Depressiviteit: pastorale zorg bij opname
Depressiviteit in de gemeente
Wie maakt uit of het beter is voor iemand met een depressie om opgenomen te worden? Het antwoord ligt voor de hand: de arts.
Deze schijnbaar eenvoudige stelling is niet zo eenvoudig als hij lijkt. Allereerst: welke arts? We leven in een tijd, waarin het beeld van de oude huisarts, die zijn patiënten door en door kent, op veel plaatsen hard slijt. Bovendien kan een opname acuut noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat er dreiging gevoeld wordt dat de betrokkene zichzelf kwaad zal doen, terwijl de betreffende arts verscholen zit achter zijn blikken stem, en iemand die zo maar in een situatie plonst, zal, behalve op zijn eigen diagnose, dan ook sterk moeten afgaan op informatie van de directe omgeving. Gelukkig zijn dit uitzonderingen. Meestal, wanneer huisarts en psychiater zijn ingeschakeld, wijst de procesgang zelf wel uit, wanneer er een moment van opname is gekomen.
Heeft de zielzorger hier een taak? Officieel niet. De opname is een medische beslissing. Toch kan er onontwijkbaar hier een stuk verantwoordelijkheid naar de pastor toekomen. De familie spreekt immers met hem, ook over het gedrag van de betrokkene, of de pastor kan zelf een zo sterke relatie hebben met de in een depressie gewikkelde mens, dat hij daardoor zo gespitst isop negatieve signalen, dat hij de medicus voor is. Bovendien zegt een patiënt in de vaak getermineerde tijd, die de vakman voor een zieke bestemd heeft, lang niet alles, of men speelt, omdat men iets te verbergen heeft, een rol. Daar prikt een goed vakman wel doorheen, maar dit kost ook tijd. De naaste omgeving, en diegenen die betrokken zijn en liefhebben, merken het meest op. Natuurlijk kunnen ze verblind zijn, maar ook kunnen ze opmerken of iemand verder de diepte in gaat, dan wel tekenen vertoont, dat hij of zij bezig is zich op te richten. Zo kan de pastor zich gedrongen weten, invloed uit te oefenen.
Toch is hier voorzichtigheid geboden. In principe moet de rol van de pastor hier een indirecte zijn: hij kan de arts inseinen, bij voorkeur de huisarts, die het dan wel weer verder brengt, en daarmee dan de verantwoordelijkheid leggen waar hij hoort. Met name wanneer de betrokkene zelf om opname vraagt, mag de pastor openlijk te werk gaan en zeggen (liever vragen) dat hij het met de dokter zal opnemen, of dat de familie dit maar moet doen, met verwijzing naar hem toe. Maar de pastor moet zijn mening niet verbergen en open kaart blijven spelen, anders verlaagt hij de betrokkene tot 'een patiënt', een exemplaar van een soort, en pakt hij hem zijn eigen keuzemogelijkheid af. En tenslotte is ook de pastor mens, met eigen wijsheid en inzicht, en mag hij van de ander verwachten, dat dit wordt gerespecteerd: daarmee blijf je de ander aanspreken op een volwassen en normaal gedrag. Zo blijft de taak van de zielzorger bij opname vooral informerend.
Opname kan een uitkomst zijn, maar is meestal een barrière, die moet worden genomen. Iemand kan zo murw zijn, vermoeid van zichzelf en bang, dat hij naar opname verlangt, maar meestal zal het taboe meespreken dat over een behandeling in een psychiatrische inrichting ligt. Theoretisch weten de meeste mensen wel, dat depressiviteit gewoon een ziekte is, en de plaats waar men dan naar toe gaat, een ziekenhuis, maar in de praktijk werkt het oude stempel nog door, dat wie eenmaal 'daar' geweest is... Vanuit het verstand wéét men, maar vanuit het gevoel stigmatiseert men. Bovendien is het gemakkelijker datgene wat je theoretisch weet op anderen toe te passen dan op jezelf. Velen voelen zichzelf toch gestigmatiseerd, en al denken ze zelf nuchterder, dan nog projecteren ze in anderen het stigma, dat ze zelf niet aanvaarden. Het kan voorkomen, dat hier een pastorale taak ligt van de eerste orde. De pastor moet dan niet vergoelijken wat gebeuren moet, maar het proberen terug te brengen tot zijn juiste proporties, en de gang naar de inrichting, ook door zijn optreden, in het normale kader zetten van het gaan van de middellijke weg, en in het perspectief van de bevordering van de genezing.
Moet de pastor voeling houden met de behandelende geneesheer tijdens de opname, en op samenwerking uit zijn? Weinig psychiaters zijn daarop gesteld, en ook mijn eerste antwoord is: nee. Hij moet zich buiten de therapie houden. Het is zijn vak niet. Hij heeft een eigen taak, waarover straks. Hij moet de therapie dan ook niet ter sprake brengen, wanneer hij op bezoek komt. Begint de ander er zelf spontaan over, dan mag hij inhaken, begrip tonen, maar hij mag op geen enkele wijze de relatie arts-patiënt proberen te beïnvloeden, en daarom moet hij van beiden afblijven. Hooguit mag hij een informerende functie hebben naar de desbetreffende arts toe, en een begripvolle naar de patiënt toe.
Toch is hiermee het verhaal niet uit. Een pastor, die werkelijk echt en diep pastoraat wil bedrijven, heeft er recht op te weten wat de arts met een patiënt voor heeft. Daar zijn drie argumenten voor. Beiden, de arts en de pastor, houden zich bezig met de hele mens, als de psychosomatische eenheid, die deze is, waardoor beider arbeid raakvlakken heeft, en deze raakvlakken mogen geen schuurvlakken worden. Hoe is de arts bezig te helpen? Confronterend? Agogisch, richtingwijzend? Psycho-analytisch, terug naar jeugd en ervaringen uit het verleden? Opvoedend tot zelfstandigheid en volwassenheid, tot eigen beslissingen nemen? Een pastor die dit niet weet — meestal kom je er gelukkig in een gesprek met de opgenomen patiënt wel een beetje achter — kan goed blunderen en de arts tegenwerken. Hij heeft recht, hiernaar te informeren, al was het maar om de behandeling niet te storen.
Bovendien: noch de keuze van werkwijze door de arts, noch die werkwijze zelf zijn waardevrij. Waardevrije hulp bestaat niet. Vandaar het grote belang ervan, dat een professionele hulpverlener, zeker op dit terrein, een christen is. Vroom en dom hoeven gelukkig niet samen te gaan. En wanneer hij geen christen is, dan mag op zijn minst van hem verwacht worden dat hij oog heeft voor de eigen betekenis van het geloof in een mensenleven. Heeft hij dit niet, dan gaan on-vroom en dom samen. Maar er zijn op het gebied van de psychiatrie nog steeds scholen aan de markt, waar alle geestelijk lijden, materialistisch, wordt teruggebracht tot lichamelijke oorzaken, zodat pastoraat voor hen iets is dat buiten alle behandeling staat.
Het derde argument is dan dat depressies inderdaad lichamelijke oorzaken kunnen hebben, en dat de pastor er dan te meer recht op heeft, dit te weten, zo dit het geval is. Het accent in het pastoraat zal dan wellicht toch wat anders gaan vallen.
Dan kom je dus op bezoek. Je treedt een andere wereld binnen, en zo wordt het ook gevoeld. Wellicht gaan er deuren achter je op slot. Maar omdat je er alles aan gelegen is, de band met wat buiten is bij de betrokkene is aan te houden, breng je van veel mensen groeten mee, en heb je een bloemetje of iets anders bij je. En vooral vertel je veel van buiten, ook al is daar, vanwege de cirkel waarin een zwaar depressief mens zit, vaak weinig belangstelling voor. Blijkt deze er te zijn, dan ga je daarop in en door.
Welke is je doelstelling? Deze is mede bepaald door de hierboven genoemde duidelijke scheiding van zielzorg en medische behandeling binnen het proces van genezing.
Toch valt hier meer te zeggen. De klassieke leer van de zielzorg maakte vaak onderscheid tussen algemene en bijzondere zielzorg, zeg maar tussen huisbezoek en bijzondere gevallen, waarvoor ook bijzondere kennis vereist is, tussen prediking en persoonlijk gericht contact. Men ging zo van het gewone náár het bijzondere, maar het laatste kwam er, vooral vroeger, wat schraal af. De medicus gaat de tegenovergestelde weg, omdat hij degene is, die altijd bijzondere gevallen bij zich krijgt, reden waarom dan weer het algemene karig bedeeld werd; een schade die men nu probeert in te lopen door meer dan vroeger preventief te werken, juist ook in het voorkomen van stress en daarmee van depressie. Bijzondere zielzorg is echter geen psychiatrie, al is kennis en herkennen van geestelijke ziekte wèl een vereiste, en een zekere psychologische scholing vereist.
Deze scheiding van zielzorg en medisch handelen bepaalt het gesprek mede. Zo voorkomt men ook, dat men vroom een ziekte gaat toedekken en zo eigenlijk verergeren. Ik geloof niet, dat alles wat de mens aan geestelijke ziektesymptomen vertoont, direct van een waarde-oordeel voorzien moet worden, omdat alles van meet af in theologisch licht moet worden gezet (Zijlstra), of dat men een mens 'beter kan bidden', of dat hij het zichzelf kan doen (Tournier, Weatherhead, pinkstergroepen). God werkt middellijk. Dokters moeten niet preken, hooguit in een extreme omstandigheid, en dominees niet dokteren.
Daarom is het goed, om je van waardeoordelen te onthouden. Iemand, die depressief is, stikt er toch al in: nl. in zijn eigen gevoel van on-waarde. En je vertelt ook niet, hoe hij zich voelen moet als christen: juist zijn ideaalbeeld van wat een christen moet zijn en hij zelf onmogelijk kan wezen, zit hem of haar dwars. Pastores komen niet met ideaalbeelden, en de prediker die zo goed weet en vertelt hoe een christen is en voelt en leeft, bevestigt alleen maar de schuldgevoelens, die ieder mens met zich meedraagt en is noch bevindelijk noch pastoraal bezig. Bij iemand, die depressief is, is dit dubbel erg. Daarom zal het geestelijk gehalte van het gesprek altijd als centrum moeten hebben, dat wij weliswaar verstopt zitten, geconfronteerd met onze onmogelijkheden, maar dat de Here ons kent zoals we zijn en blijft gedenken.
Het eerste is daarom: je openstellen en de ander er iets van laten merken, dat je de 'diepte van ellende' in beginsel kunt meevoelen, om deze vervolgens te onderscheiden van de 'diepte van ellende' waarmee de getroffene te kampen heeft, om tot slot duidelijk te maken, dat er geen diepte is, die niet in de diepten van de bijbel waaruit verlossing mogelijk is, begrepen zijn.
Opname onderstreept ook het eenzaamheidsgevoel dat aan een depressie eigen is. Daarom is het moeilijkste aan het gesprek het weggaan: doordat je niet kunt blijven, accentueer je als het ware de situatie van afzondering, de cirkel van de ander. Hoezeer je dit ook camoufleert door de belofte snel terug te komen. Waarom zeg je dat eigenlijk? Om de patiënt te bemoedigen, of als een soort pijnstiller voor jezelf? Maar, beloof nooit wat je niet dóet.
Het gesprek met iemand die opgenomen is, moet in eerste instantie die onderwerpen vermijden die meestal direct met de depressie samenhangen, tenzij de betrokkene ze zelf aansnijdt: het werk, het huwelijk vaak, de opgelopen trauma's (kampervaringen, incest), het ouder-worden (juist de vereenzaming die de oudere ervaart en het besef, dat hij of zij de greep op het leven verliest is vaak mede de aanleiding tot de depressie), een zojuist doorleefd diep verdriet. Verder moet je eerst weten, of je ja of nee welkom bent ('dominee maakt het vast erger, want moeder neemt het geloof zo zwaar op'). Wie welkom is kàn meer, alleen al door het feit dat hij er is, en trouw is. Wie een dergelijk pastoraal bezoek brengt, moet in de allereerste plaats geduld opbrengen, wachten tot aangegeven wordt, waar men kan, aanhaken. Bij een teken van positief denken liefst, bij hoop die (nog) leeft bij de betrokkenen, dat hij of zij er uit en dóór komt, bij zorgen die men zich maakt over thuis (op zichzelf positief). Iedere flits van positief denken moet worden opgevangen en weerkaatst.
De gevaren voor de pastor liggen hier voor het oprapen. Dat hij zich in medegevoel laat meetrekken in de negatieve cirkel van beleven en denken, een cirkel waar de afzondering van de opname model voor staat. Dat hij de patiënt gaat voorhouden hoe hij of zij nu moet geloven, waardoor hij juist het onmachtsbesef versterkt. Dat hij schuldgevoelens voor zonde aanziet, of ze wegpraat (meestal hebben ze een kern van waarheid, maar ieder mens heeft schuldgevoelens). Laten we goed bedenken, dat de echte verootmoediging en schulderkenning juist al ònze schuldgevoelens relativeert, en dat schuldgevoelens geen goede landingsbaan zijn voor de Geest. Misschien is het mogelijk iemand af te leiden van zichzelf, door samen een ansicht te sturen aan iemand die het moeilijker heeft — naar ons oordeel — dan de patiënt, die we bezoeken. Zoiets kan afleiden en zodoende helpen relativeren. En natuurlijk gaat de bijbel open, maar wèl is de schriftlezing kort, wellicht een enkele tekst. Of aeze tekst valt al in het gesprek, en bij het gebed wordt erbij aangeknoopt. De ander kan een lange schriftlezing waar verband in zit, niet in zich opnemen, maar een kort treffend woord kan blijven haken. Ook al verwacht je niet dat het duurzaam zal zijn. En priesterlijk maakt in het gebed de pastor zich tolk van de nood, maar zijn gebed is duidelijk óók gericht op de toekomst (de genezing) en op diegenen, die de patiënt liefhebben. Echter, nooit verder gaan dan een verwijzing naar Hem Die aan ons denkt, en Die niét zo verstopt zit zodat Hij niet geven kan. Vooral van onszelf àfwijzen dus.
Bij dit alles onderhouden we ook het contact met de familie, wanneer dit op prijs wordt gesteld. De familie helpen met begrijpen en verdragen en trouw-zijn is niet de minste taak van de pastor. Tenslotte: hoe meer beterschap zich aftekent, des te meer ook de mogelijkheid het getuigenis van de bijbel zó door te geven, dat het beklijft. Dan is weer gebleken, dat de hoop niet beschaamt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's