De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gereformeerden op zoek naar God (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gereformeerden op zoek naar God (4)

Een voortgezet gesprek

14 minuten leestijd

De rechtvaardiging staat centraal
In dit artikel wil ik dus meer inhoudelijk ingaan op wat ik in mijn boek over de rechtvaardiging heb geschreven. Wat ik daarover geschreven heb, heeft namelijk bij sommigen de vraag opgeroepen, of ik hiermee nog wel blijf in de lijn van wat Calvijn en het gereformeerd belijden over de rechtvaardiging hebben uitgesproken. Nu is het opnieuw niet mogelijk om in het bestek van dit ene artikel alles hierover weer ter sprake te brengen. Ik beperk me tot de belangrijkste aspecten ervan.
Allereerst zou ik erop willen wijzen, dat ik aan de rechtvaardiging in mijn boek uitvoerig aandacht heb geschonken. Dat heb ik gedaan om een aantal redenen, die ik noem in een wat willekeurige volgorde. De eerste was, dat de rechtvaardiging in het reformatorisch belijden centraal staat, vanaf het begin. Luther noemde het het geloofsartikel, waarmee de kerk staat of valt. Tegelijk heb ik er uitdrukkelijk op gewezen, dat we de rechtvaardiging niet zo met de Reformatie verbonden moeten zien, als dat geloofsstuk er vóór die tijd niet was. Het was er ook vóór de Reformatie, ja het is het hart van de Schrift. Ook na de Reformatie is dit zo gebleven. In dat verband heb ik op Wesley gewezen met zijn getuigenis over Gods 'verbazingwekkende genade'. Even tussen haakjes: ik heb Wesley niet aangehaald om een evangelicale spiritualiteit te verheerlijken, maar juist om aan te geven, dat hij in zijn rechtvaardigingsprediking geheel zich bewoog in de lijn van Calvijn. Dat was de tweede reden waarom op de rechtvaardiging de nadruk viel in mijn boek.
De derde reden was, dat ik geloof, dat de nood van de Godsverduistering in onze tijd in haar diepte en wezen alleen zal worden opgelost, wanneer de mens God vindt als de in Christus met hem verzoende God. De verzoening, de vergeving der zonden, de rechtvaardiging dus, is nog steeds het hart van de christelijke boodschap, ook in onze tijd.
Dit laatste punt is door anderen weer bestreden of gerelativeerd, maar daar hoop ik op een later moment nog op in te gaan. Nu wil ik beklemtonen, dat de rechtvaardiging in mijn boek centraal staat. En het lijkt me toe, dat dit op zich een reformatorisch gegeven is.
De zaak, waarop de reactie zich richt, is echter de manier, waarop ik over de rechtvaardiging schrijf Ik zou in dat opzicht me wat kritisch over Calvijn hebben uitgelaten, omdat er bij hem volgens mij sprake zou zijn van een versmalling in zijn rechtvaardigingsleer.

Het bijbels karakter van het reformatorisch belijden
Laat ik echter mogen beginnen met op iets anders te wijzen. Ondubbelzinnig heb ik in mijn boek aangegeven, dat in de rechtvaardiging, zoals Calvijn die beschrijft en gepredikt heeft, de kern van het bijbels getuigenis voluit doorklinkt. Dat sluit in, dat ik ervan overtuigd ben, dat wat het hart van het christelijk geloof betreft wij in de reformatorische rechtvaardigingsleer een juiste vertolking vinden, in tegenstelling met wat in die tijd in rooms-katholieke en humanistische kringen hierover werd geleerd. Het gaat daarbij om de volle nadruk, die in het reformatorisch belijden is komen te vallen op het 'sola gratia' en het 'sola fide'.
Ik wil dit nu nog weer eens onderstrepen, omdat ik merk, dat ook anderen in dit opzicht mij niet juist hebben verstaan. Ik kreeg o.a. een reactie van iemand, die meende, dat ik een synthese nastreefde tussen de reformatorische en roomskatholieke rechtvaardigingsleer, hetgeen de reactrice overigens toejuichte. Maar daarin herkende ik me beslist niet. Integendeel. Ik heb juist in mijn boek, met name in de analyse van Berkhofs gedachten over de relatie tussen God en mens, tot op de naad proberen aan te geven, waar in de bezinning over de verhouding tussen goddelijke genade en menselijke betrokkenheid een grensoverschrijding plaatsvindt, die niet alleen aan de genade van God tekort doet, maar ook van de mens het onmogelijke verlangt.
Dus m.a.w., als het gaat om het hart van het reformatorisch belijden inzake Gods rechtvaardigende genade in Christus, dan belijd ik dit met hart en mond met haar mee. Op dat fundamentele punt weet ik me èn theologisch èn wat mijn persoonlijk geloof betreft volkomen één met Calvijn.

De vraagstelling in het oog houden
Maar de lezer van mijn boek moet voortdurende de daar aan de orde zijnde vraagstelling blijven bedenken. Het gaat mij om de ook onder ons aanwezige Godsverduistering. Deze komt op vele en velerlei manieren naar voren. O.a. in deze drie zaken, a. Er blijken slechts weinigen in de gemeente te zijn, die weten van een persoonlijke zekerheid en ervaring van de rechtvaardiging door God door het geloof in Christus. b. Als daar wel sprake van is, dan voltrekt deze rechtvaardigingsbeleving zich uitsluitend binnen het innerlijk beleven van het hart, zonder dat er een bevrijdende en vernieuwende uitstraling plaatsvindt naar buiten toe in alle relaties, waarin deze mens staat. c. De oorzaak daarvan ligt m.i. in het feit, dat waar deze rechtvaardiging in de prediking (nog) aan de orde wordt gesteld, zij het karakter aanneemt van een stroom van (sterke) woorden, waarin met krachtige termen de zonde wordt aangeduid en de radicaliteit van de genade ook wel wordt genoemd, maar het blijft een woordenstroom. Er is geen klankbodem, er vindt geen daadwerkelijke rechtvaardiging plaats, en de bevrijdende en vernieuwende werking, die daarvan toch zou moeten uitgaan, vinden niet plaats. Hoe komt dat? Dat was mijn vraagstelling.
Nu kun je daar verschillende antwoorden op geven. Je kunt zeggen, dat dit komt door afwezigheid of gebrekkige aanwezigheid van de Geest. Dat geloof ik ook. Maar mijn Anliegen was, ervan overtuigd zijnde, dat de Geest altijd middellijk werkt en dat er zo gemakkelijk van onze kant Hem wat in de weg kan worden gelegd, om na te gaan, wat die doorwerking van de Geest feitelijk in de weg kan staan. In dat verband heb ik opgemerkt, dat naar mijn inzicht één van die oorzaken is, dat er een verinnerlijking en in die zin dus een versmalling van de rechtvaardiging, in prediking en geloofservaring, heeft plaatsgevonden.

De versmalling in de beleving van de rechtvaardiging
Wanneer is dat dan gebeurd? Wij menen: in het achttiende eeuwse Piëtisme, waarvan de invloed in het rechter deel van de Gereformeerde Gezindte geweldig groot is geweest? Maar liggen de wortels soms ook nog dieper de traditie in? Zo ben ik tenslotte opnieuw bij Calvijn uitgekomen. Ik heb toen gezegd: het versmallingsproces heeft met name in het Gereformeerd Piëtisme plaatsgevonden, maar de aanzetten ertoe meen ik toch al bij Calvijn te kunnen vinden.
Nogmaals, om het goede verstaan te bevorderen: hier gaat het niet om de kern van de rechtvaardiging, maar om de versmalling van de rechtvaardigingsbeleving tot een innerlijke, louter geestelijke en persoonlijke ervaring van het hart. Niet de kern, niet het fundament, niet de diepste wortels zijn hier in het geding, maar de uitwerking, de uitstraling in het beleven van de mens en de christelijke gemeente is hier in het geding.

Het Schriftgetuigenis
Tot die ontdekking ben ik overigens gekomen op grond van mijn lezen van de Schrift. Ik ben steeds duidelijker gaan zien, dat de Schrift in meer verbanden en op meerdere wijzen de rechtvaardiging aan de orde stelt. In mijn boek heb ik gewezen op de psalmen. Vele malen komen wij daarin tegen, dat de dichter zich voor Gods aangezicht stelt, niet als de goddeloze of de zondaar, die om vergeving vraagt en in die zin om genadige rechtvaardiging, maar als de rechtvaardige, omringd door goddelozen, maar die daarom een beroep doet op Gods recht. Ik denk aan het begin van Ps. 17, een gebed van David. Hij begint: Heere, hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. Hier is de roep om wat ik genoemd heb, de rechtvaardiging, niet van de goddeloze maar van de rechtvaardige. In diezelfde zin moet ook Ps. 31 : 2 worden verklaard: Help mij uit door uw gerechtigheid. Luther heeft dit verstaan als de schenkende gerechtigheid van God in Christus aan de goddeloze, door het geloof. Dus: als rechtvaardiging van de goddeloze. Maar wie de tekst leest in haar verband (vgl. vs. 5) gaat zien, dat het ook hier gaat om de rechtvaardiging van de rechtvaardige. David weet zich in het nauw gedreven door hen, die op valse ijdelheden acht nemen (vs. 7), terwijl hijzelf betrouwt op de Heere. Daarom bidt hij: red mij, Heere, door uw gerechtigheid, uit deze strikken van de bozen.
Ook bij de profeet Jeremia komen wij dezelfde gedachte vele malen tegen. Als hij omringd wordt door zijn tegensprekers en belagers, wendt hij zich tot zijn God: Gij dan, o Heere, der heirscharen, die de rechtvaardige proeft... laat mij uw wraak aan hen zien, want ik heb u mijn twistzaak ontdekt (mijn rechtszaak voorgelegd), Jer. 20 : 12.
In het Nieuwe Testament vinden wij een opmerkelijke verbinding tussen de rechtvaardiging van de goddeloze en van de rechtvaardige. In Luc. 18 : 9-14 gaat het over de farizeeër en de tollenaar. De tollenaar riep: wees mij de zondaar genadig. Hij ging gerechtvaardigd naar huis. Dat is inderdaad rechtvaardiging van de goddeloze. Maar in het direct voorafgaande gedeelte staat de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Daar lezen wij, dat de weduwe tot de rechter roept: Doe mij recht tegen mijn wederpartij. Dat gebeurde dan ook, zelfs door deze rechter. Zij ging óók gerechtvaardigd naar huis, maar dan als mens, aan wie recht verschaft was. En dan volgt daarop de toepassing van Jezus: Zou God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Welnu, dat heb ik bedoeld, als ik sprak over de rechtvaardiging van de rechtvaardige.

De rechtvaardiging van de rechtvaardige
Nu kun je erover twisten, of dit een juiste aanduiding hiervan is. Ook of dit niet wat misverstand wekt. Ik heb het zo genoemd, omdat ik me daarin enigszins gesteund voelde door Bucer, die ook over de rechtvaardiging van de rechtvaardige sprak. Hij is daarin door Calvijn niet gevolgd. Hun motieven waren dan ook in dit opzicht verschillend. Calvijn was er heel bezorgd over, dat op deze manier de volle waarheid van de rechtvaardiging door het geloof in haar kracht zou worden aangetast of gerelativeerd. Daarom hield Calvijn de rechtvaardiging en de heiliging altijd zorgvuldig van elkaar onderscheiden. Bucer daarentegen voelde zich gedrongen om met behoud van het volle genadekarakter van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof toch ook de ethische component in de rechtvaardiging op te nemen. Niet als (mede)verdienende factor in de rechtvaardiging. Daarin bestreed hij even hevig en grondig als Calvijn de roomskatholieke rechtvaardigingsleer.
Maar Bucer had meer oog ervoor, dat de Schrift ook in ethische zin over de gelovigen spreekt als rechtvaardigen, die als zodanig ook Gods rechtvaardiging ontvangen. Dat heeft mij aangesproken en ik zag dit in de lijn van mijn eigen verstaan van de Schrift. Nu kan worden gezegd: ja maar, wat u hiermee bedoelt, is toch ook door Calvijn aangereikt in zijn spreken over de heiliging? Boven zei ik, dat Calvijn rechtvaardiging en heiliging zorgvuldig altijd onderscheidt, maar tegelijk is het zo, dat hij ook voortdurend erop wijst, dat er nooit rechtvaardiging is zonder heiliging. Bedoelt Calvijn dan eigenlijk niet hetzelfde? Al gebruikt hij voor het tweede dan andere woorden, om geen misverstand te wekken over het volstrekte genadekarakter van de rechtvaardiging?

De relatie tot de heiliging
Nu heb ik de gedachte, dat dit toch niet zo is, althans niet geheel. Graag onderstreep ik, wat ik ook in mijn boek doe, dat Calvijn grote nadruk heeft gelegd op de heiliging. Maar dan gaat het om de vernieuwing van het leven in alle relaties, zij het vooral in de persoonlijke relatie tussen God en de mens. Maar wat ik boven heb aangegeven als Schriftgetuigenis inzake het beroep doen op Gods recht(vaardiging) als rechtvaardige, dat is toch nog iets anders. In de termen van Calvijn beschouwd, zou je het inderdaad als een onderdeel van de heiliging kunnen zien. Maar opmerkelijk is, dat de Schrift hier niet de heiliging maar de rechtvaardiging noemt. We zouden misschien mogen zeggen, dat dit de voortgaande en verdergaande rechtvaardiging is in het leven van de heiliging van de (als goddeloze) gerechtvaardigde.
Opmerkelijk is het, dat ook Calvijn spreekt van een voortgaande rechtvaardiging. Maar dat ziet hij dan zo, dat een gerechtvaardigd gelovige telkens weer opnieuw zonden doet en daarvoor opnieuw de vergeving nodig heeft en ook ontvangt. Voortgaande rechtvaardiging is dan voortgaande vergeving. Dat lijkt me ook volkomen bijbels. Maar de Schrift spreekt ook van een verdergaande rechtvaardiging als een in hun recht stellen en erkennen door God van zijn kinderen tegenover het onrecht van de goddelozen.

Het recht der armen
Nu denk ik, dat het heel belangrijk is om dit ook 'rechtvaardiging' te noemen. Niet alleen, omdat de Schrift ons daarin voorgaat. Maar ook omdat we zien, dat deze rechtvaardiging van de rechtvaardige zich voltrekt in de realiteit van het concrete leven van elke dag. En dat in allerlei verbanden, niet alleen in een persoonlijke situatie, maar ook in ambtelijke en in maatschappelijk-politieke verbanden en ook in categoriale niet strikt persoonlijke en innerlijke relaties. Zo kan de Schrift ook spreken van een rechtvaardiging van de weduwe, niet alleen omdat deze weduwe een gelovige is, maar ook omdat zij weduwe is, die onrecht wordt aangedaan. Zo spreken de Psalmen van de rechtvaardiging van de 'arme' en de 'nooddruftige' (o.a. Ps. 9 en 72). Comrie verklaart dit zo, dat met die arme de bekommerde ziel wordt bedoeld, om toch maar bij de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof terecht te komen. En wij doen het vaak niet anders. Als wij met Ps. 72 zingen 'Nooddruftigen zal Hij verschonen, aan armen uit gena, Zijn hulpe ter verlossing tonen...', dan denken wij ook aan de geestelijk armen en nooddruftigen. Maar het is duidelijk, dat de Schrift de concrete echte arme en nooddruftige bedoelt. Dat Comrie en wij het zo verklaren, komt omdat wij alleen van die geestelijke, innerlijke rechtvaardiging door het geloof weten. Op dat moment blijkt duidelijk, dat er toch van een versmalling sprake is. En dat heeft ingrijpende gevolgen. Want zo kan het voorkomen, dat mensen 'dierbaar' over hun rechtvaardiging weten te vertellen of predikanten er idem over preken, zonder dat er in de concrete relaties van het werkelijke bestaan iets van te merken valt. Men weet wel van de rechtvaardiging van de goddeloze, maar niet van de rechtvaardiging van de arme en verdrukte.

Nogmaals Calvijn
Nu zou ik niet willen beweren, dat dit laatste bij Calvijn ook zo is. In zijn Institutie spreekt Calvijn terdege wel van het recht der armen, dat door God erkend wordt en dus ook door ons erkend dient te worden. Mijn bezwaar is, dat hij aan dit bijbels gegeven geen plaats heeft toegekend in zijn rechtvaardigingsleer. Daar hoort het naar mijn mening toch thuis. Want dan krijgt het ook zijn voluit bijbels gewicht.
Al gaat het hierin dus niet om het fundament van de reformatorische rechtvaardigingsleer, toch is de zaak zelf van grote be­tekenis. Dat geldt vooral, wanneer wij in later tijd en tot op heden stuiten op een onvruchtbare verinnerlijking van de gereformeerde prediking van de rechtvaardiging, waarin de genoemde bijbelse verbanden geen plaats krijgen.
Als ik nu nogmaals mijn mening uitspreek, dat bij Calvijn hier toch al de aanzetten voor te vinden zijn, dan meen ik dat te mogen staande houden. Maar ik wijs dus af, dat ik hiermee fundamentele kritiek uit op Calvijn. Ik meen, dat Calvijn in dit opzicht het bijbelse getuigenis wel in zijn diepte, maar niet in zijn volle breedte heeft gezien. Zoiets mag ik toch wel opmerken, zonder van afvalligheid van het gereformeerde standpunt te worden beschuldigd? Of moet ik a priori ervan uitgaan, dat Calvijn helemaal volmaakt niet alleen de hoogte en diepte, maar ook de lengte en breedte van het heil heeft doorgrond? Dan zou er na Calvijn geen eigen Schriftstudie meer nodig zijn.
Een vraag apart is, hoe het komt, dat Calvijn in dit opzicht toch een beperkte blik heeft gehad. Daar zou juist vanuit het nieuwere Calvijnonderzoek wel wat over te zeggen zijn, maar dat voert me nu te ver. Een volgende keer hoop ik iets over de 'toeleidende weg' te schrijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gereformeerden op zoek naar God (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's