De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

Dr. W. van 't Spijker, De verzegeling met de Heilige Geest, over verzegeling en zekerheid van het geloof; Kampen 1991, 162 p., ƒ 27,50.
De christelijke gereformeerde hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht (Theologische Universiteit van Apeldoorn), prof. dr. W. van 't Spijker heeft ons een grote dienst bewezen met deze bundeling van zijn artikelen over het thema van de verzegeling met de Heilige Geest in 'De Wekker'. Het is een vrij uitvoerig en goed leesbaar boekwerk geworden, dat zeker zijn weg zal vinden. Het onderwerp, hier aangesneden, heeft immers altijd grote belangstelling gehad in de Gereformeerde traditie en heeft dat — gelukkig — nog. De zekerheid des heils en — daarmee verbonden — de zekerheid van het geloof behoren tot het hart van de Gereformeeerde religie.
In het eerste deel van het boek behandelt Van 't Spijker een aantal exegetische kernzaken, waaronder het woord 'verzegeling' zelf in samenhang met: het Woord (en de Geest), de belofte, het geloof, de doop en de hoop. Daarbij komt de bekende tekst van Ef. 1 : 13 ter sprake en de vraag, of de verzegeling met de Geest iets is, dat onmiddellijk gegeven is met het geloof of iets dat volgt op het geloof en in het laatste geval ook niet altijd bij elke gelovige (een soort 'second blessing' — tweede zegen — voor elite gelovigen dus). Van 't Spijker legt een onlosmakelijk verband tussen geloof en verzegeling en distantieert zich van de vooral in charismatische kringen gebruikelijke onderscheiding tussen gewone gelovigen en gelovigen, die de speciale gave van de doop met de Geest kennen.
In het tweede deel van zijn boek (het kerkhistorische onderdeel) voert hij daarvoor de beste getuigen aan uit de tijd van de Reformatie en van de nadere Reformatie (vroege tijd), zoals Luther, Bucer, Calvijn, Zanchius/Taffin, W. à Brakel en Alexander Comri. Daarbij signaleert hij vooral bij de twee laatstgenoemden een afwijking van de voor het Bijbelse spreken en voor de Reformatie kenmerkende samengaan van geloof en zekerheid. Langzaam maar zeker verschuift de aandacht naar de kenmerken van het geloof
Ik heb het boek van Van 't Spijker gelezen als een waardevolle poging om wat de Reformatie (met alle nuances overigens) over de verzegeling met de Heilige Geest, c.q. de zekerheid van het geloof heeft geleerd, terug te vinden in de beste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, al zet de auteur hier en daar (vooral bij Comri) het sein op onveilig. Een methode die me overigens meer aanspreekt dan een methode die erop uit is in de Nadere Reformatie en meest vervolgens ook in de Reformatie de bronnen op te sporen van hedendaagse aberraties in het gereformeerde geloofsleven.
Overigens zou ik Van 't Spijker wel willen vragen, waar precies het verschil ligt tussen wat de Dordtse Leerregels over de wedergeboorte leren (III/IV : 12) en wat Comri leerde omtrent de 'hebbelijkheid van het geloof'? Als ik Van 't Spijker goed begrepen heb, liggen Dordt en Calvijn niet met elkaar overhoop. Ook op dit punt niet? Als dat zo is, mag er ook best doorgevraagd worden naar de betekenis van wat Ef. 1 : 13 zegt over de verzegeling met de Heilige Geest, 'doordat en nadat gij tot geloof gekomen zijt'. M.a.w.: is er toch ook niet sprake van een van het geloof niet te scheiden, maar wel degelijk te onderscheiden acte van de Heilige Geest, waardoor de gelovige in wie het geloof en de geloofszekerheid in wezen en beginsel is gewerkt, tot doorbraak en volle ruimte komt, uit kracht van de Geest van Pinksteren? Deze blijft immers rusteloos bezig in de gelovige, door alle worstelingen heen, totdat Jezus Christus met aftrek van alle gronden buiten Hem, het enig rustpunt van het hart is geworden. Dat is in de regel een proces. De Dordtse Leerregels spreken hierover een verzekering 'bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate', ... doordat Gods kinderen de vruchten der verkiezing in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz., D.L. 1 : 12).

Dr. P.H.R. van Houwelingen, 1 Petrus, rondzendbrief uit Babylon, (Commentaar op het Nieuwe Testament, derde serie, onder red. van prof. dr. J. van Bruggen; afd. Katholieke Brieven en Openbaring); Kampen 1991, 205 blz., ƒ 37,50.
In de reeks 'Commentaar op het Nieuwe Testament' (derde serie), onder redactie van prof. dr. J. van Bruggen, een voortzetting van de sinds 1922 verschenen 'Kommentaar op het Nieuwe Testament', heeft dr. F.H.R. van Houwelingen (vrijgemaakt gereformeerd predikant te Enschede-Oost) een alleszins lezenswaardige en diepgaande studie geschreven over de eerste Petrusbrief. De auteur, die mede door zijn promotie-onderzoek als een bekwaam exegeet van de Petrusbrieven kan worden gekenschetst, heeft ons met deze commentaar een waarlijk diep inzicht gegeven in de eerste brief van Petrus. Homileten in het bijzonder zullen er een dankbaar gebruik van maken. Graag beveel ik dit keurig uitgegeven boekwerk in het bijzonder ook bij onze predikanten en voorgangers aan. Het zal zeker ook goede diensten bewijzen aan allen die in gesprekskringen met deze rijke brief uit het NT willen bezig zijn. Van Houwelingen verricht in deze studie diepgravend werk. Hij is gedurig in gesprek met exegeten, ook van het modernste snit en zoekt Bijbelgetrouw zijn weg in de veelheid van meningen. In de 'Inleiding' geeft hij zich rekenschap van de vele vragen van de zgn. inleidingswetenschap (zoals die van het auteurschap, de afzender, het adres en de datering van de brief).
Dat de brief vanuit Babylon (Perzië) geschreven zou zijn en niet vanuit Rome (het Babylon van het boek der Openbaring), acht ik een niet sterk onderbouwde stelling van Van Houwelingen. Waarom zou Petrus niet — ook in een vroeg te dateren brief — de stad Rome hebben kunnen benoemen met het begrip Babylon, een vermoedelijk ook in het jodendom niet onbekende aanduiding van de grote tegenspeler van Jeruzalem? Daar hoeft men Petrus dus niet eerst voor naar het geografische Babel te laten trekken. Waar hij na zijn vlucht uit de heilige stad vanwege vervolging, een niet veel beter onthaal kan hebben verwacht dan in Rome.
Deze opmerkingen doen echter niets af van de betekenis, die Van Houwelingens exegetische arbeid heeft en van mijn groot respect daarvoor. Ik wens zijn boek graag in veler hand. Onder de zegen van onze God zal de bestudering en doorleving van de hartversterkende woorden van Petrus de christenheid van nu weer kunnen leren wat het is, om vrolijk het kruis van smaad en vervolging te dragen, achter de grote Meester aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's