De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Gevoel voor stijl
Onder ons wordt in menig gezin en tijdens menige kerkeraadsvergadering op gezette tijden gediscussieerd over wat wij dan noemen 'stijlvolle kleding, die van gepaste eerbied getuigt' tijdens de eredienst. En dan bedoelen we meestal de kleding van de zusters der gemeente. Discussie over wat de voorganger aan moet hebben tijdens de eredienst, komt onder ons nauwelijks voor. Over het dragen van een toga of een zwart pak door de dienaar van het Woord discussiëren we niet, al zal de meerderheid van de gemeente voorkeur hebben voor de toga. In andere delen van de kerk wordt nooit of nauwelijks een punt gemaakt van de kleding die de zusters der gemeente (en de broeders) dragen. Ieder ga zijn gang, zo lijkt het veelal. De persoonlijke vrijheid is een groot goed immers. Maar daar kent men soms wel grote meningsverschillen over het gewaad van de voorganger. Ik vond in het blad Eredienstvaardig jrg. 7 aflevering 3, juli 1991, een ontboezeming van Willem Zuidema over een vorm van liturgische smakeloosheid, die hij aantrof bij een gereformeerde kerkdienst ergens in het land. Het kan weleens aardig zijn, kennis te nemen van de problemen die men elders heeft over de kleding van de voorgangers. Zuidema zet boven zijn ontboezeming: het grauwgroene overhemd en de veelkleurige das.

Kort geleden maakte ik een belijdenisdienst mee in een gereformeerde kerk ergens in den lande. De dienst was goed voorbereid. De jonge belijders namen actief deel aan de dienst door het verzorgen van de schriftlezingen. Het orgel was een vergroot kabinetorgel en de organist was duidelijk een amateur, maar speelde aardig en bracht het er niet gek van af. De banken waren hard, maar zaten redelijk. Voor de dienst liep een meneer rond die ik versleet voor het hulpje van de koster. Hij was gekleed in een groen jasje met een grauwgroengeel overhemd, een bruinig beige broek en bruine schoenen (nee, geen sandalen! — dat had ook gekund). En hij had een breed uitwaaierende veelkleurige das aan, waarin het groen overheerste. Verder had hij een korte baard, maar dat komt in de beste families voor.
Men stelle zich mijn afgrijzen voor, toen deze 'gewone man' het votum en de groet uitsprak. Ik hoopte nog maar dat dit een vergissing was en dat men in een bui van liturgische vrijmoedigheid dit deel van het ritueel aan een gemeentelid had toevertrouwd. Alhoewel hij er wel vreemd met zijn armen bij stond te zwaaien. Ik hoopte — wellicht tegen beter weten of vermoeden in — dat even later in de dienst de voorganger zich in toga zou openbaren. Maar nee, de tijd is lang vervlogen, dat predikanten in de gereformeerde kerken, wanneer zij zich geen toga konden permitteren of wanneer zij tegen dat kleed principiële bezwaren hadden, in ieder geval in plechtig zwart jacquet of trouwpak met streepbroek de kansel bestegen. Hier en nu, in een tijd dat elk 'weldenkend mens' zich in spijkerbroek meent te moeten vertonen en een op de twee of drie mensen op straat of in de trein zich beneden of soms ook boven de gordel uit louter gebrek aan fantasie in het spijkerblauwe internationale uniform van de 'gewone man' vertoont, menen predikdames of -heren het liturgisch gebeuren wel af te kunnen in hun daagse kloffie, of ten hoogste in hun verjaardagskledij.
Ik vraag me dan af – want ik voel me toch één van hen! –: Waar zijn we mee bezig?

In de kop van dit artikeltje heb ik Exodus 29 : 4-9 vermeld, omdat die passage handelt over de liturgische kleding van Aäron en zijn zonen. Die passage is in de synagoge nooit verstaan als alleen maar geldend voor de historische Aäron en diens directe nakomelingen, de 'kohanim', maar als ook geldend voor heel Israël (vgl. b Zevachim 17b, 18a, 19 ab; vgl. b Arachin 16a). Als Israël voor het gebed in sjoel samenkomt, draagt men de gebedsmantel. Naderen tot de Heer doet men niet zomaar. Men kleedt zich ervoor. De Sjoelchan Aroech (Orach CHayyim II, VIII) geeft regels voor de kleding en waarschuwt ervoor niet als afgodendienaars gekleed te gaan. En als men, zoals sommigen dat nog uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog weten, te arm was om zich in nette kleren te steken voor en aleer men het ochtend- of avondgebed in sjoel verrichtte, dan verhulde een — in sjoel bewaarde — gebedsmantel de poverheid van de schamele kledij en beschermde deze 'arba kanfot' (= vier hoeken, d.w.z. de hoeken waaraan de tsitsiet, de schouwdraden zitten) de arme tegen beschaming.
Mijn vraag is: wie beschamen wij als wij zo in ons burgerkloffie 'dienst doen' voor de Heer? Ik weet alleen dat ik mij diep gegeneerd voelde bij de groene wansmaak van de desbetreffende predikant. Ik beleefde hem als 'naakt', en ik wenste hem van harte het 'vijgeblad' van een behoorlijke toga toe.

Inderdaad, de verhalen, die je soms hoort en die lijken op dit verhaal, doen je de haren te berge rijzen. Het kan kennelijk voor sommigen nooit gek genoeg zijn. Je kunt je afvragen: waar is het gevoel voor stijl, het besef van eerbied voor God en respect voor de kerkganger gebleven? Geen wonder dat velen zulke diensten de rug toekeren. Voor de opvoering van een goeie klucht kun je immers beter naar de Haagse Komedie gaan?

Toga: wit of zwart?
Drs. Zuidema keert zich nog tegen een ander modeverschijnsel onder een groep protestantse predikanten.

Cicero en Caligula redivivi
Het andere uiterste is echter wanneer protestantse predikanten hun afkomst gaan verloochenen en tijdens de liturgie de witte senatorentoga's gaan dragen, die de kerk van Rome, als erfgenaam van de wereldveroverende pretenties van het Romeinse keizerrijk, van de Romeinse senaat overgenomen heeft en waarin Jupiter Capitolinus vereerd werd.
Ze mogen daarbij dan de beste bedoelingen hebben, maar ik kan dat niet meer meemaken. Ik denk dat ik een van de weinige predikanten ben die ooit, in de nadagen van het Vaticaans concilie, in rooms-katholieke kerken de mis bediend heeft en daarbij altijd geweigerd heeft die witte kleding over of in plaats van mijn zwarte toga aan te doen. Ik zie mij nog staan, tijdens een concelebratie, zo'n twintig jaar geleden, tussen vier roomse vrienden, als een zwarte raaf tussen vier witte. Ik heb mij zelden meer welkom gevoeld als protestant in de katholieke wereld. En de toenmalige kardinaal liet, tijdens een gesprek, subtiel merken dat hij ervan op de hoogte was maar, ingeval hem om toestemming gevraagd zou worden, het zou moeten verbieden. We hebben dus ook nooit toestemming, gevraagd! Waarom, mijn lieve vrienden-predikanten, moeten wij, zodra wij enig liturgisch besef ontwikkelen, onmiddellijk leentjebuur gaan spelen en dan meteen precies de verkeerde dingen gaan lenen?
Wat dan te dragen tijdens het dienstdoen? Voor mijn besef is er geen beter kleed dan de toga. Wie dragen er een toga? Onmiddellijk zal men mij toevoegen: advocaten, rechters en hoogleraren. Ik wil daar graag aan toevoegen, om het 'plaatje' volledig te maken: rabbijnen en voorzangers in de synagoge.
Ik ben er weinig van onder de indruk, als iemand mij tegenwerpt, dat de zwarte toga met of zonder bef van betrekkelijk recente datum is. Ik kijk naar de ontwikkelingen en constateer dat in die anderhalf of twee eeuwen, dat de toga in zwang gekomen is, precies de eerder genoemde beroepscategorieën zich zo zijn gaan kleden. Wat is het gemeenschappelijke? Ze hebben allemaal iets met leren, met het recht of met de wet te maken en geen van allen met een of andere offercultus.
Het lijkt mij zinnig ons af te vragen, wat het verband is tussen de instandhouding van een notie van offercultus en het dragen van witte en veelkleurige gewaden in de liturgie.
Wie mij tegenwerpt, dat niet elke voorzanger in sjoel een toga draagt, krijgt van mij onmiddellijk gelijk. Maar vele beroeps-chazzanim dragen die wel en met overtuiging en waardigheid. In kleinere sjoeltjes zal iemand uit de geloofsgemeenschap het gebed leiden en in veel gevallen daarbij geen toga dragen. Maar dat heeft meer met de financiën dan met een principe te maken.
Hoe dan ook, ik voel mij in goed gezelschap als ik mijn zwarte toga draag.

Uiteraard kun je van mening verschillen over de vraag of de zwarte toga dan hèt antwoord is op de stijlvraag in de eredienst. Maar de verkleedpartijen, die in sommige delen van de kerk worden opgevoerd, zouden kerkgangers doen vragen: doe alstublieft maar gewoon en verkondig ons het klare heldere Evangelie van Christus. Om gekleurde gewaden te zien, kennen we wel andere gelegenheden. Maar deze uitspraken zullen wel ontstellend laagkerkelijk klinken en aan liturgisch gevoelige collega's dezelfde rillingen bezorgen als wanneer iemand met zijn nagel over een bord krast.

Ook in de politiek
Die behoefte aan een zekere stijl en kritiek op een gebrek eraan, kwam ik ook tegen bij het lezen van een van de vele verhalen over de moeilijkheden binnen de PvdA. Ik bedoel het verhaal van de journalist Willem Pijffers in het weekblad HP/ De Tijd van 16 augustus 1991. Daarin wordt de fractievoorzitter, de heer Wöltgens, gebrek aan stijl verweten in zijn presentatie naar de pers, wanneer hem voor de camera's gevraagd wordt naar zijn mening. Volgens genoemde journalist maakt Wöltgens het voor zijn partij alleen nog maar erger, vanwege zijn opmerkelijk gebrek aan stijl.

Van Wöltgens moet de partij het ook niet hebben. Iemand die in het heetst van de strijd zichzelf nog potsierlijker maakt dan hij al is, door z'n geestverwanten te ontvangen in korte broek, zal nooit voor vol worden aangezien. ledere situatie eist een bepaald decorum, en in dit geval bestaat dat niet uit een boskabouter, die staat te wuiven op de drempel van een huis waarbinnen men meer koper en eikehout vermoedt dan in menig oud-Hollands restaurant.

Verder, in Hervormd Nederland van 17 augustus 1991, verwijt een andere Willem met name mevrouw Sint een gebrek aan gevoel voor en inleving in de problemen van hen, die ze juist geacht wordt te vertegenwoordigen. Het gaat hier niet zozeer om een schromelijk gebrek aan uiterlijk decorum, als veelmeer om een gebrek aan invoelingsvermogen. Volgens Aantjes ligt de pijn vooral in het argument van de vakantie, dat politici hanteerden om hen die het van de WAO moeten hebben zes weken te laten wachten op een reactie naar aanleiding van de kabinetsplannen. Nu gaat het me hier niet om de inhoudelijke kanten van de WAO-problematiek. Daar is ons blad niet het eerst aangewezen kanaal voor. Maar om de stijl van omgang onder mensen die hier, dunkt me, toch wel een beetje terecht door Willem Aantjes worden gehekeld.

Het roept opnieuw de vraag op, in welke wereld de politici eigenlijk leven. Mevrouw Sint liet na haar terugkeer weten, dat toch 'iedereen met vakantie gaat'.
Neen, mevrouw Sint, niet iedereen gaat met vakantie, want lang niet iedereen kan met vakantie gaan. Dacht u werkelijk, dat dezulken één snars begrijpen van zo'n argumentatie? De vakantiegangers, zo verzekert u de voorzitter van de Adviesraad voor de Openluchtrecreatie, zitten bij de bovenkanters van de samenleving. De onderkanters kunnen niet met vakantie of moeten zich beperken tot een dagje-uit of wisselen hun kinderen (net als vroeger, weet u wel?) uit met die van familieleden elders in het land. Dan valt het de buren ook niet zo op, dat zij thuis moeten blijven. Wie denkt, dat 'iedereen' met vakantie gaat, kent maar één deel van de samenleving, en dat is niet het deel waar de politiek primair voor is.

Dit gebrek aan stijl in de omgang met elkaar doet mensen soms heel diep van elkaar vervreemden. Dat gebeurt in de kerk en in de politiek, dat mag duidelijk zijn. En dat kan tot ernstige problemen leiden.

SoW en de vervreemding
Dat schrijft ds. A.W. Vlieger boven een bijdrage van zijn hand in 'Kerk en Wereld' van juli 1991. 'Kerk en Wereld' is het orgaan van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden.

Hoewel het Samen op Weg-proces hier en daar bloeit en landelijk optimisme heerst door de benoeming van ds. Barend Wallet als secretaris van de Raad van Deputaten Samen op Weg, gaat het met SOW toch niet echt goed.
Ik weet niet precies hoe het bij de vrijzinnigheid ligt, maar ik vermoed dat vele vrijzinnigen geen behoefte hebben aan Samen op Weg. Vanouds zijn zij door gereformeerden gewantrouwd en sterker nog geminacht. Zij staan niet allemaal te trappelen om enthousiast aan dit proces mee te doen.
Heel anders ligt dat bij de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Vanouds bestond er tussen de Bond en de gereformeerden een zekere verwantschap. Menig 'bonder' raadpleegt voor zijn preken werken van gereformeerde auteurs uit de jaren 'vijftig'. Maar daarna ging het mis. Wat de gereformeerden vanaf zestig hebben beweerd, kan niet op instemming rekenen bij 'rechts' in de N.H. Kerk. 'Gereformeerden hebben hervormden links ingehaald' is hun mening. De uitspraak is van prof. dr. H. Berkhof
Zijn gereformeerden vrijzinig geworden? Ik vermoed dat vele gereformeerde preken inderdaad vrijzinniger zijn dan die van vrijzinnige predikanten in de N.H. Kerk. Daarnaast hebben vele vrijzinnigen in de hervormde kerk conservatieve trekjes. Ik bedoel niet dat zij politiek gezien liberaal zijn, — dat gebeurt wel, maar is geen usance —, neen, liturgisch zijn zij 'laagkerkelijk', sober, en zij hechten vaak aan oude gezangen. Daarnaast is het zo dat in vele gereformeerde kerken gezinnen als geheel in de dienst aanwezig zijn, waarbij kinderen vaak een belangrijke rol in de eredienst spelen. Terwijl in een gereformeerde kerk op een hoogtijdag het hele gezin aanwezig is en kinderen een rol is toebedeeld in de liturgie, kan een verdwaalde hervormde, die nooit naar de kerk gaat, maar die dag toevallig wel, zich in zo'n dienst niet meer herkennen. Hij heeft het gevoel dat die kerkdienst gemaakt is voor een groep gezinnen.
Terwijl onder gereformeerden vaak gehamerd is op het aambeeld evangelisatie, is juist het omgekeerde ontstaan: in de diensten wordt te weinig rekening meer gehouden met de verdwaalde gast, de halve buitenstaander, de zoeker, de zwerver. Zo ontstaat vervreemding. In de hervormde kerk wist de dominee altijd dat hij op een hoogtijdag juist die groep moest aanspreken, die nooit in de kerk kwam.
Vrijzinnigen trekken zich graag terug. De 'bonders' manifesteren zich. Bij beide groepen is sprake van vervreemding ten aanzien van Samen op Weg. Beide groepen dienen gehoord te worden, anders ontstaat ongemerkt een nieuwe kerk waarin velen zich niet meer thuisvoelen.

Er is veel mis in de kerk, juist ook omdat men vaak zo weinig geneigd is rekening te houden met gevoelens van de ander. Dat is uiteraard een verwijt, dat ook ons als 'Bonders' geldt. Maar Samen op Weg verloopt mede zo moeizaam vanwege dat 'grauwgroene overhemd en die veelkleurige das' dat maar zo moeilijk te combineren valt met het 'diepe zwart'. We zijn in totaal andere geestelijke werelden beland.
Dat heeft vooral met de theologie, met de leer, met de prediking te maken. Daar ligt de diepste oorzaak van bedoelde vervreemding van elkaar in de kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's