat het in de toeëigening van het heil vooral om het werk van Christus gaat en pas dan om de arbeid van de Geest. Daarom hebben onze vaderen, aldus Van 't Spijker, in hun strijd met de Remonstranten de belijdenis van Christus en Zijn werk centraal gesteld. Wie geen oog heeft voor de directe samenhang tussen de verwerving en de toeëigening van het heil, zal bemerken dat juist dan het remonstrantisme op de loer ligt.
Onze vaderen hebben de verwerving en de toeëigening op elkaar betrokken. En daarin wordt duidelijk, dat het heil dat toegepast wordt, door de toeëigenende daad van de Geest, door Christus verworven is. Het is geen ander heil. Het is hetzelfde heil. En wat wij ontvangen is verworven heil.
Men kan niet zeggen, dat de toepassing in mindering komt op de verwerving. Ze behoren bij elkaar. De Remonstranten waren van oordeel, dat Christus de zaligheid had verworven en dat het nu een zaak van de mens was om die zaligheid werkelijk in handen te krijgen. Dordt heeft gezegd, dat verwerving en toepassing bij elkaar behoren en niet van elkaar losgemaakt mogen worden. Wij spreken niet over een ander heil, maar over hetzelfde als waarvan Christus heeft gezegd: het is volbracht. De toepassing is geen aanvulling, geen complement van de verwerving. En wie werkelijk het heil in eigendom ontvangt zal bemerken, dat hij het als een gave van het volkomen volbrachte werk mag genieten, dat Christus voor ons heeft verworven.
Wat wij meemaken in de toeëigening behoort niet bij de verwerving. Daaruit volgt, dat het werk van de Geest geen aanvulling betekent van het werk van Christus.
Geen scheiding doch wel onderscheiding tussen verwerving en toeëigening.
Is er verschil tussen het werk van Christus en het werk van de Geest? Inderdaad, dat verschil is er. Hoewel het nimmer tegenover elkaar gezet kan worden (de Geest is immers de Geest van Christus, die Hem verheerlijkt in ons eigen leven) het werk van Christus is wel te onderscheiden van het werk van de Geest.
Christus heeft het werk volbracht. De Geest is bezig om het in ons leven tot een werkelijkheid te maken. En daarbij is Zijn methode anders. Het werk van Christus is een werk voor ons. Het werk van de Geest is een werk aan en in ons. Wat Christus verwierf staat geheel en al buiten ons. Zijn werk is volbracht. Maar de Geest volbrengt Zijn werk aan ons en in ons. De geschiedenis van het heil ligt zodoende niet slechts buiten ons, maar zij voltrekt zich ook in ons eigen leven. Als een werkelijkheid van de genade en barmhartigheid, die Christus aan het kruis heeft verworven.
Bij de verwerving van het heil staat de mens geheel en al buiten spel. Doch bij de toeëigening wordt de mens ingeschakeld. Het wonder van de wedergeboorte houdt immers in dat wie eerst niet wilde gewillig wordt gemaakt. Prof. Van Ruler placht het soms heel kras zo te zeggen: de bruid wordt door Christus niet verkracht maar ten huwelijk gevraagd. Ze moet zelf 'ja' zeggen. Hij bedoelde: ze doet dat waar de Geest ons daartoe gewillig heeft gemaakt. Maar niet de Geest zegt 'ja'. Dat leren we zelf zeggen.
Daarom vindt men over de toeëigening ook op zo verschillende manier gesproken. Christus eigent ons toe. De Geest eigent ons toe. En de gelovige eigent zichzelf toe. Dit laatste is de meest geestelijke werkzaamheid die er is. Zij verschilt in wezen van die van Christus en van die van de Geest. Christus deed Zijn werk voor ons. De Geest doet Zijn werk in ons. De gelovige doet door de opstandingskracht van Christus en door de wederbarende kracht van de Geest zijn eigen werk, namelijk dat van het geloof: dat is het werk Gods, dat gij gelooft! Er is nog een kant van de zaak, die we niet vergeten. Het werk van Christus in de vergeving en dat van de Geest in de toeëigening, verhouden zich tot elkaar als de rechtvaardiging tot de heiliging. Een groot gevaar van een al te eenzijdige nadruk op de toeëigening des heils is, dat we de rechtvaardiging kwijt raken en dat we alleen nog maar spreken over de wedergeboorte of over de heiliging. Daar zou het eigenlijke werk gebeuren. De noodzaak van de wedergeboorte moet gepredikt worden. Niemand zal het ontkennen. Maar er valt over wedergeboorte geen woord te zeggen wanneer we niet kennen de kracht van de rechtvaardiging door het geloof. De hele zaak wordt scheef getrokken, wanneer we die twee losmaken van elkaar. Maar de hele zaak komt ook in een verkeerd licht te staan, wanneer de heiliging van het leven vergeten wordt. De Geest kweekt geen Remonstranten. Maar nog minder schept Hij lijdelijkheid. De verwerving van het heil is, geschied. De heiliging van het leven roept de gelovigen tot een geestelijke werkzaamheid, die op een wonderlijke manier het 'buiten ons' verbindt met het 'in ons'. Goed op elkaar betrokken en eveneens goed van elkaar onderscheiden, ter vermijding van remonstrantse werkheiligheid en antinomiaanse lijdelijkheid.
Het bijbelse spoor is immer een smal spoor. Waar Geesteswerk ontbreekt, ontsporen we heel licht. Of het remonstrantse spoor wordt onbedoeld gekozen. Of een lijdelijk pad wordt gegaan. Op het eerste spoor krijg je ook uit veel preken onder ons het gevoel: Jezus deed zoveel voor u, nu moet u als tegenprestatie toch echt in Hem geloven. Op het andere spoor, dat van de dodelijke lijdelijkheid, komen de hoorders veelal geen stap vooruit en blijven steken in een onmachtstheorie zonder zicht op de herscheppende kracht van de Geest.
Een legitiem kerkscheidende kwestie
We dienen te beseffen dat de in het geding zijnde kwestie niet maar een specialiteit van genoemde kerken is. Ook onder ons spelen dezelfde vragen. Prof. Graafland geeft dat terecht aan in de rubriek Reflexen in het juni-nummer van Theologia Reformata (blz. 174). Om zo te zeggen een 'hot item' binnen de gereformeerde gezindte. Rond deze thematiek spelen heel veel vragen die uiteindelijk kerkscheidend blijken te zijn. Prof. Graafland stelt de vraag aan de orde wat daar nu ten diepste achter steekt.
Een mogelijkheid is om de traditie te raadplegen. Is deze onderlinge tweespalt rondom de geloofsbeleving ook vroeger al eens voorgekomen? Ik zou twee momenten kunnen noemen, waarvan ik denk, dat ze er in ieder geval op lijken. Ik denk aan de controverse tussen de Voetianen en de Coccejanen in de 17e eeuw. De Voetianen waren de practisch-bevindelijke predikers en gelovigen. De Coccejanen waren meer voorwerpelijk-verbondsmatig en heilshistorisch gericht. En in hun levenswandel waren zij wat meer cultureel, eigentijds en ruimer georiënteerd. De controverse is heel hoog gelopen. Het was toen nog niet de gewoonte om bij conflicten een afscheiding te organiseren, maar als dat wel het geval geweest was, zou dat zeker gebeurd zijn.
Als de parallel juist is, zou het dus niet helemaal nieuw zijn, wat er nu gebeurt. Het merkwaardige echter is, dat later in de achttiende eeuw die controverse voor een deel is opgelost. Voor een deel, zeg ik. Want de radicale Coccejanen werden steeds geestelozer en pasten zich aan bij de denk- en leeftrant van de Verlichting. Maar de andere stroming groeide langzaam maar zeker naar de Voetianen toe, en zij konden later elkaar goed vinden, juist ook op het punt van de geloofservaring. Ik weet niet, of ik uit deze geschiedenis een les mag trekken. Als ik het mag doen, zou het deze zijn: waar het echte (Gereformeerde) geloof gevonden wordt, komt toch op de duur de onderlinge existentiële herkenning van het ene geloof voor de dag. Als we maar elkaar blijven zoeken, in oprechtheid, eerlijkheid en liefde elkaar blijven ondervragen. En als de tijd gaat dringen, zoals ze in de 18e eeuw ging dringen, toen de geest van de Verlichting steeds meer de kerk ging overheersen, dan kan dat ook een stimulans zijn om intensiever elkaar te zoeken. Als de Heilige Geest werkelijk aan het werk is, moet die herkenning er toch komen. Maar er moeten soms nogal wat hinderlijke bijkomstigheden eerst uit de weg worden geruimd. En dat is altijd een moeizaam karwei. Nu denk ik ook nog aan een tweede moment in onze traditie. Wij zijn nogal verguld met onze Nadere Reformatie. Maar we vergeten wel eens, of we weten het zelfs niet eens, dat niet iedere orthodoxe Gereformeerde zich bij de stroming van de Nadere Reformatie aansloot. Gomarus was b.v. zo iemand. Een man van onverdacht gereformeerd belijden, en toch geen man van de Nadere Reformatie. Blijkbaar kon dit lijden, ook al waren er wel eens spanningen onderling, zoals tussen Maresius en Voetius. Zou dit traditie-gegeven ons vandaag ertoe kunnen brengen om te erkennen, dat iedere gereformeerde christen nog geen bevindelijk christen hoeft te zijn, om toch een waar (gereformeerd) christen te zijn? Ik stel het als een vraag, een antwoord waag ik momenteel niet te geven. Maar de vraag zelf al stellen, lijkt me de moeite waard. Vooral om ermee in te keren in ons eigen bevindelijk hart.
Je kunt zeggen dat buiten de bedoeling van ds. Westerink om genoemde Pniël-preek in de publiciteit is terecht gekomen en zo deze thematiek opnieuw op de agenda is gezet. Het kan de duidelijkheid alleen maar ten goede komen. Wel blijft de vraag bestaan: is de kwestie die hier in het geding is confessioneel gesproken van zulk een groot gewicht dat daarom gescheiden optrekken van twee gereformeerde kerken wettig is? De vraag waar prof. Graafland mee eindigt, is de moeite waard. Ze is tevens ook voor onze eigen kring van belang. Opdat we elkaar meer zouden verstaan en zoeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's