De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het priesterlijke in de dienst van de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het priesterlijke in de dienst van de kerk

9 minuten leestijd

Als in het Apostolicum het geloof in de ene, heilige, algemene, christelijke kerk beleden is, dan vòlgt daarop het geloof in de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleses en het eeuwige leven. Welke troost geeft u de opstanding van het vlees en het eeuwige leven?, vraagt in dat verband de Heidelberger.
De kerk is dan ook geroepen tot priesterlijke dienst. Ze geeft gestalte aan haar roeping door het drievoudig ambt van Christus te weerspiegelen, het profetische, het koninklijke maar ook het priesterlijke. Mij dunkt, dat we het gevaar lopen aan het priesterlijke karakter van de kerk te kort te doen door een eenzijdig sterke accentuering op het profetische. Daarom wil ik in dit verband aandacht vragen voor de priesterlijke taak van de kerk. De kerk zou zonder haar priesterlijke taak immers geen kerk zijn.

Profetie
Over het profetisch karakter van de kerk wordt — links en rechts — druk gediscussieerd. Nu heeft verkondiging op zìch alles met profetie te maken. We hebben het profetische Woord, dat zeer vast is. Mensen moeten worden opgewekt daarop acht te geven als op een licht schijnend in een duistere plaats. Het is derhalve de roeping van de kerk om de zonden in de gemeente en onder het volk concreet aan te wijzen en profetisch te ontmaskeren. Dat geldt zowel het individuele leven als het leven in de samenleving. Zo hebben de profeten onder het volk gestaan. Ze hebben de volkszonden genoemd. Ze hebben de ongerechtigheid concreet geduid. Ze hebben het volk opgeroepen te treden in het spoor van Gods geboden, waaraan de belofte van zegen is verbonden. Zo geeft de kerk leiding en richting.
Welnu, die profetische taak heeft de kerk ook vandaag. Ze heeft die taak in navolging van de hoogste Profeet en Leraar, die de tafels van de wisselaren in de tempel omkeerde, die de farizeeën ervan beschuldigde van buiten witgepleisterde graven te zijn maar van binnen vol bedrog en venijn. Ze heeft die taak binnen de gemeente en ten overstaan van volk en overheid.

Priesterlijk
Maar, als gezegd, de profetische taak van de kerk mag de priesterlijke dienst niet naar achteren dringen. Als alleen het profetische functioneert en het priesterlijke niet, dan worden de schapen niet geweid en gevoed. Dan gaat het beeld van de schaapskooi teloor. Dan verdwijnt in feite de Goede Herder achter de Horizon; de Goede Herder die Zijn leven gaf voor de schapen, die het verlorene en het weggedrevene zoekt (het éne afgedwaalde schaap ook), die de schapen voedt en weidt.
In de Schrift zelf wordt priesterlijke nalatigheid (N. B.!) profetisch ontmaskerd. In Ezechiël 34 worden namelijk de ontrouwe herders van Gods volk profetisch tot de orde geroepen: 'mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere Heere: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Zullen niet de herders de schapen weiden?'
Wat doen de gewraakte herders dan verkeerd? Ze eten het vette der aarde, kleden zich goed, eten het beste van het beste. Maar de schapen weiden? Nee, dat niet. Ze zijn herder ten kòste van de schapen. Ze sterken de zwakken niet, de gebrokenen helen ze niet, de afgedwaalden brengen ze niet terug. Ze héérsen zelfs over de schapen 'met strengheid en met hardheid'. Op die wijze — zegt Ezechiël — worden de schapen verstrooid, omdat er geen herder is.
Maar de grote Herder — Ik, in het betreffende hoofdstuk — zal de schapen van de hand van de herders eisen. De Heere Zèlf zal de schapen uit de hand van de ontrouwe herders rukken. De grote Herder zal Zèlf naar Zijn schapen vragen en hen opzoeken. Hij zal het verlorene zoeken, het weggedoolde terugbrengen en het gebrokene verbinden. En de herders zelf worden geoordeeld.
Het hoofdstuk loopt tenslotte uit op de belofte aangaande dè Herder, die God Zèlf verwekken zal. Die zal Zijn volk weiden en tot een Herder zijn. Het verbond des vredes krijgt in die grote Herder gestalte (vs. 25).

Concreet
Op zich kan een dergelijk Schriftgedeelte simpelweg en oppervlakkig worden geactualiseerd. Zijn er ook niet vandaag 'herders', die falen als het gaat om hun pastorale verantwoordelijkheid?
Komt het ook vandaag niet voor, dat herders zich verrijken aan de gemeente.
Komt de ik-gerichtheid, het zichzelf-weiden (vs. 3) ook niet vandaag her en der aan het licht? Arglistig is het hart van een mens. Er is zelfs geen groter gevaar binnen de kerk dan dat diegenen, die in de wijngaard, op welke plaats dan ook, dienen en arbeiden mogen, op zichzèlf, op éígen eer en glorie gericht zijn. Hoeveel verwerpelijke concurrentiezucht is er ook niet in de kerk. 'Wij prediken niet onszelf', zegt Paulus intussen.
Een kernnotie is evenwel in het betreffende Schriftgedeelte het 'heersen over de schapen met gestrengheid en hardheid'. Hier mag dan ook de vraag gesteld worden of het priesterlijke ambt van Christus voldoende in de verkondiging tot z'n recht komt. Wanneer b.v. al maar de gesel van de wet over de gemeente gaat (gij zùlt en gij zult níét), hetzij de wet van de activistische drijver, hetzij de wet van de moralistische heerser, terwijl de prediking niet lokkend en nodigend meetrekt naar de bronnen, waar water te drinken is voor een dorstige ziel, dan blijven ten diepste hardheid en gestrengheid over.
Mij bekruipt soms de vrees, dat we in onze tijd her en der — of hier en daar? — onder een nieuw juk doorgaan, een juk van 'raak niet en smaak niet en roer niet aan', terwijl de staf liefelijkheid niet altijd aanwezig is. Of, om het anders te zeggen, terwijl de weldaden van het 'verbond des vredes' onvoldoende aan de orde komen.

Vergeving
Misschien is het het beste één en ander toe te spitsen op het punt van de vergeving der zonden. In de prediking van de vergeving van zonde en schuld treedt op het hoogst het priesterlijke van de dienst van Christus aan de zijnen aan het licht. In die opdracht werden de apostelen dan ook gesteld.
Johannes predikte al de doop der bekering 'tot vergeving der zonden'. En Zacharias zong al van de kennis der zaligheid 'in de vergeving der zonden'.
Maar juist het boek Handelingen, het zendingsboek van de gemeente, spreekt bij uitstek over de prediking van de schuldvergeving. Petrus proclameert Christus — de Herder uit Ezechiël 34 — als de Vorst en Zaligmaker 'om Israël te geven bekering en vergeving der zonden'. (Hand. 5 : 31).
Op de eerste Pinksterdag had Petrus ook al opgeroepen tot bekering en genodigd tot de doop in de Naam van Christus 'tot vergeving der zonden'.
En — om nog slechts één voorbeeld te noemen — in Handelingen 13 : 39 zegt Paulus, dat 'door Deze u vergeving der zonden verkondigd wordt'.
Na Zijn Opstanding herinnert de verrezen Zaligmaker Zelf Zijn jongeren eraan, dat Hij moest lijden en van de doden opstaan en dat in Zijn Naam gepredikt zou worden 'bekering en vergeving der zonden, onder alle volkeren, beginnende van Jeruzalem' (Luc. 24 : 47).


Christus is niet in de wereld gekomen als moraalprediker. Hij heeft Zijn léven gegeven, geofferd tot een losprijs voor velen. Dat moet worden uitgezegd in de wereld. Daarom moet de proclamatie van geloof en bekering, met de belofte van vergeving der zonden geschieden. Zijn werk wil geloofd worden. Hij is Hogepriester, Middelaar, Verzoener. En daarom staat de kerk ook in een hoge, priesterlijke dienst, omwille van de Hogepriester van het betere verbond.

Losgekoppeld
Helaas komt de vergeving der zonden soms maar spaarzamelijk aan de orde in de prediking. Er wordt wel opgeroepen tot bekering. Maar bekering blijft dan vaak een onomschreven begrip. In de Heidelberger is bekering afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens. Opstanding van de nieuwe mens heet daar dan met zoveel woorden 'een hartelijke vreugde in God door Christus'. En in de Schriften zelf is bekering nauw verbonden met vergeving der zonden. Wanneer nu de vergeving der zonden — onlosmakelijk verbonden met de bekering, en omgekéérd — niet voluit wordt verkondigd, is het gevaar levensgroot aanwezig, dat hardheid en gestrengheid gaan heersen. De gemeente verstaat niet meer wat de (vrucht) van de bekering is. Bekering kan ook een onbereikbaar ideaal worden, weggelegd voor enkelen. Het bevrijdende van de schuldvergeving komt niet meer aan de orde en wordt niet meer verstaan. Eén stap verder en de oproep tot bekering is geen òproep meer maar een wettisch vermáán, zonder bevrijdend uitzicht.
Het zou wel eens kunnen zijn, dat prediking daarom soms zuchtend — naar mensen soms zeggen — wordt ondergaan in de gemeente, omdat de vergeving der zonde niet meer frank en vrij wordt uitgezegd, in het slechtste geval zelf wettisch wordt ontkracht.

Troost
Het priesterlijke in de bediening van de kerk heeft alles te maken met troost. Met opzoekende zondaarsliefde, met helende woorden, met olie, gegoten in de wonden van een schuldverslagen mensenhart. Al te lichtvaardig kan 'troost' ook achterwege blijven uit vrees 'te pleisteren met loze kalk'. Maar in de priesterlijke bediening gáát het nochtans ook om het bieden van uitzicht en troost. Arme bediening, als nooit zielen tot Christus zijn en worden geleid.
Het priesterlijke in de dienst der kerk komt niet alléén — hoewel óók — tot uitdrukking dáárin, dat in de heggen en de steggen de verlorenen worden opgezocht, maar óók (en allereerst) hierin, dat de schapen worden gevoed en geweid. Dat voeden en weiden komt toch ten diepste daarin tot uitdrukking, dat in Zijn Naam worden gepredikt bekering en vergeving van zonden!
Wat dit laatste betreft, vergeving der zonden is ook vergeving van heel concréte zonden. Niet alleen wordt vergeving van dè zonde gepredikt (zeker niet als een stand van zaken, een soort generaal pardon of een stadium in het geestelijk leven). Mensen, die concrete zwarte bladzijden hebben in hun leven, blijven vaak met hun schuld rondtobben, omdat zondenvergeving niet met name wordt geduid. De zonde mag bij de naam worden genoemd maar de vergeving ook. Jezus kon heel concreet tot zondaren en zondaressen zeggen: uw zonden zijn u vergeven, waarbij dan ook heel concrete zonden waren bedoeld. Vergeving betreft niet alleen de zonde maar ook de zonden.


Prediking is ook priesterlijke bediening, nodiging en lokking tot het heil, het geven van water aan een dorstige ziel, van brood aan een hongerig hart. Dat maakt ten diepste het bevindelijke van de prediking uit.
Bevinding zonder leven uit de borgtochtelijke arbeid van Christus is geen bevinding. Herders zijn, als het goed is, dan ook priesters. Zo niet, dan regeren hardheid en strengheid. Dat valt wel onder het profetische oordeel van de Schriften. Herders, die zich (louter) als profeten opwerpen, kunnen zo zelf onder het profetische oordeel vallen.
'Maar gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide! Gij zijt mensen; maar Ik ben Uw God, spreekt de Heere HEERE.' (Ez. 34 : 31).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het priesterlijke in de dienst van de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's