Hoe Rooms was Guido Gezelle?
Inleiding
Onlangs is er een nieuwe biografie van Guido Gezelle uitgekomen. Het boek is geschreven door onze landgenoot Michel van der Plas en werd uitgegeven bij Lannoo in België en bij Anthos in ons land. Hoewel Van der Plas een prijs voor dit werk nota bene publiekelijk (want voor de tv) en onvoorbereid (zichtbaar teleurgesteld) aan zijn neus voorbij zag gaan, hebben wijzere mannen dan wie thans in Nederland bepalen wat wel en wat niet literatuur is, het boek in hoge mate geprezen.
Dat is verdiend. Niet alleen heeft Van der Plas oog gehad voor een in andere levensbeschrijvingen bijna vergeten aspect van de priester-dichter, namelijk zijn werk als publicist en polemicus. Maar ook straalt het boek een warmte uit, die slechts verklaard kan worden doordat Van der Plas op veel punten zich eens geestes met Gezelle weet. Het is dan ook een 'geestelijk' en devoot boek geworden, al luistert het naar de prozaïsche titel Mijnheer Gezelle, ontleend aan Gezelle's werk als uitgever en redacteur van bladen.
Beeld van de tijd
Het is aangenaam, dat Van der Plas ons in zijn boek een beeld van de tijd geeft in de ruimste zin van het woord. Hij volgt daarin Gezelle, die immers taalkundig een allesweter was en zich in meer dan zeven talen tamelijk foutloos schriftelijk en mondeling kon uitdrukken. Dat beeld komt in het boek ook telkens op ons af: de jonge student aan het klein-seminarie in Roeselare, wiens voorliefde het is om te 'santen', om woorden en hun betekenis te verzamelen. Woorden die niet in een woordenboek voorkomen, maar die gesproken worden en dreigen weg te sterven met de generatie, die zich ervan bedient.
Gezelle was wat wij tegenwoordig een lexicograaf noemen. Zijn beredeneerde woordentas, later woordenschat geheten, vormt de basis van het indrukwekkende Woordenboek der Nederlands(ch)e Taal, dat nog steeds bezig is te verschijnen. In mijn studententijd waren hoofdredacteur De Tollenaere en zijn collega's gevorderd tot het 'varken', dus dacht ik in mijn onschuld, dat het woordenboek wel snel voltooid zou zijn. Maar neen, elk volgend deel geeft weer verbeteringen op de vorige en aanvullingen en nog een ander gebruik van een woord enzovoort. Welnu, zo was het leven van de lexicograaf Gezelle. Verzamelen en nooit klaarkomen. Zijn grote liefde voor het West-Vlaams, voor de 'lieden van te lande', van wier taal hij geloofde dat ze de zuiverste uitdrukking was van het ware katholieke geloof, is de kracht geweest achter al zijn moeitevolle arbeid. Hij leefde (1830-1899) in een voor België moeilijke periode. De gewonnen zelfstandigheid van de natie in politieke zin werd prompt bedreigd door de taal- en cultuurkwestie. Gezelle werd de grote strijder voor het Vlaams, niet voor de Groot-Nederlandse gedachte, want van het land van Jan Kaas moest hij niet veel hebben, en protestanten waren bij hem verdacht en bleven dat, ook in de tijden waarin weleens eerder Noordnederlandse protestanten hem te hulp kwamen dan rooms-katholieke Vlamingen. Het ging hem om Vlaanderen en om Rome. Indrukwekkend beschrijft Van der Plas, hoe hij zich van een kritisch rooms-katholiek tot een ijverig ultramontaan ontwikkelde, die de paus nagenoeg aanbad, elk woord uit Rome als openbaring aanvaardde en ons 'God, Nederland en Oranje' wijzigde in 'God, Rome en Vlaanderen'.
Even duidelijk geeft Van der Plas aan, waarom Gezelle zijn leven lang zijn heil zocht bij de 'lieden van te lande', de eenvoudigen die nijver zwoegden op Gods akker, en eveneens zijn leven lang een diepe afkeer had van de steden en van de cultuur, die hij belichaamd zag in instellingen als de Leuvense universiteit. Temidden van de strijd ontstonden al de gedichten, die nu in acht kloeke delen door De Nederlandsche Boekhandel in Antwerpen en Amsterdam worden uitgegeven. Onuitgegeven zijn tot nu toe zijn artikelen in kranten en tijdschriften, alles wat hij als strijdschrift het licht deed zien en zoveel meer, teveel om op te noemen. Delen ervan zijn terug te vinden in de Gezellekroniek van het Guido-Gezellegenootschap, dat zetelt in het Belgische Kapellen. Het blijft een vreemde gedachte, dat het werk van hem, die door Van der Plas terecht de grootste Nederlandstalige dichter uit de vorige eeuw is genoemd, nooit echt integraal is uitgegeven.
Hoe rooms was Gezelle?
Waar het ons nu om te doen is in deze artikelen, is de vraag waar Van der Plas geen antwoord op geeft. Hoe kwam Gezelle zo rooms? En vooral, waarom bleef de curie te Brugge wantrouwend jegens hem? Waarom kreeg hij in en van de kerk nooit de positie, waar hij recht op had? Naar ons protestanten toe luidt het probleem, dat de vurige beijveraar voor de Processie van het Heilig Haar voor menige protestant zo weinig rooms is als pastoor Poncke van Damme en er dientengevolge — Van der Plas noemt het — ooit in het gereformeerde Kampen een sigarenmerk onder zijn naam uitkwam, waarvan het kistje gedekt werd met een afbeelding van Gezelle als dominee verkleed. Hoe is dit alles mogelijk bij een man, die zelfs in zijn familiekringen bekend stond als een overdrijver in aanhankelijkheid jegens Rome?
Natuurlijk geeft Van der Plas antwoorden op deze vragen. De invloed van zijn moeder, zijn karakter dat aangelegd was om anderen een genoegen te doen, zijn grote bescheidenheid tot neerbuigendheid toe, zijn reeds eerder genoemde keuze om alles bij het oude te laten en de tradities in ere te houden en indien mogelijk in ere te herstellen. Zijn visie op het Westvlaams als voertuig van zuiver rooms-katholicisme en op het Frans als voertuig van de duivel, die land en kerk en maatschappij wil verzieken. Maar zijn dat theologische redenen?
Gezelle's stellingname
Een zeer goed ingevoerd kenner van Gezelle, Frank Baur, heeft er herhaaldelijk op gewezen, dat Gezelle's lyriek leefde bij de spanning tussen Gods heldere hoogheid en de duistere zondewil van de mens, en dat hij die spanning plaatst in de natuur. In de Westvlaamse natuur, als het om de mens gaat, en voorts in het algemeen in de natuur, waarin hij het kleine en verachte zoekt, bijvoorbeeld een huisvlieg, om die vlieg vervolgens te verheffen tot de ronkende bode van het eeuwig blijde zijn.
Deze klanken zijn niet rooms. Allereerst al de bijna ongebreidelde aandacht voor de mens, de zondige mens die zo losgemaakt wordt van alle kerkelijke dogma's en zo op zichzelf beschouwd wordt bij Gezelle, dat hij uit de boot van de klassieke, neothomistische leer van de mens valt. Dat is natuurlijk niet schering en inslag in het werk van de grote Brugse dichter. Gezelle was een trouw priester. Trouw aan het gezag, trouw aan het dogma, trouw aan de paus, trouw aan de bisschop, trouw aan het geloof der kerk, dat het geloof van zijn moeder was. Maar dat alles was traditie. Daar leefde hij in, maar daar dichtte hij vaak niet uit, en vooral niet wanneer zijn geprangd gemoed overliep. Dan kwamen die duistere diepten en die onbeperkte hoogten te pas, die nauwelijks door een kerktaal konden worden beschreven. Gezelle was... neoplatonicus. Het neoplatonisme heeft in onze westerse wereld de opbloei van de mystiek, soms van de ongebreidelde mystiek (Eckhart en Tauler) op zijn naam staan. En Gezelle was in deze mystiek op zijn geheel eigen manier kind aan huis.
Voor deze zelfstandigheid heeft de kerk van Rome altijd, en terecht, gevreesd. Een kerk, die zozeer en zo vaak monomaan haar gezag over alles laat gelden en dan toch de vrije wil van de mens wenst te prediken, komt met naturen als Gezelle in konflikt, ook al is er nauwelijks ooit in Gezelle's leven van een openlijk konflikt sprake geweest. Zijn superieuren hebben hem gevreesd, al hadden ze voor zijn gezagsgetrouwe onderdanigheid niets te vrezen. Ze hebben beter geweten dan de terneergebogen Gezelle zelf, welk wapen hij bezat en zij misten. Deze man had een totale anarchie kunnen bewerken, indien hij gewild had. Maar hij wilde het niet. Soms echter, indien nood en blijdschap onaardse hoogten en diepten vertoonden... dan was hij een wezen van een andere planeet. En die vreesden zij.
De onwetende sympathie van protestanten
Wat ik boven getracht heb aan te duiden, is de reden waarom protestanten Gezelle zo bejubelen en vergeten, dat de geprangde dichter zichzelf altijd weer terugvond in de moederkerk.
'Gij badt op eenen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wilt mij achterna
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn' oogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een.
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
o Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!'
Is er één onder ons, die in de gaten heeft dat dit gedicht, waarschijnlijk uit 1859, verband houdt met een crisis aan het klein-seminarie, waar Gezelle met succes, maar verdacht gemaakt door zijn collega's les gaf? Wat was voor hem 'wereld'? Voor ons is het een deel van de driekoppige vijand. Was het dat voor Gezelle ook, en in diezelfde betekenis? Of was het de wereld buiten de natuur?
Zo zou er meer te noemen zijn. Wanneer hij Hooglied 2 vers 1, 'Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen', weergeeft met:
Ik ben een' blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart
dan valt op, dat Gezelle met de tekst uit het Hooglied een weg opgaat, die vanuit de Bijbel nauwelijks te rechtvaardigen is. Ook valt op, dat hij God als het hoge, oneindige zonnelicht beschrijft. Ook oneindig in vergelijking met de leer der kerk en iedere andere systematisering. Bij Gezelle stijgen naturalisme en neoplatonisme boven de kerk uit. Dat, gevoegd bij een beleving van het menszijn, dat eveneens niet meer in rooms-orthodoxe categorieën te vatten is, maakt hem voor ons zo eindeloos sympathiek. En tegelijk zo volstrekt onplaatsbaar. En dat is het grote van Gezelle. Hij springt eruit. Een bloem die eeuwig bloeit in God, zoals hij aan het slot van het zoeven aangehaalde gedicht zegt. Daarom is zijn nagedachtenis tot zegen voor rooms-katholiek en protestant. Hij die als weinigen gevochten heeft, zijn leven lang, tussen de partijen en met de partijen, is boven de partijen verheven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's