De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De rijkdom van het verbond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De rijkdom van het verbond

11 minuten leestijd

Voor ditmaal wil ik beginnen met een persoonlijke herinnering. In de tijd van onze studie werd in de toen nog kersverse studentenvereniging CSFR, die haar leden betrok uit de Gereformeerde Gezindte in engere zin, hartstochtelijk van gedachten gewisseld over alles wat met het verbond samenhing. Thema's als de verhouding van verkiezing en verbond, van wet en Evangelie, van wedergeboorte, geloof en bekering kwamen telkens weer ter sprake. Dat gebeurde tijdens lezingen en in ontmoetingen van hart tot hart van studenten, die elk voor zich het stempel meedroegen van de kerkelijke kring, waartoe ze behoorden. Geen onderwerp is in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme breder en ook hartstochtelijker doordacht dan het verbond. Het was in die tijd een weldaad leidinggevende hervormd gereformeerde theologen als ds. G. Boer, ds. W.L. Tukker, ds. L. Blok en ds. J. van Sliedregt — om slechts enkelen te noemen — te horen spreken over deze thematiek. Daarvan ging iets bevrijdends uit in de vaak vastgelopen of vastgeroeste posities, die waren ingenomen inzake deze noties in de Schrift, die voor het welzijn van het geestelijk en gemeentelijk leven van zo groot gewicht zijn. Er werd geloofsmatig, bevindelijk over gesproken, terwijl (of omdat) de noodzaak van wedergeboorte en bekering ook alle accent kreeg. Velen bewaren uit die tijd dankbare herinneringen aan hervormd-gereformeerde theologen, die voor een belangrijk deel nu reeds behoren tot het voorgeslacht. Hun boodschap is het ook vandaag waard om gehoord te worden.


De bezinning op het verbond is aan het eind van de dertiger jaren ook in hervormd gereformeerde kring in alle hevig­heid gevoerd. Uit die vaak harde discussies is, bij alle schaduwkanten die eraan waren, uit het ruwe erts ook goud tevoorschijn gekomen. Het hervormd gereformeerde voorgeslacht van die jaren heeft er telkens weer getuigenis van gegeven, dat men in die tijd ondanks alles op het wezenlijke van het verbond werd teruggeworpen, in een grondig onderzoek van de Schriften, óver bepaalde woekeringen van lijdelijkheid en onderschatting van het verbond in de gereformeerde traditie heen.

Zoals gezegd, de bezinning op het verbond had in de jaren van onze studententijd iets bevrijdends. Het verbond is niet niets. Hoe dan ook staan diegenen, die tot de gemeente van Christus behoren en het teken en zegel van de heilige doop ontvingen, met de Heere, de God van het Verbond in een andere relatie dan de wereld.

Waarom?
Waarom dit hier opgehaald? Niet om opnieuw een uitgewogen verhandeling te geven over het verbond. Wat zou er nog nieuw toe te voegen zijn aan alles wat over dit uiterst gevoelige thema al zo vaak is gezegd. Het is echter wel zo dat, naar het mij voorkomt, zich een nieuwe ontwikkeling aandient, die zorgwekkend is. Zijn we niet opnieuw bezig het zicht op de rijke inhoud van het verbond kwijt te raken?
Wanneer het óngeloof zich van de dingen in het Koninkrijk Gods meester maakt, is de ontsporing gegeven. Al wat uit het geloof niet is, is zonde. Het ongeloof redenéért, terwijl het geloof zich verwòndert. Zo is het ook ten aanzien van de verbondsgeheimenissen. Het is, scherp gezegd, van tweeën één: het verbond wordt of stùk geredenéérd of de weldaden van het verbond worden in het geloof omhelsd.


Vanuit de Schrift kunnen we weten, dat wij mensen het verbond kunnen breken en dat dan derhalve de wraak van het verbond ons mensen treffen zal in plaats dat de zegeningen ervan ons geworden. De Schrift waarschuwt ons er verder voor, dat we ons er niet op zullen verheffen kind van het verbond te zijn. Johannes de Doper zegt tot het verbondsvolk: 'meent niet bij uzelf te zeggen: wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.' Het gaat altijd weer om de toeeigening door de Heilige Geest van datgene wat is toegezegd. Maar de Schrift is verder ook vol van de lofzang op het verbond, met name op de God van het Verbond, die met afkerige kinderen te doen wil hebben.

Wanneer Petrus in Handelingen 3 het volk toespreekt komt het verbond onomwonden ter sprake. De God van Abraham, Izak en Jacob, de God der vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, die zij overgeleverd en verloochend hebben. 'Gij zijt kinderen der profeten en van het verbond, dat God met onze vaderen heeft opgericht, zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.' De hoorders worden aan het verbond en de zegen ervan herinnerd.
Ook waar de prediking in vermanende zin moet uitgaan, mag nochtans de klem van de eisen en van de toegezegde zegen van het verbond niet ontbreken.

Zorg
In het bovenstaande sprak ik over zorg inzake bepaalde ontwikkelingen. Velen durven, naar het mij voorkomt, niet meer onbevangen over het verbond te spreken. Wie er vandaag de kerkelijke pers van onverdacht 'reformatorische' snit op naleest, ontwaart niet zelden een tendens van afweer en bevangenheid; een tendens, die zich langzaam maar zeker breder doorzet. We zien, dat het zicht op de rijkdom en de weldaden van het verbond (weer) teloor dreigt te gaan. Dat almaar gezegd wordt wat het níét is — redeneren vanuit het negatieve — en niet wat het wèl is. Dat zelfs op de Schriftwoorden op zich wordt afgedongen.
Regelmatig kan men, om een voorbeeld te noemen, lezen, dat het woord uit de psalmen 'het verbond met Abraham Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind', wanneer dit wordt geciteerd, wordt weggeredeneerd of gekritiseerd, alsof het niet een woord uit de psálmen ìs. De Schriftwoorden worden soms dogmatisch weggepraat. Zelfs van het afkerige Israël zegt Paulus echter nòg, dat ze aangaande de verkiezing beminden zijn om der vaderen wil (Rom. 11). Dat er sprake is van tweeërlei kinderen des verbonds is waar, maar desalniettemin gaat het om kinderen 'des verbònds'.


En wat is er vaak nog over gebleven van het zicht op de waarde van de doop? Het zij nogmaals gezegd, dat het ongeloof van alles in het Koninkrijk Gods een verkeerd gebruik maakt. Maar de God des Verbonds heeft ons dit verbondsteken niet gegeven om ermee te morsen of er achteloos mee om te gaan of het te onderschatten. 'Uit kracht van het genadeverbond' rekenen de Dordtse Leerregels zelfs de kinderen der gelovigen heilig. 'Zo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de Verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt' (I, 117). Het doopformulier laat er, bij alle scherpte in de vermaning, geen onduidelijkheid over bestaan van welk een onschatbare betekenis de doop als teken en zegel van het verbond is. Dat het dankgebed bij het doopformulier vaak zoveel moeite geeft in de gemeente, zegt meer over òns dan over het doopformulier. We zijn met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, kinderen des toorns. Zonder nieuwe geboorte kunnen we in het koninkrijk van God niet ingaan. Maar de doop betuigt en verzegelt de afwassing der zonden door Jezus Christus. In de Naam des Vaders wordt betuigd en verzegeld, dat Hij met ons een verbond der genade opricht. Het doopformulier laat er geen twijfel over bestaan, dat de doop een pleitgrond mag zijn voor het Aangezicht van God. Het doopformulier is sterker in het uitleggen van wat het verbond wèl is dan van wat het níét is.

De gemeente
Met dit alles hangt ook samen het zicht op de gemeente. Wie tot de gemeente behoort, is in principe afgezonderd van de wereld. De doop is daarvan ook het teken, een teken van afzondering. Daarom is het verlaten van de gemeente ook zo hoogst ernstig. De zegen van het verbond slaat dan om in wraak. Maar er is een onmiskenbare relatie tussen verbond en gemeente. Ook hier geldt, dat het ongeloof de zaken stuk redeneert en dat vanzelfsprekendheid tot verheffing leidt. Vanzelfsprekendheid is de dood in de pot. Niemand zal deel hebben aan de weldaden van het verbond, wanneer hij niet door een waar geloof Christus en Zijn weldaden is ingelijfd. Maar dan ook door een waar gelóóf. niet door 'bijzondere openbaring' (D.L. V, 2, 5). Ook in de gemeente gaat het om geloof en bekering. Maar de gemeente is desalniettemin, zelfs in verminkte gestalte, méér dan een groep heidenen. De gemeente is de plek, waar de Heere de weldaden van het verbond wil uitwerken door Woord en Geest.

Wanneer de apostelen hun brieven richten tot de gemeenten in Klein Azië en Ro­me, valt er nogal wat te vermanen. De gemeente leeft vaak niet naar de reinheid van het heiligdom. In de uitleving blijkt er duidelijk sprake te zijn van twee soorten verbondskinderen. Het belet echter de apostelen niet de gemeenten aan te spreken op wat ze naar hun wezen zijn:
'Allen die te Rome zijt, geliefden Gods en geroepen heiligen' ( Rom. 1 : 7).
'Aan de gemeente Gods, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen' (1 Kor. 1 : 2).
'Aan de gemeente van Galatië: genade zij u en vrede van God de Vader en onze Heere Jezus Christus; Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden...' (Gal. 1 : 2-4).
'Aan de heiligen, die te Efeze zijn (Ef 1 : 1).
'Aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn.' (Filip. 1 : 1).
'Aan de heilige en gelovige broeders in Christus, die te Kolosse zijn.' (Kol. 1 : 1).
'Aan de gemeente der Thessalonicensen, welke is in God, onze Vader en de Heere Jezus Christus.' (1 Thess. 1 : 1).
Geen enkele brief heeft een vrijblijvend opschrift. Alle gemeenten worden al in de aanhef van de brieven herinnerd aan hun wezenlijke status. De gemeente is gemeente des Heeren. Dat 'des Heeren' behoeft er niet eens afzonderlijk bij te worden gezegd, want ze is dit. Daarom is de aanspraak van de gemeente met 'gemeente' op zich al voldoende. Maar daarin ligt dan ook al een hele rijkdom alsook een hele verantwoordelijkheid opgesloten. De gemeente is méér dan een groep, ze is correlaat aan (betrokken op) het verbond, dat God met mensen aangaat. Dat sluit de vermaning, de scherpe onderscheiding ook binnen de gemeente, niet uit maar juist in. De wekroep tot geloof, wedergeboorte en bekering vindt juist dáárin zijn klem maar ook zijn gezag, dat de gemeente 'des Heeren' is.
Dit alles betekent intussen ook, dat de herder alle schapen, die tot de gemeente behoren, in het blikveld zal hebben.


Helaas wordt, onder vele voorwendsels, op de hoge aanspraak en het hoge wezen van de gemeente maar al te vaak afgedongen. De gemeente is 'evangelisatiegebied', zo las ik recent. Nu valt dat nog Ie begrijpen voor gemeenten met een brede rand van onkerkelijken. Maar dan nòg! Dan nòg vallen diegenen, die ooit het teken en zegel van de doop ontvingen, onder de vermaningen van het verbond. En dan nòg vallen ze, wanneer ze zich bekeren, onder de toezeggingen, in het doopformulier betuigd.
De gemeente vandaag ziet er ten principale niet anders uit dan die ten tijde van de Galatiërs en de Corinthiërs. Hebben wij dan het recht die gemeente — èn in onze visie daarop èn in ons zicht op de kerk als geheel — anders te benaderen?
Wij missen maar al te vaak vanuit het verbond het rechte zicht op de gemeente en de kerk. Hetzij doordat 'volk in de kerk' belangrijker geacht wordt dan de 'eigen' gemeente. Hetzij doordat de gemeente niet meer gebracht wordt onder de klemmende eis van geloof en bekering.

Automatisme
Er is de laatste jaren een woord in zwang gekomen, waarmee we intussen al wat de Schrift over het verbond zegt ook dreigen te verstikken, namelijk verbondsautomatisme. Het automatisme, waarmee evenwel ook dit woord soms wordt gehanteerd, doet ons soms het hart vasthouden. Daar waar in positieve zin over het verbond wordt gesproken, valt, in reactie daarop, vaak het verwijt van verbondsautomatisme. Dat vanzelfsprekendheid ten enenmale contrabande moet zijn inzake de dingen van Gods Koninkrijk is eerder gezegd. Maar zo dreigen we ook de zegen van het verbond te verspelen. Zoals al zoveel Schriftwoorden verdacht zijn geraakt, uit reactie op verkeerd gebruik, zo dreigt ook het verbond uit het zicht te raken. Dat moet heilloze gevolgen hebben voor het geestelijk welzijn in de gemeente.


De Heere verwezenlijkt nog altijd Zijn verkiezing langs de weg van de verbond. Dat heeft gestalte gekregen in de Middelaar van het Verbond. Het gaat erom, dat de weldaden van deze gezegende Middelaar worden uitgezegd en dat er niet op wordt afgedongen. Hoe heilzaam is in dit opzicht niet geweest de prediking van de Schotse Erskines. Ze hebben de rijkdom van het genadeverbond onvoorwaardelijk uitgezegd. Ze hebben, zonder af te dingen op geloof en bekering, de weldaden van de Middelaar uitgestald. Ook vandaag zouden we aan hun prediking veel kunnen hebben, nu enerzijds de vanzelfsprekendheid toeslaat en anderzijds de verstarring om zich heengrijpt. In beide gevallen ontgaan ons de geestelijke rijkdommen, die in het verbond der genade begrepen zijn. Mijn zorg is, dat het zicht op het verbond slijtage ondergaat en dat daardoor, de geestelijke verdorring en verstarring toeslaan of daarvan juist een gevolg zijn.
In psalm 25 wordt gesproken over diegenen, die Gods verbond en woorden als hun schatten gadeslaan,
"t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreeverbond getoond'.
Zo vraagt het verbond om doorleving, méér dan om discussie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De rijkdom van het verbond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's