Het Evangelie en de joden
Kanttekeningen bij Lausanne-consultatie
Mededelingen Doordat ds. J. Maasland in verband met zijn werkzaamheden in de gemeente verzocht heeft ontheven te worden van zijn functie als 2e voorzitter van de Gereformeerde Bond is recent door het hoofdbestuur in zijn plaats benoemd dr. A. van Brummelen te Huizen. Verder is kortgeleden ook besloten ds. C. den Boer, studieleider van de Theologische Hogeschool vanwege de Gereformeerde Bond fulltime voor deze functie vrij te stellen. Het door de Generale Synode op ds. Den Boer uitgebrachte beroep voor dit predikantschap voor buitengewone werkzaamheden is door hem aangenomen. Dat betekent verder dat ds. Den Boer afscheid zal nemen van Bilthoven, waar hij part-time predikant was. Voor het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond J. van der Graaf, alg. secretaris
Wat zou het christelijk geloof nog betekenen wanneer Christus van Zijn unieke plaats wordt beroofd? Als niet meer de Persoon en het werk van Jezus Christus, als niet meer het in Hem aangebrachte heil onze hartstocht is, dan kunnen we de kerk wel sluiten. Dan behoeven we ons ook niet meer druk te maken over de Evangelieverkondiging aan hen, die buiten zijn, dichtbij en ver weg.
'Ik ken maar één hartstocht, dat is Híj, slechts Híj', zei Graaf Ludwig von Zinzendorff, pionier van de Inwendige Zending. De vraag is echter wel hóé we aan dit getuigenis aangaande Jezus gestalte geven. We zouden eigenlijk geen dag rust moeten hebben als we bedenken, dat miljarden mensen in deze wereld het verschil niet kennen tussen hun rechter en hun linkerhand. En toch staan we niet dagelijks op de stoep bij onze mede-straatbewoners, om hen met de boodschap te confronteren. Toch lopen we in de plaats onzer inwoning niet dagelijks met traktaatjes langs de deur.
Het andere uiterste is, dat we de missionaire arbeid van kerk en gemeente delegeren aan anderen, aan daarvoor bestemde instituten, en dat we als kerkmensen zelf neutraal onze weg gaan, in handel en bedrijf, op de scholen en aan de universiteiten: incognito.
Het zal echter duidelijk zijn, dat het echte christelijke leven op zich het getuigenis van de Naam als kenmerk heeft. Ik ken maar één hartstocht...
En toch, de rechvaardige kent (kennelijk) tijd en wijze.
Dit zij vooraf gezegd, wanneer ik wat opmerkingen wil maken aangaande 'het Evangelie en de joden'. Ook ten aanzien van de joden is het getuigenis van de Naam onopgeefbaar; want er is onder de hemel slechts één Naam tot zaligheid gegeven. De vraag is alleen hóé aangaande de joden getuigenis van het Evangelie moet worden gegeven. Die vraag is de laatste tijd her en der in alle scherpte aan de orde. En dan liggen karikaturen over en weer heel gemakkelijk voor de hand.
Actueel
De hervormde synode besloot enige tijd geleden tot kerkordewijziging inzake de paragraaf, waarin de relatie van de kerk tot het joodse volk wordt verwoord. Er mag geen twijfel over bestaan, dat onzerzijds met nadruk is en wordt gesteld, dat de kerk juist ook in haar getuigenis aangaande het heil, dat in Christus is, eenduidig herkenbaar zal moeten zijn. Zo niet dan is haar eigen bestaansgrond in het geding. Als zodanig is de aangepaste formulering van de kerkorde wat ons betreft te mager. Daartegenover staat, dat de laatste tijd (opnieuw) krachtig wordt geponeerd de gedachte van zending onder de joden. Zo werd recent in Zeist een (evangelische) Lausanne-consultatie gehouden, waaraan breed aandacht is gegeven in de pers. De presentie aldaar vanuit de-(gereformeerde) kerkelijke wereld was gering. Men vond elkaar intussen in de zendingsgedachte. Opmerkelijk nu was, dat, toen op de hervormde synode de discussie over bovengenoemde apostolaatsparagraaf werd gevoerd, door niemand (ook niet door de hervormd gereformeerde critici van de aangepaste paragraaf) het woord zending werd gehanteerd. En dat terwijl het getuigenis aangaande de Naam van allerlei zijden krachtig werd bepleit.
Dat heeft niet alléén (hoewel óók) te maken met het feit, dat in naam der zending soms verschrikkelijke dingen aan het joodse volk zijn geschied in de loop der geschiedenis. Dat heeft óók niet (alleen) te maken met het feit, dat zending aan Israël de eeuwen door mislukt is. Er zijn joden tot bekering gekomen. Ook vandaag komen joden tot aanvaarding van Jezus als hun Heere en Heiland, als de Messias van Israël. Maar zending aan Israël, met vorming van eigen gemeenten is feitelijk mislukt. Nooit had de Evangelieprediking díé uitwerking, die deze had onder de heidenvolkeren.
Het heeft echter vooràl te maken met de bijzondere relatie, die er is — nochtans is — tussen de kerk en het jodendom. Die relatie is er (naar Romeinen 11) één van de boom en de takken en dart nog wel in díé zin, dat we als christenen uit de heidenen als wilde takken zijn ingeënt op de stam van de tamme olijf (omgekeerde wereld!). Daarbij hebben we een (gedeeltelijk) gemeenschappelijke geschiedenis, gezien ons beider beroep op Abraham als ons aller Vader.
Gemeenschappelijk?
We hebben als christenen en joden zo toch ook het Oude Testament gemeenschappelijk? Dat lijkt een eenvoudig gegeven. Toch is het zo eenvoudig niet. Ooit voegde mij de orthodox joodse rabbijn uit Amsterdam — L.B. van der Kamp — toe, dat we als (orthodoxe) joden en (orthodoxe) christenen niets gemeen hebben. Hij bedoelde te zeggen, dat wij, christenen, de geschriften van het Oude Testament toch altijd lezen door de bril van het Nieuwe Testamemt. Daar valt niet veel tegen in te brengen.
Wíj zingen de joodse psalmen met zicht op Christus. (Zij kennen ook geen berijming).
Wíj lezen de profetieën vanuit de principiële vervulling in Christus, ook al staan er nog dingen open, nog te gebéúren.
Wíj lezen over de galerij der gelovigen van het Oude Verbond nieuwtestamentisch in Hebreen 11, en wel op die wijze, dat we geloven, dat ze de dag van Christus van verre hebben gezien. Daarom moeten we ook niet te gemakkelijk zeggen, dat we het Oude Testament gemeenschappelijk hebben. Het was overigens niet voor niets dat bepaalde 'oudvaders' aan de voeten van rabbijnen hebben gezeten om van hen te vernemen hoe zíj de boeken van het Oude Testament lazen en uitlegden.
Ooit heeft dr. H.F. Kohlbrugge gezegd, dat we de joden vanuit het Oude Testament moeten betuigen, dat Jezus de Christus, dat Jezus de Messias is. Zo hebben orthodoxe joden in Christus hun Verlosser ook daadwerkelijk gevonden, door het lezen van het Oude Testament. Maar dan wel levend in een wereld, waarin de Naam van Christus allerwegen is geproclameerd. Dus toch in relatie met Christus. Maar dit alles betekent, dat de kerk tot het joodse volk in een andere betrekking staat dan tot de andere volkeren in de wereld. Ten diepste valt de zendingsgedachte dan ook alleen vol te houden wanneer men zegt, dat nieuw-testamentisch alle verschil tussen de joden en de gojim is weggevallen. Het maakt dan geen verschil meer of we als kerk naar Zuid Amerika gaan of naar Israël.
Maar de Schrift zegt, dat het heil uit de joden is. En dat het Evangelie verkondigd moest worden, beginnende van Jerzuzalem. Daar ligt toch de wortel. Het waren zonen van Abraham (Messias-belijdende joden), die uitgingen naar 'alle volkeren' buiten Israël.
Ontmoeting
Wil nu echter het getuigenis aangaande de Naam echt gestalte krijgen, dan gaat het om de levende ontmoeting. Het zou wel eens kunnen zijn, dat we, bij alle discussie over 'zending' áán en ònder het joodse volk, op geen enkele wijze het levende jodendom vandaag ontmoeten. En daar komt het toch op aan. Anders blijft alle bezinning spielerei, grote woorden, theoretisch idealisme. Ontmoeting betekent luisteren inleven in het gedachtengoed van de ander (dat gebeurt toch ook in de zending!) en dan spreken.
Dan blijkt er heel wat op te ruimen te zijn wat weerstand heeft opgeroepen bij het luisteren van joden naar christenen in de loop der geschiedenis.
Dan blijkt er heel wat uit te leggen te zijn wat niet uit te leggen is. Wij moesten Israël tot jaloersheid verwekken. Waar deden we dat, met onze verdeelde kerken? De Messias zou vrede en gerechtigheid brengen in de wereld. Waar waren de effecten daarvan te zien in (ook) het christelijke Westen?
Maar in de ontmoeting zal het uiteindelijk toch en duidelijk moeten gaan om het getuigenis geven aangaande de Naam van Christus. Eerlijk gezegd is de ervaring van al diegenen, die de ontmoeting met het levende jodendom kennen, dat er van die zijde ook op wordt gerékend, dat christenen voor die Naam uitkomen. Men acht eerlijk christendom verkieselijker dan half, verkapt maar intussen onecht jodendom, zoals dat in het judaïsme gestalte krijgt (met niet zelden bovendien geen enkele affiniteit tot de worsteling van Israël om het naakte bestaan vandaag).
Maar wil er van het getuigenis iets terecht komen, dan moet er wel een gesprek worden gevoerd, een gesprek met de mensen in de poort, met mensen intussen, die al eeuwenlang overduidelijk weten wat het christendom is en bedoelt en op wier aangezicht (nochtans) een bedekking ligt.
Overigens is het niet denkbeeldig — en dat is een niet te onderschatten gevaar — dat de ontmoeting ook tot vervaging van de christelijke identiteit leidt, dat de gedachte post vat (heimelijk), dat er toch twee wegen tot het heil zijn. Wie die verleiding ondergaat kan haar niet krachtig genoeg van zich werpen: er is géén andere Naam...!
Maar in de ontmoetingen met het levende jodendom zal wel blijken, dat we als kerk voor andere vragen komen te staan dan in de ontmoeting met de volkeren in de wereld, waar (nòg) géén kennis of geen kennis méér is van de God van Abraham, Izak en Jacob, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
Afwachten?
In het blad de Reformatie, orgaan van de Gereformeerde Kerken (vrijg.), schrijft ds. R. ter Beek regelmatig informatieve en bezinnende artikelen over deze thematiek. Recent zette hij op een rij hoe er sprake is van verschillende grondhoudingen van christenen ten aanzien van Israël, lopend van zending tot louter economische hulp, met daartussen de dialoog en tweewegenleer. Als één van de posities noemde hij ook een bepaalde afwachtende houding, die hij bij mede-christenen constateert. De Heere Zelf zal het ook ten aanzien van Israël voleinden op een wijze, die wij maar moeten afwachten. Ten diepste is dat natuurlijk ook wel zo: Recent zei een Messias-belijdende jodin, dat de kerk maar veel zending onder de volkeren moest bedrijven. Want als de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan, dan zàl gans Israël zalig worden (Rom. 11 : 26).
Nu roept de Schrift ons echter nooit en nergens op om lijdelijk af te wachten. Het gaat om ver-wachten, in verwondering en met vertrouwen. Zelfs wanneer we zeggen moeten, dat inderdaad alle en velerlei activiteit om vanuit de kerken de joden met het Evangelie te confronteren, weinig effect heeft gehad, dan nog moet worden gelet op het gebod, blind voor de uitkomst. Maar het mag ons wel wat te zeggen hebben, dat de Heere Zelf ons kennelijk dóét wachten op de opening van dat zegel in de geschiedenis, waarin Zijn bedoeling met de joden aan het licht treedt. Daaraan is een geheimenis
Hoe meer wij intussen binnen de kerken elkáár bestrijden als het gaat om de betrekking tot Israël en onze roeping ten aanzien van de joden, des te minder zullen we hen tot jaloersheid verwekken. Daarom kan ik niet nalaten om ten aanzien van de bezinning op deze thematiek, juist ook binnen de Gereformeerde Gezindte de handen ineen te slaan, om elkaar te ontmoeten voor het forum van de Schriften, en elkaar op te scherpen in een gemeenschappelijke roeping.
De Naam van Jezus bindt ons en verplicht ons.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's