De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

De andere kant van Calvijn
In het Magazine 'Kerk' van 19 juli 1991 stond een interessant gesprek te lezen met dr. J. van Eck, legerpredikant te Ede over 'De keerzijde van de koude, kille Calvijn'. Aanleiding tot dit gesprek vormt het onlangs bij uitg. Balans verschenen portret van Calvijn, geschreven door de Amerikaanse historicus van de Berkeley Universiteit onder de titel 'Johannes Calvijn; de man en zijn tijd'. In deze studie komt een veel genuanceerder beeld van Calvijn naar voren, dan meestal leeft, vooral bij hen, die Calvijn slechts van naam kennen. Calvijn zou dan koud en kil zijn, hard en een systeemdenker, een ketterjager en ketterverbrander. Dr. Van Eck geeft op grond van eigen lectuur van Calvijns geschriften, mede naar aanleiding van de genoemde studie van prof. Bouwsma, de nodige wijzigingen in dit Calvijnbeeld. Je komt in Calvijns werken soms een pleidooi tegen voor het menselijke gevoel, aldus dr. Van Eek. In zijn tijd wilde men de mensen al heel snel tot een vorm van berusting in het lot brengen. 'Gevoelens zouden de volledige overgave aan God in de weg staan'. Ook voor het genieten van Gods gaven kwam Calvijn op. We mogen de goederen van Gods schepping niet alleen maar gebruiken, doch er evenzeer van genieten. Dat geldt evenzeer van het genieten van de seksualiteit.

'Calvijn heeft ook het seksueel genieten een eigen plaats gegeven, los van de voortplanting. Hij heeft het denken van Thomas van Aquino — die seksualiteit ondergeschikt maakte aan de voortplanting — doorbroken. Waarschijnlijk is Calvijn hierin Luther voor geweest. In het denken over seksualiteit is Calvijn zijn tijd ver vooruit geweest. In het seksuele zijn man en vrouw volledig gelijkwaardig. Daar legt Calvijn de nadruk op, met een beroep op 1 Korinthiërs 7. Steeds gaat hij terug op de Heilige Schrift, die hem in veel gevallen aan het denken heeft gezet. Hij zegt wel, dat de man de leiding heeft en dat de vrouw volgt. Maar hij voegt er meteen aan toe, dat het hier alleen gaat om alledaagse besluitvorming. In het seksuele is er volledige gelijkheid en mag de een nooit iets doen zonder goedvinden van de ander. Je moet met het lichaam van de ander omgaan, zoals je ook met je eigen lichaam omgaat. Dan koester je de ander, doe je geen pijn en doe je geen dingen, waar de ander niets voor voelt. Dat was ook toen al opzienbarend.'

Gelijkwaardigheid man en vrouw
Dr. Van Eck geeft vervolgens aan, hoe dit Calvijnse denken invloed kreeg in de kerken, voortgekomen uit het denken van Calvijn tot in de kunstuitingen toe.

'Dit denken is wel integraal overgenomen door de kerken van de gereformeerde traditie. Je ziet dat aan de portretkunst van de zeventiende eeuw, vooral de huwelijksportretten. Daar straalt de gelijkwaardigheid van af: man en vrouw zijn even groot, ze zitten tegenover elkaar en niet in een houding van onderdanigheid. Die stijl is eigen aan het calvinisme: ze heeft in heel Europa in veel confessies doorgewerkt. Calvijn is een vootrekker geweest door heel nauwkeurig naar de Schrift te luisteren.
Het beeld, dat ik nu schets, is heel anders dan de clichés, die er over het calvinisme bestaan. Calvinisme staat voor cultuurloos, bekrompen, benepen en angstig. Terwijl juist de benepen visies op seksualiteit komen van lieden als Rousseau: terug naar de zuiverheid en naar de onschuld van het kind, dat niet door seksuele gevoelens bevlekt mocht worden.'

Vanwaar al die cliche/s?
'Ik denk dat het puritanisme met z'n ascetische levenshouding, dat in de zeventiende eeuw uit Engeland overgewaaid is, het beeld van Calvijn beïnvloed heeft. Maar ik weet niet exact, waar het huidige beeld van Calvijn vandaan komt. In ieder geval niet uit het Nederland van de zeventiende eeuw. Toen is er prachtige liefdespoëzie geschreven, waarin het lichaam aan zijn trekken komt. In de negentiende eeuw trok Busken Huet fel van leer tegen het calvinisme. Hij was een aanhanger van de moderne richting, die later helemaal brak met het christendom. In Het land van Rembrandt maakt hij geloof ik geen enkele leuke opmerking over het calvinisme, 't Is een heel aardig boek, maar zodra hij over godsdienst gaat schrijven, wordt hij ontzettend zuur. Dan krijg je al het beeld van de calvinist als een benepen en onverdraagzaam mens.'

Wat hier staat over de Calvijn-clichés, is inderdaad opmerkelijk en tegelijk irritant. Als iets ook maar enigszins ingaat tegen de huidige moraal, of anders is dan het denken en gevoelen van de doorsnee-Nederlander, dan wordt het etiket 'calvinistisch' uit de kast gehaald. Het zou de moeite waard zijn, dat eens onderzocht werd, hoe dat Calvijnbeeld, dat image van het calvinisme onder ons volk is ontstaan. Maar dat het in de meeste gevallen op een louter vooroordeel berust, zonder enige inhoudelijke kennis van de man zelf en zijn denken, staat vast.

Liturgie
Bouwsma, aldus het gesprek in 'Kerk', laat in zijn biografie van Calvijn zien, hoe er in Calvijn enerzijds sprake is van de scholasticus, de systeemdenker, maar anderzijds ook, hoe Calvijn als orator aan gevoelens vrij baan wilde geven. Daarop reageert dr. Van Eck:

'Ik denk dat de orator sterker is: Calvijn dacht niet alleen, hij voelde ook. Maar de scholasten na Calvijn hebben voldoende stof gevonden om ook een scholastisch systeem op te zetten.'
Maar de orde van de calvinistische eredienst is sober en bijna onschendbaar.

'Calvijn heeft in Straatsburg voor het eerst psalmgezang gehoord. Dat ging door z'n hele ziel heen. Het maakte tranen bij hem los. Dat wilde hij ook in Genève hebben. Ook daar moesten de mensen met hun hele gevoel op de psalmen kunnen antwoorden. Calvijn wilde emotie in de liturgie hebben.
Hij had ook een Franse helderheid in zijn denken, dus hij wil die emoties ook wel weer op een rijtje hebben. Emoties mogen niet een wild leven gaan leiden, ze mogen niet uitlopen op hartstochten. Emoties moeten gematigd en in banen geleid worden. Maar ze zijn wel realiteit en je mag ze niet wegdrukken. Anders maak je de mensen tot stenen.'

Dat sturen en beheersen van de gevoelens, ook in de liturgie, is mede de achtergrond, begrijp ik uit dr. Van Ecks woorden, van de gemelde soberheid in de calvinistische eredienst.

Ook in de liturgie wil Calvijn teruggaan naar wat de Schrift zegt. In de middeleeuwen is de liturgie enorm uitgebreid. Daar heeft Calvijn veel van weggesnoeid. Hij heeft echter ook iets aan de liturgie toegevoegd. De preek is enorm uitgebreid, de verkondiging van het evangelie is essentieel geworden. Zonder de preken is het geloof van de gemeente geen geloof. Zonder het evangelie is er geen weerklank van vertrouwen. De gemeente moest ook weer zingen leren. Daarom zongen de kinderen van de catechisatie voor aan de gemeente; op den duur breidde het aantal te zingen psalmen zich uit, tot de psalmen een vertrouwd onderdeel van de eredienst werden.

Heilig Avondmaal
Ook over Calvijns visie op de Avondmaalsviering worden enkele opmerkingen gemaakt. Voor wie het gedachtengoed van Calvijn enigszins kent, zijn deze opmerkingen niet nieuw. Wel is het leerzaam, ze weer eens te lezen in het raam van tijd en leefwereld, waarbinnen ze zijn ontstaan.

Veel dingen heeft hij in Genève trouwens niet kunnen doorvoeren. De vraag, hoe vaak het Heilig Avondmaal gevierd moest worden, is een strijdpunt geweest in Genève.
Calvijn vond dat het Avondmaal bij iedere dienst hoorde, maar dat heeft hij niet kunnen doorvoeren. De burgerlijke overheid deed daar moeilijk over.

In het begin van de Institutie noemt Calvijn al de elementen die volgens hem in de kerkdienst aanwezig behoren te zijn: prediking, gebeden, liederen, offeranden en sacramenten. Hoe dat alles precies gerangschikt moest zijn, vond Calvijn niet zo belangrijk. Helaas is het driemaandelijkse Avondmaal maatgevend geworden in de calvinistische traditie. Dat was de uitslag van een politieke strijd tussen de kerkelijke en de burgerlijke overheden.
In de Rooms-Katholieke Kerk was er wel een dagelijkse misbediening, maar in de praktijk namen alleen de geestelijken daaraan deel. Een gewone gelovige ging zelden meer dan één keer per jaar naar de mis, en wel op Paaszondag. Voor de gemeente was één keer per week avondmaal dus een geweldige overgang. Dat zal allicht verzet hebben opgeroepen in de kerk.
Ook de middeleeuwse opvattingen zullen de gelovigen parten hebben gespeeld. Om aan het Avondmaal deel te nemen, moesten ze een zuivere staat van genade hebben en moest er massaal gebiecht worden.
Het kostte dus nogal wat inspanning om iedere zondag aan het Avondmaal deel te nemen. Die bui zag men wel hangen en daarom vond men eens per drie maanden echt wel genoeg. Dat driemaandelijkse avondmaal is dus ­een pragmatische oplossing geweest, bijbelse principes kwamen er niet aan te pas. De gereformeerde kerken in Genève vierden het Avondmaal altijd bij toerbeurt, zodat het Avondmaal altijd eens in de maand ergens gevierd werd. Iemand die vaker dan vier keer per jaar wilde aangaan, kon dan altijd naar een kerk gaan, waar op dat moment het Avondmaal gevierd werd.

'Gezangenkwestie'
Dr. Van Eck roert in het geciteerde gesprek Calvijns omgaan met de psalmen in de eredienst van de gemeente aan. Onder ons wordt het zingen van alleen psalmen in de kerkdiensten vaak verdedigd met een beroep op Calvijns visie in deze. We kennen sinds 1807 wat heet 'de gezangenkwestie'. In dat jaar werd de bundel 'Evangelische Gezangen' in de kerk ingevoerd. Dat riep de nodige weerstand op in het rechtzinnige deel van de kerk. Later sloten vele Afgescheidenen zich bij het verzet tegen gezangen aan. Zelfs dr. Kuyper wist dit argument krachtig te gebruiken in de dagen van de Doleantie, toen hij de slogan hanteerde van 'Gods volk zingt geen gezangen'. Zo'n regel doet het bij sommige mensen nog meer dan een Schriftwoord. Intussen is een belangrijk deel van de Gereformeerde gezindte tot andere gedachten gekomen over het zingen van gezangen in de eredienst. In 'De Reformatie' van 20 juli 1991 stond een instructief artikel te lezen over de 'gezangenkwestie' van de hand van drs. J. Smelik, onder de titel 'Door Christusmin gedwongen...!' Deze woorden komen voort uit een kort gedichtje van de bekende Psalmberijiher van de bundel van 1773, waaruit wij nog altijd onze psalmen zingen, Johannes Eusebius Voet. Dat gedichtje luidt als volgt:
Wanneer het nageslacht uit beter ogen ziet
En zich door Christusmin voelt dwingen.
Dan zal de reine Kerk, zo als het God gebiedt,
Haar psalmen niet alleen, maar ook haar liedren zingen.

Drs. Smelik gaat in op de voorgeschiedenis van de 'gezangenkwestie' en geeft daarbij vooral aandacht aan Calvijn. We citeren dat gedeelte in aansluiting op wat we lazen uit het gesprek met dr. Van Eck.

Regelmatig werd in de 19e en 20e eeuw beweerd, dat Calvijn enkel psalmen in de kerkdienst wilde hebben en dus tegen gezangen en helemaal tegen het 'vrije lied' zou zijn geweest. Deze gedachte is wellicht begrijpelijk, maar niettemin onverdedigbaar. Er zijn een aantal belangrijke aanwijzingen, waaruit blijkt, dat Calvijn zich nergens tegen gezangen gekeerd heeft.
Het is allereerst van groot belang dat we ons de toenmalige situade goed in gedachten houden. Dan is te wijzen op het grote misbruik dat de Roomse Kerk van het vrije kerklied gemaakt had. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de verbreiding van de Roomse leer door middel van het lied.
Bovendien is het van belang te bedenken, dat in de Reformatie-tijd het gewone kerkvolk de psalmen niet of nauwelijks kende. Het is voor ons nog maar moeilijk voor te stellen, dat bijvoorbeeld psalm 23 volslagen onbekend is bij het gewone kerkvolk.
Wat doe je in zo'n geval? Je gaat bij het begin beginnen. Temeer daar we bij het zingen van de psalmen zeker zijn, dat God ons de woorden Zelf in de mond legt en het is alsof Hijzelf in ons zingt. Laat de gemeente dus eerst maar eens de psalmen leren kennen. Daar heb je de eerste tijd je handen wel aan vol.
De vraag of een kerk naast psalmen ook gezangen mag zingen, was voor Calvijn geen principiële kwestie. Dat wil zeggen, de Schrift schrijft niet voor dat alleen psalmen en de drie nieuwtestamentische cantica (Lofzang van Maria, Zacharia en Simeon) gezongen mogen worden. Calvijns voorkeur voor de psalmen hield niet een afkeuring in voor goede gezangen.
Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat de reformator vanaf het begin ook vrije liederen in zijn kerkbundels liet opnemen. Al in zijn eerste kerkboek Aulcuns pseaumes et cantiques mys en chant uit 1539, stond de Apostolische Geloofsbelijdenis (± de melodie van ons gezang 4). Ook het kyrie-refrein en de laatste strofe ('Och of wij uw geboôn volbrachten') uit de decaloogberijming behoren tot het gebied van het 'vrije lied'.
Er zijn aanwijzingen, dat Calvijn na het gereedkomen van de berijming van de psalmen zich ingezet zou hebben om meer gezangen, bijbelliederen in het kerkboek op te nemen. Calvijn is daar niet aan toe gekomen. Maar Theodore Beza deed in 1595 niets 'oncalvinistisch' toen hij een bundel met 17 bijbelliederen uitgaf voor liturgisch gebruik.
Er is nog een tweede punt waaruit blijkt, dat Calvijn geen principieel tegenstander van gezangen was. Het was in de 16e en 17e eeuw internationaal (en interkerkelijk) gebruikelijk, kerkboeken te voorzien van een of meer voorredes, waarin de functie van het kerklied en het nut van het zingen theologisch werd onderbouwd. (Iets wat vandaag de dag geen overbodige luxe zou zijn.)
Calvijn heeft het in zijn voorrede op het kerkboek La Forme des Prières uit 1542 over twee soorten gebeden: gesproken gebeden en gezongen gebeden. Het lied behoort bij Calvijn tot de gezongen gebeden. Het feit, dat Calvijn het lied plaatst onder de gebeden, is al een aanwijzing, dat hij zich niet keert tegen het 'vrije lied'. Immers, de reformator was ook niet tegen nieuwtestamenrische (formulier-)gebeden.
Door voorstanders van de gezangen is diverse keren ook de vergelijking gemaakt met de liturgische gebeden. Het mag typerend voor de discussie genoemd worden, dat tegenstanders — voor zover mij bekend — nooit op dit argument gereageerd hebben.

Mijn ruimte is ongeveer vol voor deze aflevering van de persschouw, al is de verleiding groot, nog meer te citeren uit Smeliks artikelen, die veel interessante informatie bieden over de 'gezangenkwestie'. Zeker ook, waar hij de onder ons bekende argumenten tegen het zingen van gezangen analyseert en grotendeels voor onhoudbaar verklaart. Ik kan me in grote lijnen geheel vinden in zijn visie op deze kwestie, al wil ik er wel bij noteren, dat een strak confessioneel kerkverband van grote onderlinge en geestelijke eenheid makkelijker tot een oplossing in deze gevoelige kwestie kan komen, dan een kerk, waar theologisch allerlei wind van leer waait, die ook in het kerklied tot uitdrukking komt. 'Door Christusmin gedwongen' zingen wij nog altijd het Oudtestamentisch lied. Of dat met onze nog altijd beperkte ogen te maken heeft en of ons zicht op korte termijn verbeteren zal, blijft een vraag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's